Het woord is tijd geworden

Slide1

Ik was vannacht in Venetië, maar ik kon de weg niet vinden. Om te beginnen waren alle bordjes van de straatnamen verdwenen. Niemand scheen daar last van te hebben, behalve ik. Ik besloot maar te gaan lopen, want ik had geen zin om in een vaporetto te stappen. Al gauw kwam de stad mij niet meer bekend voor. Alles was veel groter dan voorheen, maar bovendien ook ouder. Overal staken torens boven de huizen uit, maar geen een kon ik herkennen. Soms leek ik even het Canal Grande nog te zien, maar dat was niet zo. Het stratenplan lag compleet overhoop, terwijl je daar in Venetië toch al gauw de weg kwijt bent.

Ooit heeft het mij dagen gekost om de begrijpen, dat je het Canal Grande twee keer over kunt steken en toch aan de overkant kan zijn beland. De kronkelige stegen, het geluid van water, het licht en de lagunes in de verte, natuur en architectuur lijken hier ooit besloten te hebben om in een traag proces van eeuwen een volmaakte fusie aan te gaan. Het hele verleden is hier het heden aanwezig. De stenen lijken een poëtisch geheugen te hebben. Kortom, Venetië heeft iets weg van een tijdloze droom en in die droom was ik aan het dwalen geraakt.

Dit soort dromen heb ik wel meer. Er lijkt iets mis te zijn tussen mij en mijn omgeving, maar wat? Er is een theorie die zegt een droom een signaal geeft vanuit het onbewuste. Als dat zo is, wat is dan hier het signaal? Vluchten kan niet meer? Alles is vergeefs misschien. Ik zal de weg nooit meer terugvinden. Venetië was voorgoed veranderd vannacht. Zelfs de gondels waren er niet meer. Als dat zo is, dan is het een weinig hoopgevende droom. Waar was ik? Wie was ik? Ik wist het niet meer.

Het onbewuste heet slim te zijn, maar op deze prangende vragen, die in mijn droom naar voren kwamen, had zelfs mijn onbewuste het antwoord niet. Er is geen antwoord. Niemand wijst je de weg. Soms krijg ik het gevoel dat de hele wereld de weg kwijt is, behalve ik. Zo’n gevoel met je niet gaan koesteren, want dan word je knettergek. Als er iets mis is tussen mij en mijn omgeving. Dan kan het natuurlijk ook aan mijzelf liggen. Misschien hoor ik niet thuis in deze omgeving. Maar dat is geen uitweg. Vluchten kan immers niet meer. Er is geen weg terug. Venetië lag vannacht voor me als een eindeloos labyrint in de tijd. Het was het verleden waarin ik de weg kwijt ben. De draad van Ariadne was ik kwijt en ik had ook geen sporen achtergelaten die me op weg konden helpen om de uitgang terug te vinden.

Opeens herinner ik mij, dat ik ooit eens een gedichtenbundel heb geschreven: De draad van Ariadne, dithyramben in hifi stereo. Het was in de winter van 1969. Ik studeerde Nederlands in die tijd, maar dat interesseerde mij niet meer. Elke dag ging ik dwalen door de stad en schreef ik mijn verzen in kantines, bibliotheken en kroegen. Het waren geen treurige gedichten, integendeel. Eerder een soort lofzangen op de stad die ik voor me zag als een heidens labyrint waarin ik gevangen zat. In die stad was ik gaan dwalen, net als vannacht in Venetië.

Ooit heb ik in Venetië een hele dag besteed aan een wandeling langs de rand van de stad, helemaal er om heen, voor zover ik komen kon. Ik kwam op de wonderlijkste plekken. Zo liep ik over middeleeuwse muren, langs kades waar je nooit komt, de haven door en langs weelderige tuinen. Ik zag de stad zoals hij ooit is bedoeld, als een burcht tegen de zee. Een vergeefse burcht, want de zee is als de dood. Ooit zul je het gevecht verliezen dat je met haar bent aangegaan. Het leven is een stad zonder muren die altijd open ligt voor de dood.

Met die gedichtenbundel van mij is het nooit wat geworden. Ik kreeg hem steeds weer teruggestuurd met een vriendelijk briefje van de uitgeverij. Vooral doorgaan, dat soort taal. We zullen doorgaan, dacht ik tot het eind van het labyrint. Maar er kwam geen licht in de tunnel. De winter was lang en de stad geduldig. Zo’n gevoel is misschien wel tijdloos. Je doet dingen tegen beter weten in. Je leeft voort zonder te weten waarom. Je koestert hoop terwijl de wanhoop voortdurend nabij is. Het moet voorjaar worden, dacht ik. Dit kan niet langer zo.

