Mooie vrede op de Apollolaan

Schermafbeelding 2015-04-20 om 12.34.25

Onthulling oorlogsmonument aan de Apollolaan te Amsterdam, 1954 (foto: Beeldbank Stadsarchief Amsterdam)

‘Nederland is een gaskamer van verveling. Van ellende gaat de Nederlander ‘s avonds op straat lopen schreeuwen en zijn kinderen rukken de struiken uit de plantsoenen, want ruimte om wat anders te doen is er niet. Daarom zeg ik: Open de grenzen, ten koste van alles moet Nederland als afgesloten gemeenschap verdwijnen.’

Aldus Willem Fredrik Hermans in Ik heb altijd gelijk (1951). Het boek speelt zich af in het Amsterdam van het begin van de jaren vijftig. Ik was vier jaar oud toen Hermans dit boek schreef. In dat jaar ging ik voor het eerst naar de kleuterschool. Twee jaar later volgde de lagere school in Amsterdam-Zuid. Voor mij betekende het vooral een gelukkige tijd en allesbehalve ‘een gaskamer van verveling’. De Peetersschool in de Richard Holstraat was een gemengde school, wat voor het katholiek onderwijs destijds nog niet zo gebruikelijk was. Bovendien hanteerde men een nieuw systeem: het Dalton-onderwijs. Het kwam erop neer dat voor ieder kind een eigen tempo werd aangehouden. Elk vak had taken die je zelf moest doen. Je moest ook je eigen resultaten bijhouden in grafieken die op het prikbord voor iedereen zichtbaar waren.

Zo werkte dit systeem op subtiele wijze toch een soort onderlinge concurrentie in de hand, maar daar had niemand last van, want de sfeer was heel relaxed. Het was een georganiseerde chaos en daar voelde ik me uitstekend in thuis. In de vierde klas zaten we in een dependance, want de school had met een ruimteprobleem te kampen. Zoals alle scholen in die tijd. De geboortegolf eiste zijn tol. Zo bivakkeerden we twee jaar lang in een houten noodgebouw, een type dat in de jaren vijftig veel werd toegepast, een zogenaamde Finse school. Deze bevond zich in de Breitnerstraat, een zijstraat van de Apollolaan.

Schermafbeelding 2015-04-20 om 11.19.46

Apollolaan 129, Amsterdam (foto: streetview).

Willem Frederik Hermans woonde van 1947 tot 1951 op het adres Apollolaan 129, helemaal bovenin, op de zolderverdieping. Ik ben daar als kind vaak langs gelopen op weg naar bus E, die een halte had op de hoek van de Apollolaan en de Beethovenstraat. Een paar huizen verderop was de dansschool van James Meier, een kleurige rooms-katholieke dansschool die leerlingen trok uit heel Amsterdam en waar ook ik de eerste tango-passen heb geleerd. Maar mijn beste herinneringen aan de Apollolaan dateren uit de jaren vijftig, mijn tijd op de lagere school.

Voor ik met de bus naar huis ging, bleven we eerst nog voetballen – met een tennisbal – op het brede trottoir aan de overkant in de Breitnerstraat. Aan de achterkant van onze houten school was een complex van tennisbanen, dat begin jaren zestig plaats moest maken voor het Hiltonhotel. Het was een zorgeloze tijd en de oorlog kenden wij alleen van de herdenkingen en de twee minuten stilte op 4 mei. Op 5 mei 1955 stond de hele stad op zijn kop. Iedereen liep met vlaggetjes en toeters en op school kreeg elk kind een fraaie prent met het gedicht De achttien doden van Jan Campert.

