De geschiedenis van een boek

4 april, 1980(3)0001

‘Hij had de scherpe ogen van den kunstenaar: hij zag den puren rook die opsteeg 
uit de vuurtjes van gedroogde koemest, en dacht aan de dwaas 
heid der Manichese reinheidstheorieën; hij staarde de V’s der 
trekvogels na, en vroeg zich af door welk wonder van waar 
neming zij den komenden winter speurden? en bracht dat later 
te pas in een preek over de verfijning van ons lichaam bij de 
opstanding; hij zag de slierten opgewaaid stroo in de doorn
hagen haken, even vastzitten, en weer loswaaien: en hij dacht 
aan het kaf uit de Kerk dat overwoei naar het Donatisme; 
hij plukte het kleine plantje genaamd Immer-leeft, en bedacht 
voor zijn preek: dit hoort thuis in den hemel!; hij zag hoe de 
citroenboom het hele jaar door bloemen en vruchten droeg; 
hoe de olijvenkweker te werk ging bij het enten van zijn bomen; 
hoe de geit op de achterpoten staande, knaagde aan de bittere 
bladen van de wilde olijf en, evenmin als de beeldhouwers der 
Romeinse sarcophagen, kon hij het laten zo’n motief te pas te 
brengen.

Maar het waren niet deze kleine idylles, die zijn geest 
vervulden. Als hij op de heerbaan reed, en in de verte de 
kerels zag zweten bij de dorsende ossen en de arbeiders langs 
den weg naar gewoonte groette met een: de zegen des Heren 
over U!, dan dacht hij aan de hulpeloosheid van dit arme volk. 
Hij wist wat er leefde in dit schijnbaar zo vriendelijke landschap: 
schatrijken, loonknechten en onwetende zwoegers. Zou hij be
vroed hebben hoe groot de afstand bleef tussen deze rechtloze, 
ontvlambare, onstandvastige, sinds enige eeuwen Punisch spre
kende Berbers, en de beschaafde Romeinse stad en de Kerk, die 
bij die stad hoorde, en goederen had op het land, en de taal 
sprak van de heersende klasse?
Gelukkig, dat hij zo dikwijls op het veld hoorde zingen.’

Dit is een fraai stukje proza van Frits van der Meer, gelicht uit zijn al even fraaie boek Augustinus de zielzorger. Het verscheen in 1946, tien de hoogtijdagen van het Rijke Roomse leven nog niet voorbij waren. Bij mij thuis hadden wij de Prims-pocketuitgave in de kast staan. Begin jaren zestig kocht mijn vader een ‘Kant en klaar’ wandmeubel, waar de glazen in konden staan. Daar zat ook een boekenplankje in. Maar meer dan tien boeken kan ik me niet herinneren. De Peelwerkers van Antoon Coolen en een vijfdelige Winkler Prins. Soms kwam er een boek in huis dat je goedkoop bij de Margriet kon krijgen. Van Pearl S. Buck bijvoorbeeld of Kronkels van Carmiggelt. Ook kan ik me herinneren dat er wel eens een Prisma-boekje door het huis heen slingerde met titels als De leugen daalt over China van Mark Tennien. En inderdaad:  Augustinus de zielzorger van Frits van der Meer. Maar dat was het dan ook wel. Lezen deed je niet als katholiek en zeker niet in het milieu waarin ik ben grootgebracht. Ja, de krant. Die werd elke avond door mijn vader gespeld.

Het exemplaar van Augustinus de zielzorger, dat ik nu in mijn bezit heb, is de gebonden uitgave, en wel de tweede druk uit 1948, uitgegeven bij Het Spectrum. Ik kocht het ooit voor 10 Euro bij een antiquariaat in Groningen, het boek zelf is gekocht in Amsterdam, bij een boekhandel in de Leidsestraat. Dat maak ik op uit een klein stickertje aan de binnenkant van het omslag, waar de initialen MB op staan. Leidsestraat 70-78 is het adres, om precies te zijn.

4 april, 1980(3)0001

Die initialen M B stonden voor en voor Moderne Boekhandel Bas, zo ontdekte ik na enig googelen op internet. In 1994 kwam hier een filiaal van Boekhandel Het Martyrium, die ook in de Van Baerlestraat 70 is gevestigd. Verder vond ik nog het volgende:

‘De Moderne boekhandel Bas was van Klaas Jan Bas, uit Hoorn, die in de jaren ’30 naar Indonesië ging en een boekhandel op Java had. Hij kwam begin jaren ’50 terug en startte deze boekhandel. Op zijn hoogtepunt had hij 7 boekhandels in Amsterdam. Toen hij het rustiger aan wilde doen, ruilde hij -bij mijn weten, ik begon eind 1987 voor hem te werken; hij had de boekhandel toen al verkocht- Moderne boekhandel Bas voor Boekhandel Van Rossum in de Beethovenstraat , toen nog in 1 pand, nr. 33. Al gauw kocht hij het pand ernaast (31) erbij. Hij kon het niet laten. In Moderne boekhandel Bas exposeerden veel kunstenaars, waaronder Jan Montyn, die zijn boeken met kunstwerken betaalde. Ook in de jaren ’90 nog. ‘

Dat is mooi om te weten, maar wie heeft mijn boek daar gekocht? Helaas staat er geen naam in, laat staan een Ex Libris. Wel vond ik een uitnodigingskaartje en twee krantenknipsels die betrekking hebben op Pater Dr. A Fiolet O.F.M.