In de psychologie is het een bekend dat objectieve waarneming niet bestaat. Iedereen ervaart zijn eigen werkelijkheid vanuit zijn eigen vooronderstellingen, denkraam, geloof of wereldopvatting. Vanuit dat gegeven is het een ijdele gedachte om te menen dat je een ander ooit van je eigen gelijk kunt overtuigen. Dat is water naar de zee dragen en dat moet je niet doen. Zeker niet in Venetië dat als een spons al het water van de zee in zich lijkt op te zuigen. Iedereen wil toch alleen maar horen wat hij al wist. Iedereen ziet wat hij al gezien heeft. Iedereen denkt wat hij al eerder gedacht heeft. Iedereen zegt wat hij ooit al eens gezegd heeft. Niets ligt voor de hand. De woorden willen niet vandaag. Ik hoor mezelf spreken, maar er gebeurt niets terwijl ik mijn eigen woorden hoor. Ik stap in mijn eigen voetstappen en loop in cirkels rond. En dan opeens herinner ik mij een paar woorden die ik ooit gelezen heb:

‘Wanneer men alleen leeft, gebeurt er niets, maar het wezen van de werkelijkheid is dat zij gebeurt’,

Zo vatte Paul Rodenko ooit de filosofie van Sartre samen. Dit ‘existentiële gebeuren’ lag ten grondslag aan de poëzie van de incarnatie: het materie-gedicht. In het woord moest het absolute geïncarneerd worden. Niet beschrijven, maar schrijven. Poëzie is het doen geboren worden van tijdloosheid in de tijd. Het materie-gedicht heeft geen onderwerp, maar is zelf het onderwerp. En het was deze performatieve taaldaad die de atheïst Rodenko niet alleen herkende in het boek Walging van Sartre, waarin de hoofdpersoon doelloos ronddwaalt in de havenstad Le Havre, maar ook in de poëzie van Gerrit Achterberg, en zelfs de christelijke woord-verering. Het was eenzelfde levensnoodzakelijk experiment. ‘Het woord is vlees geworden’, scheef de evangelist Johannes al. ‘Het woord is tijd geworden,’ dat had hij ook kunnen zeggen. Tijdloos staat er iets stil in de taal die doelloos voortdrijft in de tijd.

Het zoeken naar het absolute in een taaluiting, was ook wat de Franse filosoof Jean-Francois Lyotard intrigeerde. Hij zag die zoektocht naar het absolute in de kunst van de moderne avant-garde, waar het zich aanwezig stellen van het niet-verwijzende, pure teken een subliem gebeuren wordt, een openbaring van een andere, onbevattelijke werkelijkheid, het ‘gans andere’, het ‘numinosum’ van Rudolf Otto. Lyotard heeft het in dit verband over een quaterniteit, niet in theologische zin, maar wel over een ander soort ‘vier-deling’, namelijk de quaterniteit van de ‘frase-ruimte’. In een tekst waarin de schrijver zich direct richt tot God – zoals de Belijdenissen van Augustinus – zijn er vier polen in het geding. In de horizontale as bevinden zich enerzijds ‘het teken’ en anderzijds ‘de betekenis’ van de taal. In de verticale as: enerzijds het subject van de auteur en anderzijds God (en de lezer) tot wie de auteur zich richt.

Maar hier is iets vreemds aan de hand. In een belijdenis vallen subject en God in laatste instantie samen. God bevat immers alles en is uiteindelijk ook de bron van elk woord, zelfs het woord dat zich richt tot God. In de absolute manifestatie van het woord incarneert God zich in de taal van de belijdenis. De oppositie tussen de beide communicatieve instanties – subject en God – ontploft, of beter gezegd: implodeert. Een dergelijk dramatisch proces speelt zich ook af in de psychose, een geestelijke ontsporing die een wonderlijke verwantschap vertoont met de semiotische ontsporing die in het materie-gedicht aan de orde is. Het teken gaat volledig samenvallen met het betekende en zo incarneert het goddelijke in de taal.

