Frida en het geheugen

Slide1

Materiële beschrijvingen, geografische details, alles klopt, met ongeëvenaarde precisie. De objectieve werkelijkheid ten voeten uit. Rampen volgen elkaar op, martelingen, bloedvergieten en ander leed, maar als er iets deel uitmaakt van de objectieve werkelijkheid dan dat wel. En als iets de stijl van Willem Frederik Hermans bepaalt, dan is het de daarin uitgedrukte grondige kennis van zaken, de kalme geroutineerde aanduiding van ieder materiëel gegeven, technisch verantwoord, nauwkeurig tot op de millimeter. Dat geldt zelfs voor de bovennatuurlijke geschiedenissen.’

Aldus Frida Balk-Smit Duyzentkunst in een fraai artikel De stijl van Willem Frederik Hermans dat in 1985 verscheen. Frida Balk-Smit Duyzentkunst, als je die naam éénmaal hebt gehoord, vergeet je hem nooit meer. We zullen haar voortaan ‘Frida’ noemen. Zij is een belangrijke bron in het tweede deel van de Hermans-biografie van Willem Otterspeer, De zanger van de wrok. Ik ben dat boek momenteel aan het lezen en zo ontdekte ik dat Willem Frederik Hermans en Frida al in de jaren vijftig goed bevriend waren. Van 1968 tot 1970 heb ik  Nederlands gestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam. Dat tweede jaar stelde niet veel meer voor, want na de Maagdenhuisbezetting heb ik haast niets meer uitgespookt. Dat jaar heb voornamelijk in Amsterdamse bioscopen doorgebracht. Maar in het eerste jaar volgde ik trouw de colleges, onder meer bij Frida in een donker zaaltje aan de Oudemanhuispoort. Zij was toen nog geen hoogleraar. Dat zou ze pas worden in 1970.

De colleges van Frida vond ik heel boeiend en de aantekeningen daarvan heb ik nog altijd bewaard. Het was een algemene inleiding in taalkunde, waarbij veel filosofie aan te pas kwam  Zo behandelde zij niet alleen de belangrijkste theorieën, onder meer van De Saussure en Chomsky, maar verwees ook opvallend vaak naar Wittgenstein. Het boek Wittgenstein in mode van W.F. Hermans was in 1967 verschenen, en dat boek kom ik ook mijn collegedictaat ook  vaak tegen. Frida kon ook lyrisch vertellen over het boek De God Denkbaar Denkbaar de God van Hermans, dat volgens haar uit taalkundig oogpunt belangwekkend was.

Op haar aanraden heb ik dat boek toen ook meteen gekocht en ben het gaan lezen. Bij Otterspeer las ik nu dat Frida al in 1956 een zeer lovende recensie over dit boek had geschreven (die overigens nooit is verschenen), waar Hermans zeer over te spreken was.  Frida verleed op 7 februari 2013, 82 jaar oud. Nard Loonen, mijn klasgenoot op het Ignatiuscollege, met wie ik ook het eerste jaar Nederlands studeerde (hij maakte die studie af en promoveerde later ook), schreef na haar overlijden op zijn website een in memoriam (zie hier), waaruit ik de volgende passage citeer.

Frida was, in het roerige jaar 1968, de mentrix van de groep eerstejaars studenten waarvan ik deel uitmaakte. Ik herinner mij dat ze samen met ons het curriculum van de opleiding doornam, met wat daarvan in het eerste jaar aan bod zou komen. Op innemende, haast moederlijke toon wijdde ze ons in in wat ons op deze opleiding te wachten stond. Mijn verbazing was echter groot: had ik niet gekozen voor een opleiding Nederlands omdat op de middelbare school mijn opstellen bovenmodaal werden gewaardeerd en het inderdaad zo was dat ik graag non-fictie schreef, zoals ook nu nog? Hoe kon het dan zijn dat in het hele curriculum aan de UvA het onderdeel “creatief schrijven”, “opstellen schrijven”, “artikelen redigeren”, of hoe je het wilt noemen, in geen velden of wegen te bekennen viel? Ik vroeg het haar tijdens die inaugurale bijeenkomst. De revolutie was nog niet tot in alle haarvaten doorgesiepeld. Wij werden nog met “u” aangesproken. Maar het was niet alleen dat, dat ervoor heeft gezorgd dat haar antwoord mij tot op de dag van vandaag is bijgebleven: “Mijnheer, als u denkt dat u een begenadigd schrijver bent, moet u een uitgever zoeken, maar niet hier komen studeren.”

