Een man die kwam van de kou

4 april, 1980(3)0001(6)

Nog een foto van mijn vader die ik vorige week meekreeg van mijn oudste zus Mariet. Het is een kopie van een pasfoto die eind jaren twintig is genomen is. Mijn vader was een stuk knapper dan ik toen ik die leeftijd had. Ik kan ook niet zeggen dat ik op hem lijk. Naarmate ik ouder word, ga ik steeds meer op mijn moeder lijken. Zo jong heb ik mijn vader ook nooit gekend. Hier is hij trots. Dat miste ik wel eens in hem, toen ik nog een puber was. Hij was al vijftig toen ik geboren werd. Volgend jaar is het vijftig jaar geleden dat hij overleed. Ik had een oude vader die vroeg dood ging. Hopelijk ben ik een jonge vader die oud dood gaat.

Dit jaar word ik 68. Dat is precies de leeftijd waarop mijn vader stierf. Soms denk ik daar wel eens aan, maar niet te vaak. Ik neem altijd op tijd mijn pilletjes in. Ik draag trouw mijn steunkousen. Ik rook niet. Ik beweeg me suf. En ik drink…. ach, ja dat moet kunnen toch? Wat is het leven zonder alcohol? Dat is is de liefde zonder dronkenschap. Hoe dan ook, ik neem aan dat ik het op deze aarde wat langer zal volhouden dan mijn vader. Hij rookte stevig en hij dronk niet. En bovendien had hij niet echt een ‘fleurich’ karakter. ‘Schep vreugde in het leven, anders krijg je de mot in de maag,’ zei mijn moeder altijd. Mijn vader geloofde heilig in de wet van Murphy: ‘Als er ergens iets mis kan gaan, dan gaat het ook mis.’ Tja, dan gaat het ook mis.

Ik was altijd bang om een kopie van mijn vader te worden. Ik denk dat elke zoon vroeg of laat zoiets voelt, zeker in zijn pubertijd. Maar bij mij ging dat dieper. Ik was vooral een moederskind. Ja ja, ik weet het, Oedipus heeft uiteindelijk ook mij te pakken. Hoe dan ook, mijn vader was nogal introvert. Hij had een typisch Fries karakter. Stug, maar tegelijk ook heel gevoelig. Mijn vader zei altijd…’ Wie goed doet goed ontmoet.’ Afijn, hij was goed in gemeenplaatsen. Typisch een noordeling. Die zeggen nooit zoveel.

Later zei mij moeder wel eens tegen hem, als hij weer eens pijprokend uit het raam zat te staren: ‘Durk, wat zit je toch te prakkiseren?’Als als noordeling hield hij veel van het zuiden. In zijn vroege jaren van Limburg, en later van Spanje, waar hij en ik – samen met mijn moeder – begin jaren zestig meerdere malen doorheen zijn getrokken. Mijn vader wilde iemand anders zijn dan hij was. Hij verlangde naar warmte. Hij was een man die kwam van de kou.

Die kou, ik weet nu wat het is. Alles is anders, als je het zelf hebt beleefd. Het beeld, dat ik destijds van mijn vader had, spoorde niet met de werkelijkheid. We lagen vaak behoorlijk met elkaar in de clinch, zeker toen ik mijn achttiende jaar naderde, mijn absolute leeftijd, waarop alles stil zou blijven staan. ‘Wacht maar tot je zo oud ben ik‘, zei mijn vader wel eens, ‘dan zul je me anders gaan zien.‘ Tot op zekere hoogte is dat ook zo. Ik zie mijn vader nu anders, maar dat verschil zit voor een groot deel ook in mezelf. Ik heb me verwijderd in de tijd, maar ik ben voor me gevoel nauwelijks ouder geworden. Ik voel me nu in ieder geval niet zo oud als ik dacht dat hij toen was.