Er is iets vreemds aan de hand met elke taaluiting waarin het woord ‘ik’ voorkomt, zo stelt Wouter Kusters in zijn boek Filosofie van de waanzin (2014). Het woord ‘ik’ is in feite een paradox, omdat ‘ik’ enerzijds iets ‘uit-drukt’, dat wil zeggen, een ex-pressie is van de spreker zelf, en anderzijds een verwijzing is, dat wil zeggen, een referentie naar iets buiten de spreker, iets waar hij als spreker op een of andere manier bij betrokken is. In die paradox is niet alleen de psychoticus verstrikt geraakt, maar ook degene die zich in een belijdenis rechtstreeks richt tot God en uiteindelijk niet meer weet wie er nu eigenlijk spreekt: ‘God’ of ‘ik’. Die basale paradox heeft iets te maken met de tijd. De tijd verstrijkt in de taal zelf – terwijl ‘ik’ spreek(t). Maar de tijd lijkt zich ook buiten het sprekende ‘ik’ te voltrekken als iets wat aan al het spreken voorafgaat. Sterker nog, als iets wat niet alleen het spreken zelf, maar elke bewustzijns-act constitueert.

Ik heb me altijd voor de ervaring van tijd geïnteresseerd.. Het woord ‘tijd’ duidt ‘beweging’ aan en koppelt daar tegelijkertijd een gevoel aan, dat wij hebben als wij denken aan tijd. Maar daarmee verdwijnt er iets onder het tapijt. De metafoor van het woord ‘tijd’ onthult iets, maar dekt dat tegelijkertijd ook toe. Alle metafysische begrippen, die wij in de filosofie gebruiken, zijn behept met deze ‘toedekking’. Sterker nog, die ‘toedekking’ zit verweven in ons denken zelf. De tijd ontglipt ons niet alleen, maar doorboort ons hele denken en doen met een zich repeterende afwezigheid. Het ‘nu’ is al voorbij voordat het als ‘nu’ wordt benoemd, sterker nog, voordat het als ‘nu’ wordt ervaren.

Augustinus heeft diep nagedacht over de ervaring van tijd. Hij was een fenomenoloog avant la lettre en verwierf zich een nieuwe kijk op de tijd als een fenomeen dat zich aandient in het bewustzijn. Heden, verleden en toekomst werden een afgeleide van de tegenwoordigheidservaring in het bewustzijn. Het bewustzijn werd een doorgang, een plaats van passage, waar de tijd doorheen trekt. Het verstrijken van de tijd vond voortaan plaats in het bewustzijn zelf. Augustinus zag niet het bewustzijn in de tijd, maar de tijd in het bewustzijn.

Bij deze radicale omkering werd een belangrijke plaats ingeruimd voor God. Door deze  veranderde opvatting van het verschijnsel tijd werd de blik naar binnen gericht. God werd letterlijk ‘naar binnen’ gehaald, waar Hij de ziel vulde zoals het water een spons. God was voor Augustus het ‘binnenste binnen’ en tegelijk ver boven alles verheven. Die dubbele doordringing van het innerlijk door God, en van God door het innerlijk, vereiste een nieuw soort ruimteopvatting van de geest, een topologie van wederzijdse doordringing.

Postmoderne filosofen hebben opvallend vaak belangstelling voor de kern van het religieuze gebeuren, dat zowel in de psychose als in het materie-gedicht zich manifesteert. Roland Barthes scheef over mythen en mythologieën van onze hedendaagse cultuur, terwijl mythen in wezen niets anders zijn dan ‘gebeurtenissen uit de oertijd die nog steeds ten grondslag liggen aan het heden en een uitzicht bieden voor de toekomst’ (definitie van de godsdienstwetenschapper Theo P. van Baaren). Derrida scheef zijn laatste werken over de negatieve theologie van Dionysius de Areopagiet. En Lyotard ging zich op het laatst bezig houden met de Belijdenissen van Augustinus. Zo keerden ook hij – na al zijn gedachten over het sublieme en onrepresenteerbare – terug naar Augustinus.

Lyotard wilde weten hoe een mens dan toch een notie kan hebben van het sublieme, hoe hij weet kan hebben van ‘zoiets als God’. Het is de vraag naar de aard van de mystieke ervaring, de extase, de religieuze trance. In zijn essay Augustinus aan zee, absolute taal en temporaliteit in Lyotard’s lezing van de Belijdenissen verwoordt Chris Doude van Troostwijk het als volgt:

Slide1

Wandelend langs de vloedlijn, stuit de heilige Augustinus op het spelend kind dat met een houten lepel zeewater overschept in een zandkuiltje. Hardop schampert hij: ‘Het zal je niet lukken de hele zee over te hevelen.’ Gevat antwoordt het kind daarop dat het hem, ondanks zijn geleerdheid, evenmin zal lukken de volheid der werken Gods te bevatten. Gozzoli’s fresco in San Gimignano (1465) geeft het kind een halo, een prent van Dürer (1510) beeldt het af als naakt kerstkind. Hier spreekt de ‘logos’, willen ze ermee aangeven. De geïncarneerde god zelf onderwijst aan de kerkvader de socratische wijsheid van het geleerde niet-weten. Al zijn metafysische pretenties, zijn zekerheid dat zijn hart brandde omwille van de hoogste zaligheid, worden in de ontmoeting met het kind op losse schroeven gezet. En daarmee ook Lyotards postmoderne libidinale kritiek. De legende sluit goed aan bij een passage uit de Belijdenissen waarin Augustinus probeert zich God voor te stellen: ‘Van u maakte ik een wezen dat de [schepping] aan alle kanten omringde en doordrong, een wezen dat naar alle kanten onbegrensd was, zoiets als een zee, een naar alle kanten tot in het onmetelijke enkel maar grenzeloze zee, en alsof dan die zee een spons in zich had, wel zo groot als een mens maar wilde, maar toch van begrensde omvang, en alsof dan die spons tot in al zijn delen vol water zat uit die onmetelijke zee’ (Confessiones. VII, v).

Sinds ik in mijn schooltijd bij de Jezuïeten De Confessiones van Augustinus in het Latijn moest lezen, heb ik een fascinatie behouden voor dat boek, het mooiste werk van Augustinus. Ik wilde het ooit herschrijven in de aanloop van mijn eigen psychose in 1966. Ik heb iets met Augustinus en op een wonderlijke manier werd ik in dat vermoeden bevestigd tijdens mijn eerste bezoek aan Venetië, zes jaar later in 1972.

Peggy Guggenheim had ons gewezen op het werk van Carpaccio dat zich bevindt in de Scuola di S. Giorgio degli Schavioni. Er zijn schilders die een groot oeuvre hebben nagelaten, dat over de hele wereld is verspreid, zodat je ze nooit helemaal leert kennen. Bij Carpaccio is dat anders. Vrijwel alles wat hij geschilderd heeft bevindt zich in Venetië, en voornamelijk in dit kleine gebouwtje, een school voor schipperskinderen uit Dalmatië. De geschilderde panelen laten taferelen zien uit het leven van de beschermheiligen van deze school. Sint Joris – wiens relikwieën hier ook bewaard worden en Hiëronymus, de ascetische kerkvader uit de vierde eeuw, die evenals Sint Joris uit Dalmatië afkomstig was. De overwinning van Sint Joris op de draak vormt het hoogtepunt van een reeks dramatische momenten die door de eigenaardige schildertrant van Carpaccio bevroren lijken in de tijd. De ogen van de schilder hadden blijkbaar een miniem diafragma, veraf is even scherp als dichtbij en de ruimte lijkt platgeslagen in rasters van horizontalen en verticalen.

Vittore_carpaccio,_visione_di_sant'agostino_01

Er is één paneel echter waarop geen spoor van drama te bekennen lijkt. Een figuur zit in zijn studeerkamer met rond zich alle attributen van geloof, kunst en wetenschap en kijkt met de pen in de hand uit het venster: Hiëronymus, dat kan niet missen en daar heeft men hem ook altijd voor gehouden. Altijd tot 1959. In dat jaar publiceerde hellen T. Roberts een artikel in The Art Bulletin, waarin ze laconiek beweerde: ‘Dit is niet Hiëronymus, dit is Augustinus’. Voor kunsthistorici, die zich meestal tevreden moeten stellen wellicht ooit nog eens de twee-enveertigste leerling uit de school van de Meester van Siëna te kunnen onderscheiden, zou dit en opzienbarende ontdekking zijn. Maar er waren argumenten.

Uitvoerig iconografisch onderzoek en het napluizen van vijftiende eeuwse bronnen hadden een legende aan het licht gebracht die onder andere wordt vermeld in het in 1485 in Venetië verschenen Hyeronimus: Vita et transitus en die wonderwel past op deze voorstelling. Volgens deze legende zou Augustinus in het jaar 419 op het punt hebben gestaan Hiëronymus een brief te schrijven om hem raad te geven bij de oplossing van een moeilijk theologisch probleem. Maar Hiëronymus, zo wil de legende, was kort tevoren overleden en Augustinus had zijn naam boven de brief nog niet voltooid of hij werd getroffen door het licht uit het venster dat plotseling een onbeschrijfelijke helderheid had en een onuitwisbare verfijning – ‘con ineffibile fraganza’ – een waarin een stem hoorbaar werd: “Che cosa cherci, pensi tu di poter mettere il mare in uno picolo vaso?’ (Wat zoek je toch, dank je dat je de zee in een vaasje kunt stoppen?).