In haar colleges stelde Frida voortdurend basale vragen als het gaat om de relatie tussen  taal en werkelijkheid. Volgens sommige taalkundigen, zo stelde zij, blijkt de betekenis van een woord louter en alleen uit de context. Maar de context bestaat ook uit woorden, dus waaraan ontleent de de context dan zijn waarde? De taalkundige zou vast moeten stellen waar vandaan de algemene opvatting komt dat woorden een betekenis hebben. De betekenis van een woord is niet constant. Met het woord  ‘vogel’ kun je naar een mus en een adelaar verwijzen. In de verschillende vormen van gebruik zou men een constante aan kunnen wijzen. Dat zou de oorzaak kunnen zijn van de algemene opvatting ‘woorden hebben een betekenis’.

De studie van taalgebruik zou moeten leiden tot vaststelling van de constante in de betekenis van een woord. De algemenen opvatting luidt: “Er bestaan woorden”, maar ook hieraan kan men twijfelen. Volgens Wittgenstein mag men niet zomaar van het bestaan van verschijnselen uitgaan. De vraag of men het bestaan van dingen mag aannemen behoort tot het domein van de filosofie. Voor alle andere empirische wetenschappen geldt dat van bepaalde verschijnselen het bestaan als zodanig wordt aangenomen. Het wonderlijke is dat Frida in haar colleges een duidelijke relatie legde tussen de taaltheorie van Wittgenstein en de roman De God denkbaar Denkbaar de God (1956) van Willem Fredrik Hermans. Maar in de biografie van Otterspeer komt Wittgenstein pas in de loop van de jaren zestig ter spake. Ra ra, hoe kan dat ? Volgens mij heeft Otterspeer daar nog wel het een en ander over uit te leggen.

Zelf herinner ik mij wat Frida betreft nog het volgende. Op de middelbare school hadden wij een boekje waarin alle syntactische eigenaardigheden van de Franse taal aan de hand van voorbeelden op een beknopte wijze werden uitgelegd. Als je dit boekje goed uit je hoofd kende, dan kon je met ‘Frans’ weinig meer gebeuren. ‘Mots et tournures difficiles à l’usage des lycées classiques et modernes’, zo heette het. Frida vertelde in een van haar colleges een anekdote over het boekje ‘Ahn et Moret’. Een leerling, die een herexamen had voor Frans, ging tijdens zijn vakantie met zijn ouders mee naar Zwitserland. Om het nuttige met het aangename te verenigen nam hij het boekje ‘Ahn et Moret’ mee in de koffer. Eenmaal op de plaats van bestemming – een pittoresk dorpje in de Alpen – besteedde hij elke dag twee uur van zijn tijd aan het uit het hoofd leren van alle mots en tournures difficiles van Ahn et Moret.

Pas op het einde van de vakantie merkte hij opeens dat het plaatsje waar hij verbleef dezelfde naam had als de auteurs van het boekje: Ahn et Moret. Die woorden had hij elke dag gezien, maar op verschillende manieren in zijn brein opgeslagen. Kortom, ons taalgeheugen is niet alleen semantisch gestructureerd, maar ook situationeel. We ordenen de woorden op basis van hun betekenisveld en niet op basis van hun van hun vorm of klank. Bovendien is de situatie, waarin we het woord tegenkomen, medebepalend voor de ‘map’ waarin we het opslaan.

annecy0001.JPG

Ahn en Moret waren twee dames, zo hoorde ik van Rien Nederlof, in een reactie op een eerder log van mij. Van Ahn wist hij  verder niets te vermelden, maar Anna Louise Moret (1877-1959) was volgens hem een dochter van Barent Moret, één van de oprichters van het accountantsbureau van Moret, Ernst and Young. Van het boekje Mots et tournures moet Anna Louise, door de vele herdrukken, aardig gefortuneerd zijn geworden. Ze had geen kinderen, en haar vermogen ging in een Stichting Moret, om familieleden te helpen met studiekosten. Paul Gerritsen wist me later nog het volgende over Ahn et Moret te melden:

‘Ahn et Moret waren twee docenten Frans op het oudste lyceum van Nederland, Het Nederlandsch Lyceum, dat in 1909 in Den Haag gesticht werd. De eerste rector was Rommert Casimir, vader van de bekende natuurkundige. Anna Ahn was een trouwe medewerkster van het eerste uur en een zeer bevlogen docente, die generaties leerlingen haar liefde voor het Frans overgedragen heeft.  Ik heb haar op hoge leeftijd leren kennen en zij was het die mij inspireerde geschiedenis te studeren en het onderwijs in te gaan. In 1967 werd ik docent geschiedenis op ‘haar’ lyceum. Mots et tournures difficiles getuigde van een geheel nieuw aanpak van het onderwijs, dat in de lijn van de grote onderwijskundige en pedagoog Jan Ligthart uit het leven gegrepen moest zijn. Alle voorbeelden uit het boekje zijn dan ook  ‘authentiek’ en dus niet ‘bedacht’. Het zou de moeite waar zijn om eens een onderzoek te doen naar het succes van ‘Mots et tournures’ dat tegen de vijftig herdrukken heeft beleefd!’

Ikzelf heb gelukkig nooit herexamen hoeven te doen in Frans. Toch was Frans nooit mijn sterkste vak op de middelbare school. Wel heb ik altijd graag goed Frans willen leren spreken, want ik ben nogal francofiel aangelegd. Het is me helaas nooit echt gelukt. Ook nu nog altijd een beetje behelpen als ik in Frankrijk ben. Dat was ook al zo in 1963 toen ik – samen met mijn ouders – in Frankrijk op vakantie was. Mijn ouders spraken beiden geen woord Frans, dus moest ik overal het woord doen. Om die reden had ik voor de zekerheid het boekje ‘Ahn et Moret’ in mijn bagage meegenomen. De anekdote van Frida sprak mij later dan ook bijzonder aan. Een van de redenen waarschijnlijk, waarom ik hem altijd onthouden heb. Ik heb die anekdote nadien op mijn eigen wijze in mijn situationele geheugen opgeslagen.

annecy20001.JPG

Zo kan ik me nog herinneren dat ik op een middag op de camping dit boekje nog eens heb zitten doornemen. Dat was op 9 augustus 1963. Het plaatsje waar we kampeerden heette niet ‘Ahn et Moret’, maar ‘Veyrier du Lac’. Het lag ook niet in Zwitserland, maar wel vlakbij, aan de westelijke oever van het meer van Annecy. Niet ver van deze camping werd op 5 september 2012  de gruwelijke moord ontdekt die werd gepleegd op een Engels gezin en een voorbijkomende fietser. Het Engelse gezin kampeerde op Camping Le Solitaire du Lac in Saint Jorioz. Dat ligt niet zo ver van Veyrier du Lac. Op de bovenstaande foto uit 1963 zie je Saint Jorioz links aan de overkant liggen. Vanuit mijn tent keek ik uit op het diep blauwe water met de prachtige bergen. Het was warm. Uit de transistorradio van de Duitse toeristen, die naast ons een grote bungalowtent hadden opgezet, klonk zowat om het uur hetzelfde liedje, Tous mes copains van Sylvie Vartan, dat die zomer in Frankrijk een grote hit was. Het paste precies bij die lome stemming op de camping. De tijd leek voor eeuwig stil te staan.

Nog altijd als ik dat liedje hoor, zie ik het Lac d’Annecy in mijn verbeelding en moet ik denken aan…. nog eenmaal… die prachtige naam: Frida Balk-Smit Duyzentkunst. Het geheugen zit raar in elkaar. Het is een meer van herinneringen. En belangrijker nog, de taal bestaat primair uit klanken, en niet uit geschreven of gedrukte woorden. Taal heeft meer verbanden met muziek dan met letters. De structuur van de wereld ligt verborgen in het gevoel, niet in het verstand. Wat dat betreft had Reve uiteindelijk gelijk, en niet Hermans.

4 Reacties »

  1. Wiersma

    10 april 2015 op 00:59

    Haha! Geweldig! laat ik nou een paar keer precies aan de overkant gekampeerd hebben op ‘Camping Municipal’.

    En camping municipal had een beetje een probleempje, en dat waren de plees.
    Daar waren er slechts twee van. Klein hokje met twee deurtjes. Véél te klein voor die camping, maar er was nog een probleem: niet alleen waren ze continu verstopt, maar ze waren ook verzakt a la Oldehove EN stonden aan top van de heuvel.