Over twee weken is die herdenking in 1955 al weer een zestig jaar geleden. Hoe meer ik over de oorlog lees, hoe absurder ik het vind, dat dit nog zo kort geleden kon gebeuren in Europa, in Nederland, in de buurt waar ik ben opgegroeid. ‘Tussen de puinhopen voel ik mij prettig, ergens anders hoor ik niet thuis,’ zegt Arthur Muttah in De tranen der acacia’s. Die puinhopen werden na de oorlog heel snel opgeruimd. In de jaren vijftig was er geen mooiere buurt in Nederland dan Amsterdam Zuid, waar ik al mijn schooljaren heb beleefd. De sporen van de oorlog waren daar nog wel aanwezig, maar we speelden er gewoon omheen, zoals we ook tikkertje speelden rond het monument voor de gefusilleerden op de Apollolaan. Op het monument staat de volgende tekst te lezen:

‘ALS REPRESAILLE VOOR EEN ACTIE VAN HET VERZET
WERDEN DOOR DE DUITSE BEZETTER 29 GEVANGENEN
UIT HET HUIS VAN BEWARING AAN DE WETERINGSCHANS
NAAR DEZE PLAATS OVERGEBRACHT EN IN DE VROEGE
OCHTEND VAN 24 OKTOBER 1944 ZONDER VORM
VAN PROCES GEFUSILLEERD’.

Het illegale dagblad Waarheid van 27 oktober 1944 schreef over de schanddaad: ‘Wie zal het leed weten te beschrijven dat door het „Herrenvolk” over ons volk door deze daad is gebracht? Onze verontwaardiging en woede laaiden fel op, toen wij dit alles vernamen. Wij weten dat deze moordenaars hun gerechte straf niet zullen ontgaan. Moord noch terreur zal ons volk kunnen afhouden van de strijd voor zijn vrijheid.‘ Tien jaar later, op zaterdagmiddag 23 oktober 1954, werd het monument onthuld. Op de foto, die ik vond in Beeldbank van het Amsterdamse Stadsarchief, is de kranslegging te zien bij het monument. Eens per jaar lagen daar bloemen en kransen.

De kunstenaar, die het monument vervaardigd had, was Jan Havermans, een communist uit het verzet, die na de oorlog ook bekendheid kreeg door zijn onderzoek naar de sociaaleconomische positie van beeldende kunstenaars. Deze rapporten zijn belangrijk geweest voor 
de instelling van sociale regelingen, zoals de contraprestatie, de latere BKR. Met koele 
cijfers en nuchtere bewoordingen rekende Havermans af met de het ook toen heersende 
vooroordeel over kunstenaars. Hij benadrukte 
de maatschappelijke behoefte waarin de kunstenaar door zijn werk voorziet, waardoor hij 
verantwoordelijkheden heeft maar ook aan
spraak kan maken op maatschappelijke erkenning met daaruit voortkomende verplichtingen 
van de overheid.

Slide1
Het Minerva-beeld van Jan Havermans aan de Apollolaan (foto’s: Beeldbank, Stadsarchief Amsterdam)

Havermans vervaardigde meerdere beelden in de openbare ruimte in Amsterdam. Even verderop aan de Apollolaan, vlak voor de ingang van het latere Hilton-hotel, waar in de jaren vijftig een tennisbaan lag, verrees ook een beeld van zijn hand. Het stelde Minerva voor. Ik kan het me nog goed herinneren, omdat ik daar als kind vaak speelde. In 1993 werd het beeld gestolen. In 2001 verrees op de lege sokkel een beeld van de Franse kunstenaar Arman. Op 9 mei 1962, werd tegenover de plaats, waar het Minerva-beeld stond, het Hilton Hotel geopend. Daarvoor moesten de houten schoolbarakken aan de Breitnerstraat worden gesloopt.

klassenfoto0001

We schrijven 1958. De vierde klas van de Peetersschool in Amsterdam. Op de achtergrond rechts staat een van deze houten schoolbarakken,  een Finse school zoals dat destijds werd genoemd. Ik sta redelijk in het midden, rechts boven juffrouw Sauterelle. Boven mij rechts staat Rob Bijlmer en links Gertie Pappot. Links naast hem Ray Ludwig, mijn beste vriend destijds, en schuin rechts onder mij Gwan Kwee die weldra mijn beste vriend zou worden en dat ook nog altijd is na 57 jaar. Ray Ludwig woonde destijds in de Beethovenstraat. Sinds enige tijd zijn wij weer gelinkt op Facebook. Ook met Hans Wouters en Ellen van Stokkum is dat het geval. Verder zie ik nog veel bekende namen die ik al heel lang niet meer heb gezien: Maureen Veling,  Egbert Lavaleie, Joep Huffner, Noortje Schulte, Marleentje Michels, Ineke Pekelharing, Patrick van der Doef en Annemarie van wie ik de achternaam kwijt ben, zoals er wel meer namen zijn die mij niet meer te binnen schieten.

