In het spoor van Nescio

Schermafbeelding 2015-06-16 om 17.39.06

‘Waar we ook heel sterk in waren, dat waren, na kantoor, tochten naar de Ringdijk. Daar zaten we in ’t gras tusschen de boterbloemetjes beneden aan de dijk en dan kwamen de nieuwsgierige koeien met hun groote ogen en keken naar ons en wij keken naar de koeien. En dan kon je ervan opaan, dat Bavink over Lien begon. Op de een of andere manier moesten die koeienoogen daar iets mee uit te staan gehad hebben. En dan begon ’t te schemeren, de kikkers gingen kwaken, één ging er vreeselijk te keer, vlak bij mijn schoen, m’n eene voet lag bijna in de sloot. Een koe, die je nauwelijks meer kon zien in de halve duisternis, hoorde je ’t gras afschuren. In de verte begon er een klagelijk te loeien. Een paard holde heen en weer, je hoorde ’t maar zag ’t niet. De koe bij ons blies en werd onrustig. Bekker zei: ‘ ’t Is hier goeie. Zoo moest ’t maar blijven.’

Uit: Nescio – Titaantjes (1915)

Bovenstaande foto is genomen aan de Ringdijk die de Watergaafsmeer in Amsterdam omsluit. Waarschijnlijk niet ver weg van de plek die Nescio beschrijft. Ergens tussen het einde van de Kruislaan en het pontje naar het Merwedekanaal. Deze foto is alleen zo’n 35 jaar later genomen. Het moet rond 1950 zijn geweest. Ik zit in het gras tussen Lucie (links) en Trees. Lucie is nu 75 en Trees 71.

Op 2 mei j.l. was ik nog even in Amsterdam en ik kon het niet laten om met mijn OV-fiets nog even over de Ringdijk te gaan, vanaf de Indische buurt tot zo ver ik kon komen. Dat was niet zo ver meer als vroeger. Op een gegeven moment loop je daar nu vast op een groot complex van snelwegen bij de Ringweg Oost en het knooppunt Watergraafsmeer. Ook van het landelijke uitzicht is weinig meer over sinds het Sciencepark uit de grond verrees. Gelukkig is het kleine pontje er nog wel. Ik heb er nog wat foto’s gemaakt.

CIMG2880

CIMG2881

Onlangs las ik Nescio’s postuum verschenen Natuurdagboek (2002), waarin hij op bijna fotografische wijze aantekeningen heeft genoteerd van indrukken die hij rond 1950 tijdens tochten door het Nederlandse landschap heeft opgedaan, in de tijd dus dat foto met mijn twee zusjes is genomen. Wat Nescio dan schrijft zijn uiterst beknopte aantekeningen, bijna zoals een fotograaf die maakt om zich achteraf een genomen foto in het landschap te herinneren. Telkens weer wordt door Nescio de datum genoteerd en de plaats en vervolgens beschrijft hij wat hij met eigen ogen zag. Niet in lange zinnen of lyrische beschrijvingen, eerder in de staccato stijl van een telegram.

Het rare is dat veel van deze korte notities bij mij tijdens het lezen een sterk gevoel oproepen, niet in de laatste plaats omdat ik veel van de beschreven locaties persoonlijk ken uit mijn jeugd. Maar ook, omdat die droge beschrijvingen van Nescio op een vreemde manier iets muzikaals hebben. Iets, wat je niet in de zinnen hoort, zelfs niet in de klank of het ritme van de taal. Het is een muziek die klinkt los van de dragers van de betekenis en datgene in de werkelijkheid, waar de woorden naar verwijzen. Ik sla het boek van Nescio open en lees op een willekeurige pagina:

Dinsdag 30 Mei. Met Louis met de bus van kwart voor 10 naar Loenersloot. Overgestapt naar Vreeland. ‘De Nederlanden’. Oostelijke Vechtoever gewandeld naar de brug boven Loenen. Bus naar Driesprong-Loosdrecht. Een uur op de steiger. Gewandeld naar Kortenhoef, voormalig café Beyer geheel verbouwd van binnen, hooge bruggetje voor de kerk weg, vervangen door platte wipbrug. Kerkhofje uitgehaald en een stuk land achter eraan opgehoogd, geheel kaal gras met kleine paaltjes, uitzicht afgesloten door een rideautje van wilgjes. Het peerenboompje is omgehakt. Bus van 2 uur 42 naar Loenersloot, overgestapt naar Amsterdam, 4 uur in huis. Mild zomerweer met wolkjes, een zuchtje wind.