    Plus dat de hele camping kon meegenieten dat je op de plee zat:)

    Je kunt wel raden wat er gebeurde met kampeerders die vlak onder die toiletten stonden.
    De stront en de pis kroop langzaam richting hun tenten!

    Hoezo Franse slag? Dit was een driedubbele!

    ‘Tant pis!’

    Maar er was nog wat: de startmotor van mijn auto was toen stuk. Ik moest altijd op een berg parkeren met de neus naar voren zodat ik de auto op zwaartekracht kon starten.

    Uiteindelijk de auto maar eens naar een garage gebracht. Op vrijdagmiddag. Stom, stom, stom!

    Uiteraard kon men niet even snel kijken wat het probleem was. Zogenaamd dan. Ze hadden geen flikker te doen daar. Hele toestanden met ANWB vervangende auto regelen en zo die dan weer 50 km verderop moest worden afgehaald over een berg, en teruggebracht en zo.

    Wat een toestanden.

    Wel. Wat er uiteindelijk mis was was een losgeschoten kabel naar die startmotor en die raakte het chassis. Misschien over een steen gereden of zo. De auto proberen te starten veroorzaakte dan ook direct kortsluiting. Die kabel had zichzelf ook vastgelast aan het chassis.

    En ja, ik heb meerdere keren onder die auto gelegen, maar ik kon het niet zien! Of ik kon er domweg niet bij.

    Uiteindelijk is dit een van die keren dat ik echt ben opgelicht.
    Weet ik wat ik moest betalen en wat voor werk ik ervan heb gehad om gewoon weer even een stekkertje aan te sluiten.

    10 minuten werk. Auto op de brug, losgeschoten stekkertje weer aansluiten, auto van de brug, klaar.

    De garageman gaf het op gegeven moment ook gewoon toe want hij versprak zich namelijk een beetje. Zo goed was mijn frans dan weer wel. Toen. Nou ja. Pfff…

    Maar mooi gebied. Aan de zuid-oostkant kun je nu paragliden en zo.
    Overigens deden ze dat ook al ten oosten van Annecy. Van een hoge berg af en dan landen ze op een soort strandje aan het meer.
    Leuk hoor.
    Frankrijk is zo gek nog niet.

    Maar tip aan automobilisten met een los draadje: laat je auto dus nooit, ik herhaal, NOOIT repareren bij de plaatselijke garagist in Vallorcine! 🙂

    Waar ze dan wel weer een dorpsplein hebben met optredens van local heroes die dan nummers coveren. Waar je noodgedwongen moet vertoeven want auto stuk.

    Wel. Wat je OOIT in je leven meegemaakt moet hebben is dat lokale franse bandjes engelstalige wereldhits gaan coveren.

    Je weet werkelijk niet wat je overkomt. ‘Paralel universum’ zeg maar, maar dan anders.

    Maar ja. Dat heet verkansie. En verkansie is nu eenmaal chaos en orde tegelijk. En zo hoort het ook. Geniet ervan.

  2. Wiersma

    10 april 2015 op 02:04

    Haha! Geweldig! laat ik nou een paar keer precies aan de overkant gekampeerd hebben op ‘Camping Municipal’.

    En camping municipal had een beetje een probleempje, en dat waren de plees.
    Daar waren er slechts twee van. Klein hokje met twee deurtjes. Véél te klein voor die camping, maar er was nog een probleem: niet alleen waren ze continu verstopt, maar ze waren ook verzakt a la Oldehove EN stonden aan top van de heuvel.

    Plus dat de hele camping kon meegenieten dat je op de plee zat:)

    Je kunt wel raden wat er gebeurde met kampeerders die vlak onder die toiletten stonden.
    De stront en de pis kroop langzaam richting hun tenten!

    Hoezo Franse slag? Dit was een driedubbele!

    ‘Tant pis!’

    Maar er was nog wat: de startmotor van mijn auto was toen stuk. Ik moest altijd op een berg parkeren met de neus naar voren zodat ik de auto op zwaartekracht kon starten.

    Uiteindelijk de auto maar eens naar een garage gebracht. Op vrijdagmiddag. Stom, stom, stom!

    Uiteraard kon men niet even snel kijken wat het probleem was. Zogenaamd dan. Ze hadden geen flikker te doen daar. Hele toestanden met ANWB vervangende auto regelen en zo die dan weer 50 km verderop moest worden afgehaald over een berg, en teruggebracht en zo.