Schermafbeelding 2015-04-20 om 22.43.52

Bachplein (foto: streetview)

Met Ray voetbalde ik wel eens op het Bachplein. Ook speelden we wel eens rond die grote verstilde beelden die in de hoge nissen stonden opgesteld onder het het gebouw van de Sociale Verzekeringsbank, het tegenwoordige Apollohuis, dat merkwaardige witte gebouw op de hoek van de Apollolaan en de Stadionweg. Die beelden zijn – zo lees ik op Wikipedia – De Beschermer en Handhaver van de Sociale Wetgeving (1954) van Hildo Krop en De Beschermster van de Sociale Zorg en Gerechtigheid (1954) van Han Wezelaar. Het imposante gebouw torende uit boven de hele buurt en leek een geheim te bewaren, iets waar je als kind niet bij kon en wat je ook nooit begrijpen zou. Dat geheim, waar ik toen in leefde, was heel intens, maar tegelijkertijd ontglipte het mij als water dat door je vingers stroomt. De wereld van 1958 bestaat niet meer. De aarde is inmiddels 57 keer om de zon gedraaid, maar het Apollohuis staat er nog altijd.

Schermafbeelding 2015-04-20 om 17.57.29

Entree van het Apollohuis, hoek Apollolaan, Stadionweg (Foto: Beeldbank Stadsarchief Amsterdam)

Ook het Hilton Hotel staat is er nog steeds. Van 25 tot 31 maart 1969 bleven John Lennon en Yoko Ono hier een week lang in bed om de vrede te bevorderen en te protesteren tegen het geweld in de wereld. Maar deze plek zou niet zo vredig blijven. Klaas Bruinsma werd hier op de parkeerplaats vermoord. In de directe omgeving zijn inmiddels al heel wat onderwereldfiguren geliquideerd. Herman Brood sprong hier van het dak af. En zes jaar geleden, op 23 maart 2009, kwam in het nieuws, dat op nog geen steenworp afstand van deze plek een man van 69 jaar, die als overblijfkracht fungeerde, tussen de middag, midden op het schoolplein door een nog onbekende dader en onder de ogen van de kinderen door messteken om het leven was gebracht. Hij lag daar urenlang onder een wit laken. Daarna zette de politie een blauwe tent over het stoffelijk overschot. Andere tijden. Mijn tijd. De tijd van na de oorlog.

Als Hitler de oorlog wint, betekent dit dat de normen van democratie en christendom worden weggevaagd door een systeem waarin het geoorloofd en nobel is grote massa’s mensen die als nutteloze mee-eters worden beschouwd, op te ruimen als wrak vee.(..) Zoals godsdienst en levenswaarden van het oude Egypte uitgevlakt zijn door christendom en islam, zoals de beschaving van de Azteken verpletterd is door de Spanjaarden, zo worden straks onze heilige goederen opgeblazen door Hitler.’

Aldus schrijft Willem Frederik Hermans in zijn bundel Van Wittgenstein tot Weinreb (1970) over hoe hij in 1942 dacht over de kansen dat Hitler de oorlog zou winnen. Ton Anbeek verwijst naar deze uitspraak in zijn boek Na de oorlog. De Nederlandse roman 1945-1960 (1986). Dit citaat van Hermans vormt de sleutel, waarmee je zijn vroege romans als Conserve (1947) en De tranen der acacia’s (1949) beter kunt begrijpen. Hermans heeft in het begin van de oorlog daadwerkelijk getwijfeld over de vraag of het allemaal wel goed zou aflopen. Tot eind 1942 was hij overigens niet de enige die die mening was toegedaan. Pas bij de slag om Stalingrad gingen de kansen van Hitler keren. Menigeen, die daarvoor met de Duitsers collaboreerde of sympathiseerde, veranderde nadien zijn houding. Zelfs menig verzetsstrijder is aanvankelijk fout geweest.