Op zondagmiddag 8 mei 1966 stierf mijn vader in het Burgerziekenhuis in Amsterdam. ’s Ochtends had ik nog aan zijn bed gezeten in een hoge kamer met uitzicht op de Linnaeusstraat. Mijn vader geloofde met hart en ziel dat de dood niet het einde was, maar een begin. Hoe ouder ik word, hoe meer ik hem bewonder juist om dat onvoorwaardelijke geloof waar ik zelf niet toe in staat ben. Ik wou dat ik het zou kunnen, maar ik kan het niet. En toch, alleen al de gedachte aan dat geloof van mijn vader biedt mij soms troost.

Mijn vader werd geboren in de negentiende eeuw. Hij was drie en dertig toen de jaren dertig begonnen. Hij trouwde in 1931 met mijn moeder in een Rooms-katholieke kerk in Den Haag, de stad waar mijn moeder altijd naar terug verlangde, hoewel zij zelf uit Arnhem kwam. Daar konden ze op zondagmiddag flaneren op de pier van Scheveningen. En dat midden in de crisis, midden in de werkloosheid en het opkomend fascisme en nationaalsocialisme elders in Europa. Ik heb ze er nooit over gehoord. Ze leefden kennelijk met hun voeten op aarde en hun hoofd in de wolken.Die tijd vormde ook het sluitstuk van de katholieke emancipatie. Het rooms-katholicisme kreeg iets triomfalistisch. De strijd was gestreden, de vlag kon uit. Dat trotse roomse overwinninggevoel is vandaag moeilijk meer voor te stellen. En toch is het de voedingsbodem vanwaaruit ik ben opgegroeid.

1280px-EXPO_Bruxelles_1935-F

Paleis van de Katholieke Cultuur, Brussel 1935

De laatste dagen ben ik mij een beetje aan het verdiepen in de architectuur van de jaren dertig en zo stuitte ik op een reeks foto’s van de wereldtentoonstelling van 1935 in Brussel. (zie: hier) Daar is mijn vader niet geweest, dat weet ik zeker, maar hij had er zijn ogen uitgekeken. Het pronkstuk van deze manifestatie van was het Paleis van de Katholieke Cultuur. Een ware kermistent die nu op de Efteling niet zou misstaan. Denkend aan mijn vader bekruipt me wel eens het gevoel dat ik te laat geboren ben. Maar dat is niet zo. Het heeft zo moeten zijn. Eerst kwam de oorlog…  en daarna pas kwam ik.

5 Reacties »

  1. eddy drost

    9 juni 2015 op 00:30

    Mijn vader overleed op 69 jarige leeftijd. Net als uw vader eigenlijk veel te jong. Op het moment van zijn overlijden had ik geen contact meer met hem.
    Tja, zo gaat dat soms. Mijn vrouw haar beppe overleed op dinsdag 06 april 1993 en werd op 10 april gecremeerd in Heerenveen.
    Op 06 mei 1993 kreeg ik een brief van een notaris uit Groningen.
    Geachte heer Drost, Bij deze stel ik u ervan op de hoogte dat uw vader Franciscus Johannes onlangs op 06 april is overleden en te Groningen op 10 april is gecremeerd..
    Tja, het leven heeft soms verdrietige kanten.
    Op internet staat nog een foto van mijn vader terwijl hij achter een dambord zit tegenover mijn broer Frank.
    Dat is de enige foto die ik van mijn vader heb. Ik ben daar heel blij mee.