    Wat een toestanden.

    Wel. Wat er uiteindelijk mis was was een losgeschoten kabel naar die startmotor en die raakte het chassis. Misschien over een steen gereden of zo. De auto proberen te starten veroorzaakte dan ook direct kortsluiting. Die kabel had zichzelf ook vastgelast aan het chassis.

    En ja, ik heb meerdere keren onder die auto gelegen, maar ik kon het niet zien! Of ik kon er domweg niet bij.

    Uiteindelijk is dit een van die keren dat ik echt ben opgelicht.
    Weet ik wat ik moest betalen en wat voor werk ik ervan heb gehad om gewoon weer even een stekkertje aan te sluiten.

    10 minuten werk. Auto op de brug, losgeschoten stekkertje weer aansluiten, auto van de brug, klaar.

    De garageman gaf het op gegeven moment ook gewoon toe want hij versprak zich namelijk een beetje. Zo goed was mijn frans dan weer wel. Toen. Nou ja. Pfff…

    Maar mooi gebied. Aan de zuid-oostkant kun je nu paragliden en zo.
    Overigens deden ze dat ook al ten oosten van Annecy. Van een hoge berg af en dan landen ze op een soort strandje aan het meer.
    Leuk hoor.
    Frankrijk is zo gek nog niet.

    Maar tip aan automobilisten met een los draadje: laat je auto dus nooit, ik herhaal, NOOIT repareren bij de plaatselijke garagist in Vallorcine! 🙂

    Waar ze dan wel weer een dorpsplein hebben met optredens van local heroes die dan nummers coveren. Waar je noodgedwongen moet vertoeven want auto stuk.

    Wel. Wat je OOIT in je leven meegemaakt moet hebben is dat lokale franse bandjes engelstalige wereldhits gaan coveren.

    Je weet werkelijk niet wat je overkomt. ‘Paralel universum’ zeg maar, maar dan anders.

    Maar ja. Dat heet verkansie. En verkansie is nu eenmaal chaos en orde tegelijk. En zo hoort het ook. Geniet ervan.

    Maar dan. Even taal.

    Wie domweg tegenwoordig het lame stream nieuws volgt, kan al heel veel uit taal opmaken.

    Politiek.
    ‘Ik herken me niet in het door u geschetste profiel’.
    ‘ Dit land moet geregeerd worden! Wij moeten onze verantwoordelijkheid nemen!’

    Aangezien 50% van de mensen nog steeds stemt, snappen ze dus werkelijk niks van de code van de taal.

    Iets zeggen en iets menen of bedoelen zijn twee verschillende zaken.
    Met taal kun je mensen geheel tot slaaf maken. Totaal misleiden, of op het verkeerde spoorzetten.

    Taal is een code. Maar taal kan meerdere codes tegelijk hebben.
    Informatie uitwisseling bij gevangenen bijvoorbeeld.

    “Mijn dochter heeft een kind gekregen” kan net zo goed betekenen: morgen gaan we ontsnappen.

    En dan intonatie. “Jongen, dat heb je geweldig gedaan! Bravo (sukkel)”

    Kan twee dingen betekenen: echt of cynisch. Gemeend of niet gemeend. Afhankelijk van de situatie en wat hier (al jaren) aan vooraf is gegaan.

    En dat is dan ook het loeigevaarlijke van afluistering, big data en interpretatie door computers: die zijn namelijk nog niet zo slim of intelligent om taal te kunnen INTERPRETREN.

    Stel ik wordt afgeluisterd. Ik zeg tegen iemand: ik haat je!
    Waarmee ik eigenlijk bedoel: ik hou van je omdat je iets beter kunt dan ik, en ik waardeer je daarom.

    Maar letterlijk heb ik gezegd: ik haat je.

    Loei- en loei gevaarlijk in deze tijd waarin zowel mensen als computers nog te stom zijn om taal in juiste vorm te kunnen interpreteren.

    Rechter: ‘wij hebben op band dat u zegt slachtoffer X te haten!’
    U: ‘ja maar, dat heb ik niet zo bedoeld! Ik had juist veel respect voor persoon X!

    Wel. Leg dat maar eens uit. Redt je daar maar eens uit.