De grenzen tussen goed en fout zijn na de oorlog vaak heel goed te trekken, maar het veranderend perspectief van de oorlogsjaren zelf is dan ook al lang uit zicht. Tijdens de oorlog bestond er heel wat opportunisme en pure drang om te overleven. De kernboodschap van de roman De tranen der acacia’s is dat de grens tussen goed en fout in feite niet bestaat. De motieven van het gedrag blijven doorgaans onzichtbaar om over dubbele motieven maar te zwijgen. En dat niet alleen, er waren heel wat jonge mensen die zich tijdens de oorlog vooral een buitenstaander voelden. De oorlog gebeurde, het overkwam je gewoon, zonder dat je er verder veel aan kon doen. De keuze voor het verzet was niet in de laatste plaats ook een egoïstische manier om te overleven. Heldendom ontstaat vooral achteraf in de ogen van de overwinnaars die net zo goed verliezers hadden kunnen zijn.

$_84

Vooral die laatste gedachte is verontrustend. Ik ken de oorlog alleen maar uit verhalen achteraf die vaak ook zeer gekleurd waren. Er hing een schaduw over de wereld in die tijd, maar als kind wisten wij niet waar die schaduw vandaan kwam, laat staan waar de zon aan de hemel stond. Er was een weldadige leegte en die ruimte leende zich goed voor een gelukkige jeugd. Onlangs las ik het boek uit 1966 van Michel van der Plas Mooie vrede, een documentaire over Nederland in de jaren 1945-1950. Het was bijna niet om door te komen, omdat op elke pagina de retoriek je tegemoet walmt. Zelfs in 1966 was het beeld van de oorlog nog niet echt gecorrigeerd.

Ik kan me ook goed herinneren dat in de tijd van de wederopbouw de gedachte bijna ondenkbaar was, dat Hitler de oorlog zou hebben gewonnen. De beschaving wint altijd, zo werd je op alle manieren bijgebracht. Begin jaren zestig hield Prins Bernard een toespraak bij de uitreiking van de Erasmusprijs en sprak over de Europese beschaving die altijd weer terugkeert naar zijn eigen positieve grondwaarden. Volgens mij dacht niemand daar toen anders over. Anno 2015 is die onomstotelijke zekerheid een beetje aan het wankelen. De gedachte van Hermans uit 1942 komt mij nu in ieder geval niet meer zo vreemd voor.

‘In de oorlogsjaren is in versneld tempo de samenhang van de normale maatschappij verloren gegaan, overal, in ieder land dat aan de oorlog heeft deelgenomen. Chaos en willekeur werden genormaliseerd, in vredestijd onbekende menselijke mogelijkheden bevorderd tot omgangsvormen, dit alles niet voor de korte duur van een incident, maar over een bestek van jaren, dagelijks. Het komt erop neer dat de oorlogsjeugd een wezenlijk en onbecijferbaar andere op voeding heeft gekregen dan de voorgaande generaties. Dit in aanmerking genomen kan niemand het een wonder vinden dat de kinderen van de oorlog zich daarna als volwassenen anders hebben gedragen: De breuk zit niet in de oorlog zelf, maar in de jeugd van de oorlogsjaren. Dat is het DNA van deze generatie. ‘

Deze woorden van Henk Hofland zijn typerend voor iemand die de oorlog heeft meegemaakt in een fase van zijn leven dat het hem als ware ‘overkwam’. Hofland werd geboren in 1927 en was dus 13 toen de oorlog begon en 18 toen hij eindigde. Willem Frederik Harmans was 18 toen de oorlog begon. De generatie die in de jaren twintig werd geboren trof een zelfde lot. Zij hebben vitaal gedeelte van hun jeugd gemist, de jaren dat zij bij hun volle bewustzijn kwamen. Dat besef diende zich na de oorlog in versterkte mate aan. Zij waren het immers die het moesten gaan maken, de generatie van de toekomst, de wederopbouw. Maar in plaats van zich klaar te stomen, hadden ze vijf jaar in de wachtkamer moeten zitten.