Nescio fietste nog al eens in de omgeving van Ransdorp en Durgerdam, plaatsjes iets ten noorden van Amsterdam die ook in zijn verhalen vaak voorkomen. Het is het landschap, waarin ik zelf als puber heel wat keren heb rondgedwaald. Op de dijk bij Durgerdam lag ik graag in het gras, kijkend naar de schittering in het water en naar de verte, waar zich bij helder weer de contouren van het Muiderslot zich aftekenden aan de horizon. Achter mij kon je dan de stompe toren van Ransdorp zien die nog door Rembrandt is vastgelegd en sprekend lijkt op de Oldehove, behalve dan dat hij nog altijd rechtop staat. Ook ging Nescio wel met de bus naar het Gooi. Of hij fietste langs het Gein, zoals ik dat zelf ook vaak heb gedaan, vanaf Driemond naar Abcoude of andersom, en met goed weer helemaal door naar Loenen aan de Vecht.

Ik ben nu 65 jaar. En een half. Ook de weinige jaren die mij wellicht nog resten hoop ik door te brengen in stil verkeer met onzen Lieven Heer en zijn velden en boomen en waters zonder bemiddeling van priesters en hoogepriesters.’

Dit schreef Nescio op 22 december 1947. Drie weken daarvoor werd ik geboren, maar dat zal Nescio niet geweten hebben. ‘Ik weet het niet,’ betekent zijn naam, en lange tijd heb ik zelf ook niet geweten wie Nescio was, terwijl ik toch in zijn buurt geboren en getogen ben. Ik las de boeken van Nescio pas aan het eind van de jaren zestig. Nescio overleed op 25 juni 1961 in Sanatorium Zonnestraal in Hilversum. Hij werd begraven op de Nieuwe Oosterbegraafplaats in Amsterdam, waar vijf jaar later ook mijn vader kwam te liggen. Om te weten hoe de Watergraafsmeer er in mijn jonge jaren heeft gezien, hoef je er niet naar toe te gaan. Het lezen van Nescio is genoeg. Ik ken geen schrijver die het leven meer relativeert dan Nescio. In 1956, vijf jaar voor zijn dood, schreef hij:

„Nescio bestaat niet meer, hij is nu een oud, half invalide mannetje, dat piekert over z’n stofwisseling. Vergelijk daar de Uitvreter eens mee. Laat ‘m maar in z’n stoeltje zitten, een mannetje zonder horizon. Ze sporen me nog wel aan weer iets te schrijven. Maar ik heb nooit ”talent” gehad. Ik schreef zoo maar, zonder er iets bij te denken. ”Verzinnen” kon ik nooit wat. En nu kan ik amper een endje loopen. Dat is het lot van wereldveroveraars. En anderen”.

.

10 Reacties »

  1. Wiersma

    17 juni 2015 op 04:04

    Helaas kan ik om (mijn) privacy redenen niks zeggen over Nescio.

    Jammer hoor, ik moet wel vaker even verstek laten gaan.

    Maar ik zal een hint geven: welke bekende friese kunstenaar had daar iets mee?

    Overigens jammer of vreemd eigenlijk dat ie niet over die dam van Vreeland richting Loenen naar Loosdrecht is gefietst… zou hij het niet geweten hebben? Toegegeven: je moet het even weten ja… het begin pad lijkt op een smal fietspaadje, maar daarna ontvouwt zich een waar Nirvana 🙂

    En op de Homdijk bevindt zich ook nog een leuk jachthaventje/uitspanning/restaurant. Komen zo af en toe ook nog wel eens bekende nederlanders, maar wat wil je, Vinkeveen is vlakbij. En trouwens, die wonen ook op zo’n soort dam.
    De van Duintjes en de de Molletjes zeg maar.

    https://www.google.nl/maps/place/3632 Loenen aan de Vecht/@52.2195616,5.0479878,13z/data=!4m2!3m1!1s0x47c6725eeb179bc3:0xc61b955d6adb441e

    Maar ondanks dat he?

    Vind ik de friese meren toch mooier. Ondanks onbewoond en geen dammen. Hebben ook meer nut en functie.
    Zijn ook groter, dus zeilen en zo. En verbindingen met elkaar.