4 april, 1980(3)0001

4 april, 1980(3)0001

Dat moet dan Herman Fiolet zijn geweest. Op Wikipedia vind ik over hem onder meer het volgende:

Herman_Fiolet_(1970)

Herman Antonius Maria (H.A.M.) Fiolet (Amsterdam, 15 augustus 1920 – Hilversum, 1 november 2012) was een Nederlandse Rooms-katholiek priester, oprichter en eerste secretaris van de Raad van Kerken in Nederland (1970-1985) en gedurende een groot deel van zijn leven lid van de orde van de franciscanen. Na zijn priesterwijding in 1946 werd Fiolet door zijn orde naar de Katholieke Universiteit Nijmegen gezonden om zich verder te bekwamen in de theologie, in het bijzonder de apologetiek, de leer dat alleen de Rooms-katholieke Kerk de waarheid verkondigt. In 1953 leidde deze studie tot een (cum laude)-promotie, een grondige studie over wat toen nog de Nederlandse Hervormde Kerk heette, vijftig jaar later opgegaan in de Protestantse Kerk in Nederland. Terwijl Fiolet in Nijmegen studeerde vond in Amsterdam de oprichting plaats van de Wereldraad van Kerken, destijds een spectaculaire oecumenische gebeurtenis.

De krantenknipsels, die betrekking hebben op de promotie van Herman Fiolet, moeten dus dateren uit 1953. Het boek is dus waarschijnlijk gekocht tussen 1953 en 1957, het jaar waarin Herman Fiolet een lezing hield in het Oecumenisch Centrum in Amstelveen, dat gevestigd was in het huis van mevrouw Crielaers-Teulings aan de Van der Veerelaan 95. Dat huis bestaat nog steeds, maar van mevrouw Crielaers-Teulings heb ik op internet haast niets kunnen terugvinden. Het enige wat ik aantrof was een bericht in het digitaal krantenarchief van Delpher. Het verscheen in het dagblad De Tijd op 2 augustus 1955, waarbij het volgende wordt aangekondigd:

Van 20 tot 28 Augustus 1955 zal in het College Maria Mediatrix van de broeders Maristen te Azelo (gem. Borne), Overijssel, de jaarlijkse bijeenkomst plaats vinden van de Equipes Internationales de Renaissance Chrétienne. Voor deze zesde conferentie (de eerste, die op Nederlandse bodem wordt gehouden) is als thema gekozen „de theologie van het kwaad”. Een vijftal West- Europese theologen zal des morgens in verschillende talen de leer der Kerk over dit onderwerp ontvouwen, terwijl des middags de deelnemers, in werkgroepen verdeeld, de problemen, inhaerent aan eigen en verwante beroepen, zullen beschouwen en naar practische oplossingen zoeken. Voor een beperkt aantal deelnemers (ook niet-katholieken) is nog plaats. Het Secretariaat van de EIRC is gevestigd villa Crespera, Breganzona/Lugano, Zwitserland. Men kan zich ook als deelnemer opgeven bij mevr. M. CrielaersTeulings, Van der Veerelaan 85, Amstelveen.

Wonderlijk genoeg is dat huisnummer aan de Van der Veerelaan verkeerd. Het moet 95 zijn in plaats van 85. Maar wie was nu eigenlijk die mevrouw Crielaers-Teulings? Ze zal wellicht een progressieve vrouw zijn geweest die begaan was met de oecumenische beweging. Misschien was haar man wel bestuurslid van de Vincentius-vereniging en deed zo goede werken voor de minderbedeelden in Amsterdam. Misschien was mevrouw Crielaers-Teulings zelf wel actief in de Pax Christi-beweging die vanaf 1958 jaarlijks in ‘s-Hertogenbosch de Pax Christi Voettochten organiseerde voor middelbare scholieren en studenten. Ze zal het best allemaal goed bedoeld hebben. Ze had een ideaal. Het katholicisme was volop in beweging in die tijd. Er broeide iets, maar niet iedereen voelde dat. Mevrouw Crielaers-Teulings liep in al die woelingen voorop. Rechtop in de wind.

Schermafbeelding 2015-05-27 om 17.44.00

Van der Veerelaan 95, Amstelveen (foto: Google streetview)

Ondanks de tegenwerkingen van het behoudende episcopaat was in de jaren vijftig in katholiek Nederland duidelijk sprake van een progressieve onderstroom. Het waren sociaal bewogen katholieken de mede aan de basis hebben gestaan van de sociale voorzieningen in wat later ‘de verzorgingsstaat’ zou gaan heten. Wie kent ze nog? Veldkamp, de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid die belangrijke sociale wetgeving tot stand bracht, zoals de Algemene Kinderbijslagwet, de Ziekenfondswet, de Wet sociaal minimum, de Wet op de Arbeidsongeschiktheid en de Wet Werkloosheidsvoorziening. En anders wel Marga Klompé die in 1963 de Algemene bijstandswet tot stand bracht.