Menigeen had zelfs onder moeten duiken om aan de Arbeitseinsatz in Duitsland te ontkomen. Een enkeling was gerekruteerd geest voor het Oostfront, maar de meesten waren murw door vijf lange oorlogsjaren, die juist voor jongelingen langer hadden geduurd dan voor wie dan ook. Het was een tijd geweest van geestdodende saaiheid, maar ook van geestelijke verwarring en ontreddering. Na de oorlog was dat niet opeens voorbij. Integendeel. Juist de generatie die door de oorlog tussen wal en schip was gevallen, zag dat de beklemmende sfeer van de wachtkamer in Nederland gewoon was blijven hangen.

Het verstikkende moralisme van de ogenschijnlijk zo rustige jaren vijftig riep weerstanden op bij eigenzinnige geesten. Of zoals Hermans Lodewijk Stegman liet zeggen in Ik heb altijd gelijk:

‘Ik zal jou eens iets vertellen! Er zijn helemaal geen geestelijke waarden! Geestelijke waarden, dat is alleen iets voor mensen die geen materiële waarden te pakken kunnen krijgen. Of voor mensen die teveel materiële waarden bezitten en te lui zijn er verder moeite voor te doen! Dat zijn geestelijke waarden.’

En toch, de toekomst lag open en alles was mogelijk. De jaren vijftig vormden een hybride periode van zowel stagnatie als vooruitgang, van schaamteloos conservatisme versus verholen rebellie, niet in de laatste plaats onder de katholieken die Hermans zo belachelijk maakte. Het klimaat onder de vooraanstaande katholieken in het Nederland was in die tijd overwegend progressief. Juist in dit zo oersaaie decennium voltrok zich in roomse kringen een stille revolte. Maar het zou nog tot het midden van de jaren zestig duren voordat de bom dan eindelijk zou barsten.

index

Die ondergrondse strijd van de jaren vijftig leidde tot een proces dat je ‘de vergeten revolutie van het katholicisme ’ zou kunnen noemen. Meer nog dan de krachten vanuit de socialisten zelf, heeft deze naoorlogse katholieke revolutie in Nederland aan de basis gelegen van de latere verzorgingsstaat die tot de jaren tachtig zou voortduren. De jaren vijftig waren niet alleen ‘een gaskamer van verveling’ maar ook een tijd van hoop en verandering. Dat dubbelbeeld kom je niet tegen in de romans van Willem Frederik Hermans. Integendeel, het katholicisme was voor Hermans identiek aan conservatisme en opportunisme.

De katholieken zouden alleen maar geprofiteerd hebben van de sociale vernieuwingen die de socialisten op gang brachten. De invoering van de kinderbijslag bijvoorbeeld leidde tot nog meer katholieken die doorfokten als de konijnen. Maar zo simpel lag het niet. De grote omwenteling van de jaren zestig had meerdere voorlopers in de jaren vijftig, niet alleen in de experimentele poëzie van de vijftigers in de tegendraadse literatuur van Hermans, Reve en Blaman, maar vooral ook in de stille revolutie die zich voltrok binnen de katholieke zuil. Daarvoor had Hermans geen oog.

In de jaren vijftig was de mens nog ‘heel de mens’, ook in de menswetenschap. Het waren de jaren dat religie en theologie nog serieus werden genomen. Theologen constateerden een gebrek aan authentieke innerlijke religiositeit en emotionele volwassenheid. Die diagnose sloot naadloos aan bij wat sociologen aanwezen als de verloren samenhang tussen cultuur en natuur in de snel opkomende industrialisering en verstedelijking. Het was de tijd van de ‘zelfverantwoordelijke zelfbepaling’, zoals de pedagoog Langeveld beweerde. Maar al die goedbedoelde volksopvoeding van de deskundigen van de ziel had ook zijn keerzijde.