    Als ik de verschillen eens zie: Vinkeveen, Loosdrecht: klein, wel mooi, en DAMMEN.
    Friesland: groot, geen dammen.
    Uiteindelijk zijn het natuurlijk allemaal volgelopen afgegraven turfvelden.

    En die dammen? Goud waard. What if als er een dam zou zijn tussen bijvoorbeeld Sneek en Terhorne? Huizen daarop zouden niet te betalen zijn. Nou ja, niet door Friezen 🙂

    Of Tjeukemeer. Maar ja, daar had ik al een ander plan mee, een soort van Stone age pretpark.

    Alles kan en alles mag, behalve plastic.
    Precies zoals God het ooit bedoeld heeft.
    A playground without plastic.

    The one and only place on earth where plastics are banned.

  2. eddy drost

    17 juni 2015 op 10:26

    Een lesje in nederigheid
    Onlangs schreef Huub Mous een tekst met als kopregel ” een lesje in nederigheid.” Het ging over zijn boek waar de uitgever tot nu toe 112 exemplaren van heeft verkocht. Vandaag is het mijn beurt om enige nederigheid te betonen. Daar ik de Fryske taal een warm hart toedraag had ik onderstaande ideëen naar de redactie van de Moanne gemaild met de vraag of het misschien geplaatst kon worden op hun website, met de bedoeling ” een balletje op te gooien.” Uiteraard daarbij schrijvende dat indien het niet geplaatst kon worden ik daar begrip voor heb. Komt ie.

    ’t moat better.
    De Onderwijsinspektie verscheen in 2010 met de resultaten betreffende het lesgeven in het vak Frysk op het Basis- en Voortgezetonderwijs. De titel ” Tussen Wens en Werkelijkheid ” was al een indicatie van haar bevindingen. U allen zult het rapport destijds gelezen hebben. Nadere toelichting is overbodig. Een mager zesje.
    We zijn nu 5 jaar verder en inderdaad de Onderwijsinspektie heeft nog geen nieuw onderzoek verricht. Blijkbaar zijn er geen noemenswaardige ontwikkelingen. De Provincie blijft zich uiteraard inzetten voor 3-talige scholen, maar aanzienlijke resultaten blijven uit.
    Eén van de voornaamste redenen is het gevoerde ontheffingsbeleid. Te makkelijk beroepen schooldirecteuren zich daarop om er maar van af te zijn. Op de vraag van de Onderwijsinspektie aan schooldirecteuren of men er van op de hoogte is of men ook leerkrachten in dienst heeft die bevoegd zijn voor het geven van het vak Frysk, wist meer dan 30% daar geen antwoord op te geven. Duidelijker kan hun desinteresse niet omschreven worden.
    Maar ook in het algemeen wordt het belang van het Frysk onderschat.
    Als ik op de Nieuwestad een enquete houdt en aan het winkelende publiek vraag: ” waar komt een kind verder mee in de toekomst, Frysk of Engels, ” dan zal ik binnen enkele minuten in zeven dwangbuizen worden afgevoerd, omdat naar hun mening daar alleen met Engels op kan worden geantwoord. En dat is een misvatting. De kans dat een kind na zijn studietijd in een Nederlands- deels Frysktalige omgeving of andersom aan het werk komt is veel groter dan een Engelstalige omgeving. Ook Universitair onderzoek heeft aangetoond dat Frysk goed is voor de economie. Maar niet alleen op het werk, ook in het sociale leven is kennis van de Fryske taal van duidelijk toegevoegde waarde. Het is daarom in het hoogste belang van het kind dat het de Fryske taal kan verstaan en spreken en zo mogelijk ook schrijven en lezen.
    Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst. Dat geldt zeker voor de Fryske taal. Los hiervan is het Frysk het boegbeeld van de Fryske indentiteit. Uitstekend lesgeven in het vak Frysk is noodzakelijk voor de toekomst van Fryslân. Economisch en Sociaal.
    Ik wil u dan ook twee ideĕen voorleggen. Om het zo duidelijk mogelijk over te brengen geef ik het puntsgewijs aan.