  2. Cees Andriesse

    9 juni 2015 op 15:37

    Mijn vader is doodgegaan zonder dat hij tegenover mij ooit het grote zwijgen had verbroken. [Ik citeer dit uit mijn boek ‘Een boudoir op Terschelling, blz 49 e.v.] Het verzwegene, waarvan in de loop der jaren door indirecte en meestal dubbelzinnige aanwijzingen veel geraden kon worden, was zijn homoseksualiteit en zijn daarmee samenhangende omgang met jongens en jonge mannen die soms nauwelijks ouder waren dan ik, en soms denk ik dat er meer was dat dat wat hij verzweeg. Het hoefde geen rol te spelen in mijn gevoelens voor hem (en ik hield van zijn geestigheid, zijn fantasie en zijn opgeruimde activiteiten als we samen van huis waren), maar het speelde altijd een rol. Hij kon me met zijn lichtblauwe ogen zo zacht, bijna hulpeloos aankijken dat ik begreep dat ook ik moest zwijgen. Hij zweeg en ik zweeg en de andere gezinsleden zwegen. De spanning van het onbenoembare andere leven verstikte het gezin, waar praktisch over niets meer werd gesproken en iedereen depressief werd. Ten slotte ben ik het dubbele in zijn begroetingskus gaan haten. Ik ben hem gaan mijden. Er zijn perioden geweest dat ik hem heb verwenst. Door hem werden immers genegenheid en walging, liefde en haat vermengd tot een blok beton. Maar zelf leed hij het meest. De spanning had hem fysiek aangetast. Vaak sprongen adertjes in zijn ogen, had hij hoge bloeddruk en zuurstoftekort in de hartspier, waarvoor hij veel medicijnen gebruikte, en bovendien liep hij slecht door een verlamming van zijn linkervoet als gevolg van een deels mislukte hernia-operatie.

    Deze spanning, en geen andere, heeft hem geveld toen hij 71 jaar was, secuur en snel, in vijf dagen. Op de tweede dag, na een telefoontje van mijn moeder dat hij uit bed was gerold en waarschijnlijk een hersenbloeding had, rijd ik naar het plattelandsdorp waar mijn ouders voor hun oude dag waren neergestreken, en vind hem half verlamd, zwaar ademend, met een warm hoofd, tot geen verstaanbare mededeling in staat. Samen met een zoon draag ik hem naar een breed bed waar hij na enige tijd koortsig en verward gaat praten, maar toch met een zekere nadruk, zich bewust van zijn slissen, zich concentrerend op verstaanbaarheid, me indringend aankijkend.
    ‘Zorg dat de rechter-commissaris het dossier krijgt.’
    ‘Welk dossier?’
    ‘Ligt in het kastje.’
    ‘Welk kastje?’
    ‘De rechter-commissaris moet het dossier krijgen.’
    ‘Ik wil je helpen, ik wil je wat vragen.’
    ‘Het dossier…’
    Hij ziet tranen in mijn ogen komen maar wijst ze af, zoals hij gevoelens meestal heeft afgewezen.
    ‘Trek niet zo’n lelijk gezicht.’
    Zoals altijd waren zijn zachtblauwe ogen bijna hulpeloos.
    Ik ga naar een andere kamer en huil onbedaarlijk (weer iets geheims, iets verontrustends). Ik huil zoals ik voordien en nadien nooit meer om hem heb gehuild. Met deze doorbloede hersenen is de kans voorbij om ooit nog eens het onzegbare te zeggen en dan vrede te sluiten. Mijn moeder weet iets van juridische verwikkelingen, noemt een naam, loop snikkend weg en komt terug met de dorpsdokter. Wij hebben besloten dat mijn vader thuis verzorgd wordt, ik heb een hoog bed met spijltjes van de kruisvereniging gehaald en hem, zoals hij zei, gekooid.

    De vijfde dag was het verlammende effect van de bloeding iets verlicht (als een kind lachte hij om de winden die hij liet), maar wij spraken niet met elkaar en omdat zijn toestand weinig veranderde keerde ik terug naar mijn werk. Even voor middernacht belde mijn moeder me. Zij was er zeker van dat zijn hart het had begeven. Mijn vrouw bezwoer me niet te hard te rijden. Opnieuw snelde ik over de bochtige wegen, bosschages vangend in de koplampen, en terwijl alles sliep maakte ik mijn reis naar het einde van de nacht. Ze wachtte me op, bleek, bij weinig licht. Ze fluisterde en opende geruisloos de deuren. Stil lag hij achter de spilletjes, zijn zware ademhaling was gestopt, zijn ogen waren nog steeds open maar stonden star. Hij was nog warm, ik streelde zijn grijze baardstoppels en kuste hem op zijn wangen, ongeremd nu en ondubbelzinnig. Toen, om alsnog het geheim van dit leven te achterhalen, haalde ik voor zijn dode ogen de met wit papier gekafte boeken uit de kast en las triviale zwijnerijen, me huiverend afvragen of hij me nog kon zien. Met een gedichtenbundel van Obe Postma ging ik naar de salon, en vond ik een gedicht dat ‘Lok’ heet en zo eindigt:

    As dit eigen ribben bloeide
    Nei syn aerd, dan is it goed.