Toch waren het vooral de conservatieve tendensen die achteraf het beeld van het Nederlands katholicisme in de jaren vijftig hebben bepaald. In 1953 werd met veel vlagvertoon het eeuwfeest van de katholieke hiërarchie in Nederland gevierd onder het motto ‘honderd jaar kromstaf’. Nederland was de gevolgen van de oorlog en het verlies van de koloniën te boven. Het land lag er overzichtelijk bij, met iedere zuil achter zijn eigen vaandel: de Parade der Mannenbroeders, de Optocht der Zindelijke Burgerheren, de Stoet van Rooie Rakkers en niet te vergeten: de Processie van het Rijke Roomse Leven. De katholieken leefden in hun eigen gesloten universum en het enige dat Rome leek te interesseren was de heiligverklaring van Maria Goretti. Het Bisschoppelijk Mandement van 1954 had de Nederlandse katholieken het lidmaatschap van socialistische organisaties ontraden dan wel verboden. Je mocht van de bisschoppen op de radio niet eens naar de VARA luisteren,

Er was in die tijd een ondergrondse strijd gaande tussen progressieven en conservatieven. De langdurige strijd binnen de sterk gesloten katholieke zuil had niet alleen een interne polarisering tot gevolg, maar ging ook gepaard met benauwende toestanden die op den duur onhoudbaar werden. In zijn boek Andere katholieken, Opstellen over Nederlandse katholieken in de twintigste eeuw (2000) citeert Paul Luykx een treffende uitspraak van een anoniem kerkelijk functionaris die al in 1953 het volgende beweerde:

‘Het gaat niet langer zo. Misschien zal deze generatie het nog voor een groot deel slikken, maar de volgende doet dat zeker niet meer. En ze hebben gelijk. Als er geen radicale opruiming wordt gehouden onder afgeleefde gebruiken, zinloze gewoontes en verstikkende formalismen, als de leek niet ten volle wordt erkend en gerespecteerd in wat hem toekomt, dan staat er iets te gebeuren waarbij de Reformatie kinderspel zal lijken.’

Als kind heb ik dat allemaal niet bewust beleefd. De eindeloze jaren vijftig waren voor mij een oase in de tijd en wat mevrouw Crielaers-Teulings allemaal in Amstelveen organiseerde ging aan mijn tere kinderziel voorbij. Ik kwam ook niet zo vaak in Amstelveen. Wel ging ik in 1958 als tienjarig jongetje voetballen bij RKAVIC dat daar destijds speelde op het sportcomplex aan de Kalfjeslaan. Maar de Van der Veerelaan is een stuk verderop in de chique buurt van Amstelveen.

Maar alles goed en wel, wie was nou die eerste eigenaar van mijn boek Augustinus de zielzorger? Was het soms mevrouw Crielaers-Teulings? Was zij soms al vroeg in de jaren vijftig geïnteresseerd geraakt in de oecumene en volgde zij alles wat Herman Fiolet deed en schreef? Of was het Herman Fiolet zelf? Maar ik kan me toch moeilijk indenken dat je de krantenknipsels van je eigen promotie bewaart in een boek van Frits van der Meer. Misschien was het de vader van Herman Fiolet, die trots was op zijn zoon en de krantenknipsels bewaarde in een boek waar hij belang aan hechtte. Maar dan zou hij die knipsels toch eerder bewaard hebben in een exemplaar van het proefschrift zelf, dat hij van zijn zoon moet hebben gekregen. Kortom het blijft een raadsel.

4 april, 1980(3)0001

Na enig speuren in mijn boekenkast blijkt dat ik zelf ook een boek van Herman Fiolet in mijn bezit heb. Het is De Tweede Reformatie, dat in 1969 verscheen bij Lemniscaat in Rotterdam. Ik heb het ooit voor 1,30 Euro gekocht, waarschijnlijk bij De Estafette in Leeuwarden. Het optimisme van de oecumenische beweging heeft in 1969 bij Herman Fiolet kennelijk plaatsgemaakt voor een diepe bezorgdheid over het voortbestaan van het christendom als zodanig. In de typische jarenzestig-typografie van het omslag wordt de lezer met de volgende stelling geconfronteerd:  “DRINGENDER nog dan de EENHEID van de kerk, is de VRAAG of er in de NABIJE TOEKOMST nog wel een KERK zal ZIJN.” Helaas zitten in dit boek geen krantenknipsels of uitnodigingskaartjes verstopt. Wel blijkt uit de titelpagina binnenin dat Herman Fiolet in 1969 inmiddels ook zelf professor was geworden. Daar zal zijn vader trots op zijn geweest, en anders wel mevrouw Crielaers-Teulings, wie zij ook geweest mag zijn.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)