Die keerzijde komt in werk van Hermans tot pakweg 1966 in al zijn grimmigheid naar voren. Hermans liet zijn ‘geologische blik’ los op ‘een wereld waarin elke menselijke eigendunk, of deze zich nu hult in idealisme, religie of humanistische noties als “menselijke waardigheid”, restloos verdampt.’ Tot die conclusie komt de filosoof Arnold Heumakers in zijn artikel Reuzenstrijd en kaboutervetes (2006). Hermans hoorde bij de tijd van de wederopbouw toen de religie in Nederland nog hoogtij vierde. Dat was de als benauwend ervaren biotoop waarin hij kon gedijen als een vermeend tegengif. Het was de bittere waarheid van de ontgoocheling die de ervaring van de oorlog voor hem had opgeleverd, een ervaring die telkens weer moest worden herhaald, ook toen de biotoop waarin hij gedijen kon door de snelle secularisering van de jaren zestig al lang verdwenen was. Heumakers schrijft:

‘Steeds weer wordt de wond geopend, om het onverdraaglijke van de teleurstelling in leven te houden en er bij de lezers in te wrijven. Zo blijft de ontgoocheling een effectieve tegenstem van de religie, want Hermans’ grootste bezwaar daartegen (namelijk dat het heil dat zij belooft nooit komt, dat zij fundamenteel niet ‘waar’ is) herhaalt in zekere zin de ontgoocheling, waarvan de keerzijde bestaat uit de wensdroom: was het maar waar!’ In bijna elke pessimist gaat een teleurgestelde optimist schuil, al was het maar om het pessimisme voldoende reliëf te geven. Dat laatste lijkt bij Hermans het geval te zijn, want de ontgoocheling en de desillusie hebben niets te maken met een pijnlijk afscheid van het geloof der vaderen, zoals we dat bij zoveel andere Nederlandse schrijvers kunnen aantreffen. Hermans’ ouders waren niet godsdienstig. Zijn fascinatie of obsessie voor religie komt niet uit zijn jeugdjaren, maar uit de alomtegenwoordigheid van de godsdienst in het Nederland van de jaren veertig en vijftig waar hij als schrijver met zijn boodschap erkenning en succes hoopte te vinden.’

5 Reacties »

  1. Cees Andriesse

    21 april 2015 op 12:35

    Na de heerlijke verhalen van Greetje durf ik nauwelijks iets aan je schets van de jaren 50 toe te voegen, Huub. Maar ik wil er wel iets over zeggen, omdat we die jaren anders beleefd hebben (ik ben wat ouder dan jij – nog van voor de oorlog), en omdat we morgen over de essentie van structuren in de (beeldende!) kunst gaan praten, waar dat verschil in beleving een rol in kan spelen.

    Ik ben in de schitterende zomer van 1952 naar het Stedelijk Gymnasium in Leeuwarden gegaan om rijtjes als rosa, rosae, rosae, rosam, rosa – rosae, rosarum, rosis, rosas, rosis uit het hoofd te leren, en te begrijpen wat het wil zeggen dat Dekkinga Jelsmae rosam dat. Na de bedrukte oorlogsjaren, waarvan ik me prikkeldraadversperringen, gedreun van vliegtuigen, soldaten met geweren, bombardementen en evacuees en nog heel veel meer herinner, was een goede vrede – echt een goede vrede – aangebroken.

    Iedereen kon vooruit. Ook ik. Ik leerde de klassieken en maakte muziek, hoorde wel jazz en Franse liedjes maar werd vooral door Bach gegrepen. Mijn moeder had in het Bach-jaar 1950 een afbeelding van zijn dikke kop boven de kleine vleugelpiano gehangen, die we thuis in bruikleen hadden van een weldoener. De teksten in de “Paranoia” van Willem Frederik Hermans, die in 1953 verschenen waren, las ik pas toen ik aan het eind van die jaren 50 in Delft ben gaan studeren. Hun dreiging paste niet bij mijn ervaringswereld. Neem alleen al Preambule X: “Misschien vraagt iemand zich af waarom ik deze confidenties laat voorafgaan aan een reeks verhalen die met mijn persoonlijke lotgevallen niets te maken hebben.”