    ————————————————————————————-
    Een provinciale krant met het volgende bericht:

    Afgelopen woensdag 26 maart [1980] is op eenenzeventigjarige leeftijd overleden ir D.C. Andriesse, oud-directeur van het Provinciaal Elektriciteitsbedrijf. Hij heeft ruim veertig jaar bij het bedrijf gewerkt. De heer Andriesse begon zijn loopbaan in 1931 als volontair, na de voltooiing van zijn studie aan de TH te Delft. Vanaf 16 maart 1933 vervulde hij diverse functies in het bedrijf. In 1957 werd hij technisch adjunct-directeur en in 1967 te slotte directeur. Een bijzonder moeilijke periode uit zijn loopbaan was het stichten van de elektrische centrale in Bergum, waarvoor hij met alle inzet heeft gestreden. Binnen het bedrijf werd hij erg geprezen om zijn sterke persoonlijkheid en zijn grote vakkennis. Op 1 oktober 1973 ging de heer Andriesse met pensioen, na het jaar daarvoor te zijn benoemd tot officier in de Orde van Oranje-Nassau.

    De foto bij dit bericht toont een ernstig gezicht met fijn besneden mond en neus, een strak brilmontuur en een rimpelloos voorhoofd dat hoog in een witte kuif oploopt. Een knappe man was hij, in beide betekenissen van het woord. Om dat knappe heeft mijn moeder hem indertijd uit een rij vrijers gekozen (want zij, op haar beurt, was en is een verleidelijke vrouw). En ofschoon hij onbereikbaar en hard kon zijn, was het soms (voor mij altijd onvoorspelbaar) mogelijk hem aan te spreken. In mijn werk toonde hij als regel weinig interesse, maar ik herinner me dat hij gedetailleerde vragen heeft gesteld over de resonante Josephson-detector, waaraan ik rond 1972 heb gewerkt in een poging hem afstelbaar te maken. Hij heeft het artikel erover gelezen en bewaard.

  3. josse

    10 juni 2015 op 09:27

    @Cees Andriesse.
    In het gedicht van Postma moet denk ik ‘ribben’ veranderd worden in ‘libben’, zoadat het direct aansluit bij je verhaal, dat ik zonder meer indrukwekkend vind. Er schuilt een roman in, waarin je moeder dan een belangrijke rol kan spelen.
    Ik dacht dat men ooit van plan was een kerncentrale in Drachten te bouwen, waartegen destijds is geprotesteerd. Wellicht hadden de problemen van je vader die je noemt daarmee te maken?

  4. Cees Andriesse

    10 juni 2015 op 14:08

    @josse.
    Nee. Het was van het begin af aan duidelijk dat die centrale gasgestookt zou zijn. Hij kon gewoon boven op een gasbel komen. En ‘ribben’ in plaats van ‘libben’ maakt duidelijk dat ik een beetje woordblind ben – er staan meer fouten in mijn stukje. Die roman heb ik al geschreven en heet ‘Een boudoir op Terschelling’, is in 1987 uitgegeven bij Contact in Amsterdam, en heeft het ISBN 90-254-6764-4.

  5. josse

    10 juni 2015 op 16:37

    @Cees Andriesse.
    Ik zal proberen die roman 2e hands op de kop te tikken. Lijkt me interessant, vooral gezien je verhaal over zo’n situatie, waarin waarschijnlijk veel meer mensen van die generatie hebben gezeten. Het boek is me ontkomen, wellicht door de hectiek waarin ik zelf in die tijd belandde, zodat (ook) ik Terschelling vaak bezocht om even te ontsnappen aan het wereldje in Amsterdam, waar ik van 1982 tot 1991 woonde.
    Bedankt voor je info.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)