    1. De Provincie neemt de verantwoordelijkheid van het geven van het vak Frysk over van de lokale schoolbesturen.
    2. De Provincie richt een speciale afdeling op en stelt maximaal 125 leerkrachten aan die het lesgeven van het Frysk gaan verzorgen.
    3. Deze leerkrachten worden gedurende 5 dagen op verschillende scholen ingezet. Maandag, dinsdag, donderdag en vrijdag in het Basis-onderwijs en de woensdag in het Voortgezet-onderwijs. Gedurende de dag kunnen zij dan de groepen 3 tot en met 8 lesgeven in het vak Frysk en woensdag de onderbouw van het Voortgezet-onderwijs.
    Het aantal leerkrachten relateer ik uit het aantal Basisscholen, door mij geschat op 500. In werkelijkheid ligt het aantal iets lager, maar 500 zit er niet ver naast en rekent iets makkelijker.
    De ongeveer 125 leerkrachten bezoeken dus ieder 5 scholen per week om daar het wettelijk verplichte lesuur in de week in daden om te zetten.
    Dat zijn met 125 natuurlijk een berg leerkrachten en waar halen we die vandaan en hoe gaan we dat betalen? In eerste instantie denk ik aan afgestudeerde jongeren in het vak Frysk. Een baangarantie kan naar mijn idee de populariteit van een studie Frysk sterk bevorderen. Ook denk ik aan Frysktalige schrijvers en dichters, met of zonder een bevoegdheid. Ik mag toch aannemen dat erkende namen uitstekend onderlegd zijn. Verder denk ik dat er in Fryslân genoeg kundige mensen wonen die wellicht interesse hebben. De Provincie draait gezamenlijk met Gemeentelijke overheden voor de kosten op. Een dure operatie en is het dat waard? Om het Frysk optimaal voor verval te behoeden denk ik dat kosten nog moeite gespaard moeten worden om de toekomst van het Frysk te waarborgen!
    De Onderwijsinspektie eindigde haar rapport met: ’t kin better. Ik eindig liever met: ’t moat better.

    Tweede idee
    In het Europese Handvest is vastgelegd dat het mogelijk moet worden gemaakt dat een krant in de Fryske taal wordt uitgegeven. Ik verbaas mij er over dat een dergelijke krant nog niet bestaat. Waar kunnen wij tegenwoordig nog Frysk lezen? Ja, in de Moanne roept u, maar hoeveel abonnees heeft u? Er wonen 650.000 mensen in Fryslân. Een literaire prijs wordt in 2015 niet uitgereikt, omdat er geen debutanten met verdienstelijke lektuur op de markt zijn verschenen. Een uiterst trieste ontwikkeling. Dit kan zo echt niet doorgaan. Hopelijk zitten er onder de huidige studenten Frysk nieuw talent of gaat dat op termijn komen.
    Ik wil u dan ook dit voorleggen. Weer puntsgewijs.

    1. De Fryske Akademy, Tresoar en Afûk gaan gezamenlijk een Frysktalige krant uitgeven.
    2. Oplage rond de 280.000.
    3 Verspreiding huis- aan huis in Fryslân
    4. Verschijnt maandelijks 10 keer per jaar. Juli en Augustus en December en Januari een gecombineerd nummer.
    5. Krant richt zich voornamelijk op een publiek van 6 tot rond de 40. Een krant dus met een jeugdige uitstraling. Geen skûtsjesilen of kaatsen en dergelijke, maar onderwerpen die de jeugd wel aanspreken. ’t is net oars. Liever een verhaal over Rihanna dan over Pieter Jelles Troelstra. Ook kan er ruim aandacht zijn voor het plan Wurkje foar Fryslân om de werkloosheid te bestrijden en daar de mogelijkheden van uitvoerig in beeld te brengen. Daarnaast ch2018 aan het woord laten en hun de Friezen up-to-date laten houden over de ontwikkelingen. Men zal de lezers hard nodig hebben om alle plannen te realiseren.
    6. De kosten schat ik op 500.000. per jaar. 50.000 per editie.
    7. Op grond van het Europees Handvest ligt er wel degelijk een financiële verplichting bij de Provinciale Overheid. Een bedrag van 500.000 per jaar lijkt mij zeer redelijk.

