Nescio waar ben je?

Schermafbeelding 2015-06-16 om 22.38.10

‘Gods troon is nog ongeschokt. Zijn wereld gaat haar gang maar. Af en toe glimlacht God even om de gewichtige heeren, die denken dat ze heel wat beteekenen. Nieuwe Titaantjes zijn al weer bezig kleine rotsblokken op te stapelen om ‘m van z’n verhevenheid te storten en dan de wereld eens naar hun zin in te richten. Hij lacht maar en denkt: “Goed zoo jongens, zoo mal als je bent, ben je me toch liever dan die mooie wijze heeren. ‘t Spijt me dat je je nek moet breken en dat ik die heeren moet laten gedijen, maar ik ben ook God maar. En zoo gaat alles z’n gangetje en wee hem die vraagt: Waarom?’

Dat schreef Nescio in Titaantjes. Bovenstaande foto laat het uitzicht zien vanuit het raam van mijn ouderlijk huis. De foto moet begin jaren vijftig zijn genomen. Er zit een wonderlijke lichtvlek in, maar dat komt door de flitser. Ik heb de foto, die ik onlangs aantrof bij mijn oudste zus, op een wat knullige wijze opnieuw gefotografeerd. Het is dus een foto van een foto. Het moet begin jaren vijftig zijn geweest. De nieuwe bebouwing tussen de Van der Waalsstraat (later: Johannes van der Waalsstraat) en de Kruislaan was nog niet begonnen. Wij keken vanuit de erker uit op de weilanden met paarden en koeien. De boer had zijn boerderij aan de Kruislaan. Die loopt in de verte, langs de bomenrij. Daarachter waren de sportvelden en helemaal in de verte het oude Ajax-stadion. De bloempotten met plantjes herinner ik mij nog goed. Mijn moeder plukte daar altijd dode blaadjes uit en die kreeg ik dan. Ik gebruikte ze om tussen twee blokjes van mijn blokkendoos te plaatsen. Zo kon ik bomen maken, waartussen mijn autootjes konden rijden.

Aan de overkant van de straat was een sloot. Tussen straat en sloot was een smalle strook gras die steil naar beneden liep. Toen ik nog in de kinderstoel zat, werd ik door mijn moeder wel eens aan de slootrand geplaatst. Zo had ze mooi uitzicht op mij vanuit het raam. Dat is ook mijn vroegste herinnering. Kijkend naar de koeien vanuit de kinderstoel. Op een kwaaie dag kwam Robbie Meier, die om de hoek in de Boylestraat woonde en wat ouder was dan ik, naast mijn kinderstoel staan en begon mij te pesten. Ik zette het op een brullen, maar kon verder niets doen. Het was mijn eerste jeugdtrauma. Mijn moeder was zeker druk bezig met de was. Later, toen ik zelf buiten mocht spelen, tikte ze altijd met haar trouwring tegen het raam als ik binnen moest komen omdat het eten op tafel stond.

Heel af en toe viel er een koe in de sloot. Dat was altijd een spannend gebeuren, want de boer kon hem dan alleen met veel moeite met een tractor weer op het droge trekken. Stomme beesten die koeien, ze kunnen zichzelf niet eens redden, dacht ik dan. Eens per jaar verschenen er grote witte tenten op het grasland langs de Kruislaan in de verte. Dat was een soort vakantiekamp voor kinderen uit de oude wijken waar weinig groen was. Daar werd van alles voor georganiseerd in die tijd. Vaak werden die tenten dan stiekem – stok voor stok – door kwajongens afgebroken. Heel mooi om vanuit het raam te kunnen volgen. We hadden nog geen tv. Die kwam pas in 1954.

Altijd als ik met de trein Amsterdam binnenrijd, werp ik in de gauwigheid even een blik in de Johannes van der Waalstraat. Je ziet die lange straat – haaks op het spoor – dan in een flits voorbij komen, vlak na Station Sciencepark op weg naar Station Muiderpoort. Heel even schiet dan een wereld van herinneringen aan mij voorbij, zoals elk moment in de tijd wegschiet in de ruimte achter ons. Jongen, waarom ben je toch uit Mokum weggegaan? zo denk ik dan. En telkens weer moet ik het antwoord schuldig blijven. Ik weet het niet. Nescio, waar ben je? Alles heb jij al eens eerder geschreven, al was het maar die ene prachtige zin aan het slot van De uitvreter:

Zijn reis naar Friesland is altijd onopgehelderd gebleven.