    Mijn persoonlijke lotgevallen kom ik tegen in de trio’s voor 2 violen en cello die ik in 1956 gecomponeerd heb. Er is een foto van me waar ik voor die piano zit en (waarschijnlijk) noten neerschrijf. Het eerste trio staat gewoon in G-groot en is van maart, de tweede staat in g-klein en is van juni, en de derde in a-klein is van september. Ik heb de gekalligrafeerde partituur uit hun stoffige map gehaald en gezien dat ze 4, 4 en 3 deeltjes hebben. Deeltje 1 (Allegro) van trio nummer 3 is volmaakt klassiek, heeft een ‘dramatische’ doorwerking van 21 maten, en is zo aardig dat vrienden het hele stuk jaren later bij mijn huwelijk ten gehore hebben gebracht … Het is voor het eerst gespeeld op 20 november 1956, op de jaarlijkse muziekavond van het Stedelijk Gymnasium, en wel door Geertje Paul en Henk Visser (viool) en Aukje Joustra (cello). Dat staat op een papier dat ik achter in die map gestopt blijk te hebben. Het ging zoals het gaan moest en voor het gevoel altijd al gegaan was. Je hebt gelijk, Huub, toen, in die jaren 50, was onze samenleving nog heel.

    Wie de bovengenoemde Preambule X van “Paranoia” verder leest wordt met een krankzinnig bewijs geconfronteerd: “Het is omdat ik zelf niet kan bewijzen waarom zij met mijn persoonlijke lotgevallen niets te maken hebben; het is omdat het mij soms voorkomt alsof ik er ernstig aan dien te twijfelen of dat wel zo is, of ik het recht heb deze lotgevallen niet de mijne te noemen.” Zoals Hermans niet zonder trots opmerkt is het onnavolgbaar krankzinnig. Ik voor mij heb al als tiener afscheid genomen van alles wat in duisterheid beweerd wordt. Laat ik het nog maar eens herhalen: “Van dat waarover niet gesproken kan worden moet men zwijgen.” Men kan van alles en nog wat beweren, maar het ook bewijzen, dat is andere koffie. En morgen, Huub, over de structuren.

  2. Jan BANK

    9 mei 2015 op 16:31

    Een kleinigheid: de dansschool van James Meyer (Fils) op de Apollolaan in Amsterdam was nu juist niet een katholieke dansschool. Het was eind de jaren ’50 opvallend (en gedurfd), dat er voor een dansles van jongens van het Ignatius College en meisjes van Fons Vitae (het nu jubilerende meisjeslyceum) voor een “neutraal” dansinstituut werd gekozen.

  3. Huub Mous

    11 mei 2015 op 17:59

    http://www.huubmous.nl/2015/05/11/op-dansles-bij-james-meijer/

  4. Peter Stans

    4 mei 2016 op 11:57

    Goedemorgen Huub,

    Ik ben voor mijn studie cultuurwetenschappen bezig met het schrijven van een artikel over de omgang met de herinnering aan het luchtbombardement op de voormalige Euterpestraat. (sinds 1945 Gerrit Jan van der Veenstraat).
    Omdat het in deze buurt vol staat met herinneringen aan de oorlog, zeker dus ook bij dit monument in de Apollostraat ben ik bezig te kijken met in hoeverre deze ” concurrentie” een rol speelt in de manier waarop specifiek dit bombardement is herdacht. Of dat het meer is opgenomen in een algemene herdenking (4 mei)? Of, dat de aandacht pas later (1994 en hierna) tot stand is gekomen?

    Misschien weet u meer over de, al dan niet, herdenkingen bij/in de Gerrit Jan van der Veenstraat (mogelijk jaarlijks rond 26 november, of 1 keer in de zoveel jaar?)

    Ik hoop van u te horen.

    Met vriendelijke groet,

    Peter Stans

  5. Huub Mous

    4 mei 2016 op 13:46

    Volgens mij waren er – nadat de staat in 1945 van naam was veranderd – na de oorlog weinig of geen herdenkingen meer in de Gerrit van de Veenstraat. Ik kan ze me tenminste niet herinneren. Alle herdenkingen in deze buurt concentreerden zich volgens mij bij het monument op de Apolollolaan. Dat was daar qua ruimte ook het meest geschikt voor.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)