    Ik zal u niet verder vermoeien. Of mijn ideëen aanspreken en gerealiseerd kunnen worden kan ik niet beoordelen. Mijn enige intentie is aandacht te vragen voor de Fryske taal en haar toekomst. Stil blijven zitten en geen aktie ondernemen is geen optie.
    Eddy Drost

    Van de heer Ernst Bruinsma ( hoofdredacteur de Moanne ) kreeg ik een negatieve reactie. Het lijkt mij niet correct de hele reactie hier te plaatsen, maar de openingszin is mij niet helemaal duidelijk. Misschien is er iemand van u die het mij kan uitleggen. ” Jo idee is fansels wol nijsgjirrich, it is ek net nij, mar de redaksje fynt dat it net goed útwurke is.” Dat het idee niet goed uitgewerkt is ben ik met hem eens, maar mijn intentie was het alleen maar ” in de groep te gooien “. Maar uit het eerste gedeelte kom ik niet. ” Jo idee is fansels wol nijsgjirrich, it is ek net nij” , wat bedoelt hij? Als iemand mij hier dat kan uitleggen dan graag. Verder is mijn tekst taalkundig niet goed genoeg om geplaatst te worden. Ook hier maakt hij een punt. Taalkundig ben ik slegt onderlegd, maar het ging mij meer om het overbrengen van een tweetal ideëen. Blijkbaar is de kleur van de plastic tas van de Jumbo belangrijker dan de inhoud. Tenslotte wordt mij verweten dat ik de tekst niet in het Frysk heb geschreven. Wel de reden is duidelijk. Ik spreek vloeiend en accentloos Frysk, maar schrijf het redelijk tot goed en lijkt het mij niet verstandig om dan op de website van de Moanne, zeker niet op de website van de Moanne, mij in het Frysk te uiten.

    Gezien bovenstaande is mij dus ook een lesje nederigheid geleerd. Dat kan ook geen kwaad. Iedereen wordt wel eens op zijn plaats gezet. Ook een “Hollander om ůtens” moet dat kunnen accepteren.

  3. Jelle Breuker

    17 juni 2015 op 19:36

    In bêste oanset, Drost. Ik tink dat jo net ta it Fryske PvdA-wrâldsje heare en as dat sa is sil dat meispylje by de ôfwizing. No is Ernst Bruinsma net de baas fan en oer it Frysk, dat jo soene it besykje kinne by deputearre Sietske Poepjes (CDA), dy’t no it Frysk docht. Doe’t ik warber wie foar it Frysk yn tsjinst fan de provinsje hiene de PvdA-ers ek al it heechste wurd, mar it measte hawwe se net oprêden. CDA-ers roppe minder, mar binne trouwer en pakke troch, yn it ûnderwiis en by de oerheid.
    Súkses en freonlike groet.

  4. eddy drost

    17 juni 2015 op 19:54

    @Breuker,
    Dank voor uw reactie. Het is niet iets waar ik de markt mee op wil. Ik denk alleen dat er onvoldoende aandacht voor verbetering van de staat van het Frysk is. Door mij tot de Moanne te wenden heb ik alleen de twee ideeën onder de aandacht willen brengen met de gedachte dat de echte Fryske taalliefhebbers daar abonnee van zijn. Voor mij is de kous nu af. Dat ik zendtijd heb geleend van Huub Mous komt door de openingszin waarin staat ” ek net nij. Als daar mee bedoeld wordt ” is ook niet nieuw “, dan denk ik waar gaat dit over…..

  5. eddy drost

    17 juni 2015 op 20:36

    @Breuker,

    Nog even dit.
    Dat ik niet tot de PvdA behoor, moge duidelijk zijn. Ondanks een klein meningsverschil met u, ben ik het met uw opvattingen over de regionale politiek wel eens. Overigens ben ik een niet politiek denkend mens. Ik denk dat het beste in de mens niet bepaald wordt door de politieke partij waarvan hij lid is. Ik hou van mensen die creatief zijn, met ideeën komen en de handen uit de mouwen steken om idealen na te streven.