    Systeemzombies zeggen altijd: ‘ze mogen alles van me weten want ik heb niks te verbergen’.

    Wel. Tegen die systeemzombies zou ik willen zeggen: zeg NOOIT iets met humor of cynisme. Zeg letterlijk wat je bedoeld en wees anders maar héél stil.

    Spraak/taal vertaald naar tekst op papier en dat dan weer vertaald naar spraak KAN namelijk wél héél erg onvoordelig voor u uitpakken.

    U hebt immers iemand gehaat. Die is nu dood. En u was toevallig in de omgeving op dat moment.

    Snappu?
    Redt u daar maar eens uit.
    “Heeft u dat gezegd? Ja. Wel fait accompli”.

    Computertaal is nogal strikt. Het is 1 of 0. Ja of nee. Maar taal is véél meer dan ja of nee, 1 of 0.

    Humor en cynisme zijn al voorbeelden van ‘vijftig tinten grijs’ in taal.

    Kennen computers humor of cynisme? Nee. En weer andere systeemzombies die een slachtoffer zoeken voor een moord ook niet.
    Mede daarom zit Jasper S. ook vast.
    Wordt Poetin gedemoniseerd, of zijn reddingswerkers ineen looters and thugs.

    Veel van wat onze zintuigen waarnemen kent dubbele waarden.
    Pijn wordt over het algemeen niet als prettig ervaren, behalve als je masochist bent. De een vindt Presly helemaal kudt, de ander valt in zwijm. De een vindt iets lekker ruiken, de ander stinken.
    De een vindt een schilderij mooi, de ander afschuwelijk.

    Met taal is het net zo. Je kunt alleen al een klank mooi vinden of afschuwelijk. Wat er ook gezegd wordt. En niet alles wat getoond, gezegd, ervaren wordt, hoeft waar te zijn.

    En dat is nou het aardige van God. Elke waarheid kan zowel waar zijn als onwaaar.
    Computers zullen hier volgens mij NOOIT uitkomen, want computers kennen geen gevoel.
    Computers hebben geen ziel, geen geest, en zullen ze nooit krijgen ook. Het is maar silicium of germanium, en da’s zand.

    Computers zullen taal NOOIT echt begrijpen. Ook over een miljoen jaar niet.
    Waarom niet? Omdat ze geen telomeren hebben, geen ruimte voor organische ‘bijennesten’.

    Computers kunnen uiteindelijk slimmer worden dan kankercellen, (nog beter of slimmer samenwerken) maar daar houdt het op.
    Uiteindelijk zijn ze beide one-trick pony’s.
    1 dimensionaal.

    Taal (en gevoel) is multi-dimensionaal.

    En daar komt nog wat bij: computers zullen NOOIT snappen dat life (en zelfs economische groei) itself bestaat bij de gratie van IN-efficientie.

    De meeste mensen snappen (en zeker politici) dit nog niet eens laat staan dat computers dit al snappen.

    Kort samengevat: de mens bestaat DANKZIJ in-efficientie. De mens is nogal een hulpbehoevende robot. Robots hebben geen slaap nodig, geen voedsel, geen ontspanning, zijn nooit ziek, nooit moe, klagen niet. Hoeven geen sociale contacten, kunst, kultuur, muziek hoeft van hun niet. Snappen ze toch niet. Het enige wat ze nodig hebben is electriciteit.

    De mens is in dat opzicht een sukkel. Heeft van alles en nog wat nodig. Voedsel. Water. Onderdak. Sex. Drugs. Rock & Roll. Taal. Beeld. Zintuigen. Energie. Zorg. Kunst. Geld.

    Het is JUIST die afhankelijkheid, die in-efficientie het leven maakt tot wat het is.

    Koester dat. Doe er wat mee. Doorzie die gerobotiseerde p0litieke ‘economische groei’ want dat wordt u gebrainwasht door systeemzombies die niet snappen wat écht leven is.

    Fuck the bots.

    Het leven is niet bedoeld om optimaal efficient te zijn, maar om te reizen, te ontdekken.

    ZO heeft God het bedoeld.

    En mede daarom is het universum nogal uitgestrekt.

  3. Wiersma

    10 april 2015 op 02:08

    (oh jongens.. weer eens even giga technische problemen met dit blog hier..! dus Huub haal aub ff dubbele shit weg)

    Maar dan. Even taal.