5 Reacties »

  1. Jelle Breuker

    18 juni 2015 op 13:05

    Ik haal een oude koe uit de sloot en toon daarbij mijn kleingeestigheid, nocht oan ûnnocht en historisch besef. Aanleiding is de priemende vinger van gisteren in de laaste reactie van Eddy Drost in de richting van de Frieeske Akkedeemje . Hij hekelt een subsidie van vermoedelijk € 150.000.
    Ta de saak. Ongeveer twaalf jaar geleden bleek de FA een schuld te hebben opgebouwd van een kleine € 2 miljoen. Hij die als hoofdverantwoordelijke en zwakste partij moest worden gezien, wetenschappelijk directeur Lammert Jansma, werd onder druk van de eerstverantwoordelijke gedeputeerde, Bettus Mulder (PvdA) door het bestuur van de FA ontslagen. Op zijn beurt stond Mulder onder druk van de moeder van de FA, de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. De provincie en de KNAW waren en zijn naar evenredigheid de beide subsidiegevers van de FA. Lammert Jansma was echter niet de hoofdverantwoordelijke, zij het wel schuldig, want dat waren Mulder en de directeur van de KNAW. Jaar op jaar hadden zij immers met de betreffende begrotingen ingestemd en de eindafrekeningen goedgekeurd. Zij wisten dus, konden dat in ieder geval van hun medewerkers weten, dat de FA een schuld aan het opbouwen was, maar hadden niet vroegtijdig ingegrepen. Het siert hen niet dat zij niet de persoonlijke consequentie hebben getrokken, in tegendeel: zij lieten andermans kop rollen. Provinciale Staten van Frieesloan hebben er geen woord aan gewijd en pleegden daardoor een politieke wandaad. De PvdA was in die tijd de grootste fractie in Provinciale Staten en wilde dat vootdurend bewijzen. De Friese media (PvdAgezind en van provinciaal subsidie afhankelijk) hebben ook toen de door henzelf bezongen eigen onderzoeksjournalistiek laten liggen. Dit alles is ook Fryslân.

    Drost, de subside waarop u wijst was bedoeld voor een onderzoek naar de vereenvoudiging van de spelling van de Friese taal. Een belangrijk motief was aanpassing van de schrijfwijze aan de dagelijkse spreektaal. Waartoe dit leidt heb ik met enkele voorbeelden duidelijk willen maken. Tot heil van het Fries, de taal die Piet Hemminga zo treffend in een bepaalde context gekscherend ‘dy skoandere taal’ noemt. (‘It each rekket net utsjoen en it ear net utharke’: http://www.demoanne.)

    Intussen luister ik naar de verzetsliederen van Mikis Theodarakis tegen het koloniale bewind van ruim veertig jaar geleden. Telepathisch betuig ik de Grieken solidariteit in hun strijd tegen een andere bedreiger, de EU in zijn tegenwoordige constellatie. Ik heb Theodarakis’ optreden in Vredenburg, Utrecht, in 1974 bijgewoond. Wat een grootse stilte, wat een uitzinnig publiek. Had Fryslân maar zo’n strijder tegen verkeerde politici.

  2. eddy drost

    18 juni 2015 op 16:17

    Ik heb destijds een documentaire gezien van de Omrop over de perikelen rond de Fryske Akademy, waarin een aangedane Willem Jaarsma zich verdedigde in bewoordingen die u nu ook gebruikt. Ik had met hem te toen. De Zwarte Piet was hem inderdaad onterecht toegespeeld. Dat ik gisteren de Akademy hekelde is wat sterk uitgedrukt. Als je er 150.000 euro voor nodig hebt om 1% van de schrijfwijze van woorden aan te passen lijkt mij de verhouding scheef te liggen. Vandaar. Overigens citeerde Piet Hemminga met de door u aangehaalde zin de Omrop zelf. Maar het kan dat ik het verkeerd begrepen heb.

  3. eddy drost

    18 juni 2015 op 16:20

    Excuus ik blunder weer eens even. Waar ik schrijf Willem Jaarsma bedoel ik Lammert Jansma. Ik ben een sufferd.

  4. Jelle Breuker

    18 juni 2015 op 16:56

    Drost: ik – sûch dat ik bin, ik begjin al wer mei ‘ik’ en dat mei net fan de taaletikette – soe sizze dat ‘dy skoandere taal’ hjir it ferhâldingswurd foarwerp (prepositioneel object) is. En direkt ferwiist nei ‘it Frysk’ (fan de provinsje) yn de eardere sin. Omdat it Frysk by de provinsje in widere, in algemeniere betsjutting hat as by de Omrop, dêr’t it allinnich giet om it Frysk as sprektaal, bin ik it net mei jo iens yn jo earste reaksje. Och, miskien binne jo foar in pear sekonden in sûch, lykas ik mei myn ‘ik’. Ik tink oars dat wy beide wol lykrinne en net altyd om ’t lyk wolle.

  5. eddy drost

    18 juni 2015 op 17:17

    Bytiden in sûch is fansels net sa slim. Unnedich in sûch troch sloardiges is in hiel oar ferhaal. Dat jo lyk rinne nim ik grif oan. Dat d’r in soad minsken binne die miene dat iksels lyk rin doar ik te betwifelje. Ik bin dan ek de lêste dyt sizze sil dat ik de keutel altiten bij skjinne ein ha.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)