  6. Wiersma

    17 juni 2015 op 21:35

    Ik neem aan dat jullie het volgende wel weten maar voor wie net uit een ei komt:

    “Tweetalig opgroeien traint de hersenen. Dit leidt tot cognitieve voordelen bij kinderen, normale volwassen en patiënten met een neurologische aandoening zoals Alzheimer. Dat concludeert Evy Woumans van de Universiteit Gent naar aanleiding van haar promotieonderzoek. ”

    http://www.gezondheidsnet.nl/hersenen-en-geheugen/tweetaligheid-is-goed-voor-de-hersenen

    Of:

    “Waardoor doen de tweetalige kinderen deze taken beter? Omdat hetzelfde concept in verschillende talen anders wordt uitgedrukt, weten meertalige kinderen al vroeg dat vorm en betekenis willekeurig zijn. Meertalige kinderen leren vroeg om te kiezen uit meerdere vormen die dezelfde betekenis uitdrukken.”

    http://www.kennislink.nl/publicaties/het-voordeel-van-tweetaligheid

    Overigens zou het maar zo kunnen zijn dat het leren bespelen van een muziekinstrument een nog positievere invloed op het brein heeft. Aangezien het brein dan optimaal moet multitasken qua gehoor, zicht (bij bladlezen en niet van een podium flikkeren bijvoorbeeld), fijne motoriek en timing op de milliseconde.
    Plus social skills als je in groepsverband optreedt.
    En ‘gevoel’, hoewel dat nauw verband houdt met timing.

    Toeval dat die Coffey dat bierglas ving en zo immens snel reageerde?

  7. eddy drost

    17 juni 2015 op 21:54

    Waarschijnlijk had Coffey flinke dorst en plukte hij de reddingsboei daardoor feilloos uit de lucht.

  8. eddy drost

    17 juni 2015 op 23:14

    Corectie. De jongen die het glas bier uit de lucht plukt heet David achter de Molen. Hij is de zanger van de John Coffey band. John Coffey is een figuur uit het boek The Green Mile van Stephen King.
    The Green Mile verscheen in eerste instantie in Nederland in 6 delen verdeelt over 6 maanden. Zes groene pockets. Vroeger was dat heel gewoon. Arthur Doyle’s verhalen over Sherlock Holmes verschenen ook in feuilleton vorm in kranten. Ook bij bijvoorbeeld de Pickwick Papers van Charles Dickens en The Picture of Dorian Gray van Oscar Wilde was dat het geval. Overigens waren Arthur Conan Doyle en Oscar Wilde goede vrienden. Of een dergelijke verschijning in feuilleton vorm vroeger ook in Nederland gewoon was weet ik niet. Misschien dat onze gastheer hier daar meer over kan zeggen?

  9. Jelle Breuker

    17 juni 2015 op 23:23

    Drost: jo kinne jins ideeën deputearre Poepjes ek tastjoere, sy is wol te brûken. Deputearre steaten binne wetlik ferplichte jo dan in andert te stjoeren, yn myn tiid wie dat leau’k yn seis wike. DS kinne dat tiidrek langer meitsje, ik mien fan nochris seis wike. Wol moatte jo dúdlik om in andert freegje, bygelyks: ‘wolle jo my oer net te lange tiid berjochtsje wat jo fan myn ideeën fine?’
    In brief oan deputearre Poepjes wurdt achte skreaun te wêzen oan it kolleezje fan DS. (Kollezjaal bestjoer).

  10. eddy drost

    18 juni 2015 op 00:14

    Beste Jelle,

    Ik vind het hartstikke aardig dat u met mij meedenkt. Laat ik dat sowieso voorop stellen. Maar, hoewel ik met het Frysk begaan ben heb ik geen eigen belang. Naar mijn idee is er alleen sprake van een gebrek aan creativiteit bij instanties als de Fryske Akademy en Afûk. De Fryske Akademy houdt zich voornamelijk bezig met de vraag: wat zullen wij nu eens verzinnen om onze subsidies te rechtvaardigen? Dat ze dan ook nog met onzin komen wekt natuurlijk wel verbazing. Onlangs kwam men met een vernieuwde stavering op de proppen. Men was er trots op dat bijna 99% bij het oude bleef. Kosten onderzoek, als ik het wel heb, 150.000 euro…Obt frage ich mich..Afûk gaat eens in de zoveel jaar ter promotie van de Fryske taal met kruiwagens langs de deur. In zes weken tijd 30.000 euro opgehaald. Een weeklang feest aan het Oldehoofsterkerkhof! Nogmaals ik wilde alleen maar een paar ideeën aandragen. Dat er dus niets mee gebeurt accepteer ik zonder morren. Het is twaalf uur geweest. Eerst Mous lezen en dan slapen. Jelle, het ga u goed!

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)