    Wie domweg tegenwoordig het lame stream nieuws volgt, kan al heel veel uit taal opmaken.

    Politiek.
    ‘Ik herken me niet in het door u geschetste profiel’.
    ‘ Dit land moet geregeerd worden! Wij moeten onze verantwoordelijkheid nemen!’

    Aangezien 50% van de mensen nog steeds stemt, snappen ze dus werkelijk niks van de code van de taal.

    Iets zeggen en iets menen of bedoelen zijn twee verschillende zaken.
    Met taal kun je mensen geheel tot slaaf maken. Totaal misleiden, of op het verkeerde spoorzetten.

    Taal is een code. Maar taal kan meerdere codes tegelijk hebben.
    Informatie uitwisseling bij gevangenen bijvoorbeeld.

    “Mijn dochter heeft een kind gekregen” kan net zo goed betekenen: morgen gaan we ontsnappen.

    En dan intonatie. “Jongen, dat heb je geweldig gedaan! Bravo (sukkel)”

    Kan twee dingen betekenen: echt of cynisch. Gemeend of niet gemeend. Afhankelijk van de situatie en wat hier (al jaren) aan vooraf is gegaan.

    En dat is dan ook het loeigevaarlijke van afluistering, big data en interpretatie door computers: die zijn namelijk nog niet zo slim of intelligent om taal te kunnen INTERPRETREN.

    Stel ik wordt afgeluisterd. Ik zeg tegen iemand: ik haat je!
    Waarmee ik eigenlijk bedoel: ik hou van je omdat je iets beter kunt dan ik, en ik waardeer je daarom.

    Maar letterlijk heb ik gezegd: ik haat je.

    Loei- en loei gevaarlijk in deze tijd waarin zowel mensen als computers nog te stom zijn om taal in juiste vorm te kunnen interpreteren.

    Rechter: ‘wij hebben op band dat u zegt slachtoffer X te haten!’
    U: ‘ja maar, dat heb ik niet zo bedoeld! Ik had juist veel respect voor persoon X!

    Wel. Leg dat maar eens uit. Redt je daar maar eens uit.

    Systeemzombies zeggen altijd: ‘ze mogen alles van me weten want ik heb niks te verbergen’.

    Wel. Tegen die systeemzombies zou ik willen zeggen: zeg NOOIT iets met humor of cynisme. Zeg letterlijk wat je bedoeld en wees anders maar héél stil.

    Spraak/taal vertaald naar tekst op papier en dat dan weer vertaald naar spraak KAN namelijk wél héél erg onvoordelig voor u uitpakken.

    U hebt immers iemand gehaat. Die is nu dood. En u was toevallig in de omgeving op dat moment.

    Snappu?
    Redt u daar maar eens uit.
    “Heeft u dat gezegd? Ja. Wel fait accompli”.

    Computertaal is nogal strikt. Het is 1 of 0. Ja of nee. Maar taal is véél meer dan ja of nee, 1 of 0.

    Humor en cynisme zijn al voorbeelden van ‘vijftig tinten grijs’ in taal.

    Kennen computers humor of cynisme? Nee. En weer andere systeemzombies die een slachtoffer zoeken voor een moord ook niet.
    Mede daarom zit Jasper S. ook vast.
    Wordt Poetin gedemoniseerd, of zijn reddingswerkers ineen looters and thugs.

    Veel van wat onze zintuigen waarnemen kent dubbele waarden.
    Pijn wordt over het algemeen niet als prettig ervaren, behalve als je masochist bent. De een vindt Presly helemaal kudt, de ander valt in zwijm. De een vindt iets lekker ruiken, de ander stinken.
    De een vindt een schilderij mooi, de ander afschuwelijk.

    Met taal is het net zo. Je kunt alleen al een klank mooi vinden of afschuwelijk. Wat er ook gezegd wordt. En niet alles wat getoond, gezegd, ervaren wordt, hoeft waar te zijn.

    En dat is nou het aardige van God. Elke waarheid kan zowel waar zijn als onwaaar.
    Computers zullen hier volgens mij NOOIT uitkomen, want computers kennen geen gevoel.
    Computers hebben geen ziel, geen geest, en zullen ze nooit krijgen ook. Het is maar silicium of germanium, en da’s zand.

    Computers zullen taal NOOIT echt begrijpen. Ook over een miljoen jaar niet.
    Waarom niet? Omdat ze geen telomeren hebben, geen ruimte voor organische ‘bijennesten’.

    Computers kunnen uiteindelijk slimmer worden dan kankercellen, (nog beter of slimmer samenwerken) maar daar houdt het op.
    Uiteindelijk zijn ze beide one-trick pony’s.
    1 dimensionaal.

    Taal (en gevoel) is multi-dimensionaal.

    En daar komt nog wat bij: computers zullen NOOIT snappen dat life (en zelfs economische groei) itself bestaat bij de gratie van IN-efficientie.

    De meeste mensen snappen (en zeker politici) dit nog niet eens laat staan dat computers dit al snappen.

    Kort samengevat: de mens bestaat DANKZIJ in-efficientie. De mens is nogal een hulpbehoevende robot. Robots hebben geen slaap nodig, geen voedsel, geen ontspanning, zijn nooit ziek, nooit moe, klagen niet. Hoeven geen sociale contacten, kunst, kultuur, muziek hoeft van hun niet. Snappen ze toch niet. Het enige wat ze nodig hebben is electriciteit.

    De mens is in dat opzicht een sukkel. Heeft van alles en nog wat nodig. Voedsel. Water. Onderdak. Sex. Drugs. Rock & Roll. Taal. Beeld. Zintuigen. Energie. Zorg. Kunst. Geld.

    Het is JUIST die afhankelijkheid, die in-efficientie het leven maakt tot wat het is.

    Koester dat. Doe er wat mee. Doorzie die gerobotiseerde p0litieke ‘economische groei’ want dat wordt u gebrainwasht door systeemzombies die niet snappen wat écht leven is.

    Fuck the bots.

    Het leven is niet bedoeld om optimaal efficient te zijn, maar om te reizen, te ontdekken.

    ZO heeft God het bedoeld.

    En mede daarom is het universum nogal uitgestrekt.

  4. Jelle Breuker

    10 april 2015 op 12:37

    Ook al komen de standpunten van de beide mannen hiervoor mij bekend voor, hun stukken zijn er niet minder interessant door. Bij beiden zie ik de ook de worsteling met het gesproken Frans, maar daar geldt nog altijd de oude waarheid: spreek het en trek je niets aan van het bargoens dat anderen en jezelf er mogelijk van vinden. Daarmee kom je heel ver, zelfs zo ver dat – als voorbeeld – een zeer erkende Franse plantenbioloog en -farmacoloog je uitnodigt om over zijn universitair vakgebied langdurig te spreken. Nog wel in zijn eigen huis – in Frankrijk een privé-bastion – met koffie, cider en wijn en vleesachtige hapjes – die ik als veganist weigerde – van zijn vrouw die als apotheker ook het nodige vakjargon gebruikt, wetende dat jij slechts een leek bent op het gebied van de plantengeneeskunde. Zij zullen geweten hebben dat het voor ons alledrie een vermoeiende middag zou worden.
    Misschien beseften ze ook vooraf dat taal met zintuigen en in het verlengde daarvan met intuïtie te maken heeft en dat wij als plattelanders elkaar zouden begrijpen en aanvoelen en dat mijn betrekkelijk gebrekkige kennis van het Frans van ondergeschikt belang zou zijn. Mous en Wiersma doen mij in deze richting denken, zonder dat zij de woorden zintuigen en taalintuïtie noemen. Het zou best eens kunnen zijn dat Friestalige plattelanders vanwege hun doorgaans goed ontwikkelde zintuigen en taalintuïtie meer op hun moedertaal zijn gesteld dan stedelingen op het Nederlands. Het platteland kent in ieder geval meer geuren en geluiden dan de (grote) stad. Wat te denken van de Friese bewegings-plattelandsman Eeltsje Boates Folkertsma die opmerkte dat het Friese woord par hem veel meer van deze vrucht deed genieten dan het Nederlandse synoniem peer. De geur en smaak van de par was in zijn jeugd in zijn wezen verankerd en ook verbonden met een gelukzalige zondagochtend bij beppe: bij peer ontbraken deze zintuiglijke ervaringen. Mous heeft Folkertsma’s beleving wel eens bespot in een van zijn aanvallen op het Fries en de Friestaligen. In zijn stuk van vandaag zie ik een kentering in het volgende citaat: “Kortom, ons taalgeheugen is niet alleen semantisch gestructureerd, maar ook situationeel”.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)