Dat waren de woorden die ook bij miss Roberts het kwartje deden vallen. Het argument loog er niet om, en een document dat kort na het verschijnen van haar artikel in de Scuola werd teruggevonden stelde haar definitief in het gelijk. Ze had een ontdekking gedaan en hoorde wellicht het gelukkige geluid van stille seconden die een dergelijke gebeurtenis moeten omgeven. Augustinus was weer terug in Venetië, waar hij overigens nooit heeft gewoond. Hij was terug in de stad die al het water van de zee in zich lijkt op te zuigen, als een spons in de oceaan. Bij Augustinus is het woord tijd geworden. Het woord dat onder ons heeft gewoond.

1 Reactie »

  1. Wiersma

    30 maart 2015 op 02:56

    Tja, de mens is tot waanzinnig mooie dingen in staat.

    Maar waarom is de kunst dan dood? Of.. staat de tijd stil in de kunst?
    Ik had gehoopt dat kunstenaars het laatste bastion zouden zijn als alles eens mis zou gaan. Tot nu toe ben ik erg teleurgesteld mag ik wel zeggen.

    De ware kunstenaars van vandaag de dag zijn de bankiers en frauderende wetenschappers, de liegende politici, olichargen en aanverwante psychopaten. Hoe erg wil je het hebben.
    En die lui zijn niet eens kunstenaar, WAREN ze dat maar. KONDEN ze maar iets!

    In feit is die hele ‘economische’ crisis een metafoor voor alles: ON-waarde. Liegers, bedriegers en spindoctors hebben het zo weten te draaien dat on-waarde waarde is geworden.
    Graaien is goed. Liegen en bedriegen is goed. Dat wordt tenminste nog beloond en te zuinig ook.

    Waar blijven de protesterende kunstenaars?
    Ik zie ze niet, ik hoor ze niet.
    Is om wat voor reden de kunst(enaar) buitenspel gezet?
    Is een grutto uitzwaaien inmiddels kunsttechnisch gezien het hoogst haalbare? Of Calimero goes Omrin?

    En wat wil je er tegen doen? Nog maar de zoveelste waddenlucht schilderen?

    En voor een deel: waar blijft de protesterende wetenschapper?
    Hoezo, de science is settled?

    Maar dan. Dromen. Brein. Perceptie.

    Ik heb zelf teveel redenen om aan te nemen dat een deel van het brein zich buiten het brein afspeelt. Op quantum niveau.
    Maar ook qua informatie overdracht tussen in feite je andere organen en andere wezens. Darmen worden – serieus – wel eens het tweede brein genoemd.

    Voorbeelden te over. Harttransplantaties kunnen karakter eigenschappen veranderen. Instinct. Verstrengelde atomen, reactie snelheden die veel sneller zijn dan fysiek mogelijk qua nerve system.
    Herinneringen van een vorig leven etc. Allemaal bewezen feiten.

    Waarbij ik moet zeggen dat herinneringen van een vorig leven niet per se JOUW leven is geweest: de ‘bijen’ (of geest/ziel) hebben zich alleen in jouw brein genesteld.
    En de telomeren zijn daarvoor een goede plek.
    Die hebben immers met name een bescherm functie. Een goede plek om je te nestelen. Helaas zijn telomeren een omgekeerde boom: naarmate de tijd strijkt groeien ze kleiner. Net als de breinfuncties.
    Toeval?
    Wel. In dit geval heb ik geen idee.

    Voor een deel denk ik dat dromen qua beeldvorming een verwerkingsproces zijn van je werkelijke bestaan, maar ook informatie uitwisseling van de ‘bijen’. De quantum deeltjes dus.

    In feite kun je dus iemand anders zijn droom dromen. Hoeft voor jezelf dus geen enkele betekenis te hebben.

    Maar logisch is het wel. Zeker als je het bekijkt vanuit evolutionair perspectief. Informatie is daarin cruciaal. Als je geen idee hebt waar voedsel te vinden is of wie vriend/vijand is ben je toast. Uitgestorven. Je hebt dus ‘verkenners’ nodig die je informeren over hoe wat waar wanneer.

    Waar komt het instinct vandaan bij dieren? Intuitie bij mensen?
    Waarom houden we van muziek?

    Maar dan. Als je buiten een cirkel staat, laten we zeggen een grachtencirkel, en je steekt twee keer het water over sta je wederom aan de buitenkant.

    En dan. Tijd. Tijdsbeléving is relatief ja. Maar dé tijd is absoluut.
    Tenzij iemand me echt kan overtuigen van het tegendeel.
    Wat maakte Nobel zo bijzonder?
    Dat hij materiaal uitvond dat zich zéér snel in de tijd uitzette.
    In dit geval dynamiet.

    Stel dat tijd relatief was. Tja, dan zou je ook zaadjes van een reuze boom kunnen gebruiken om een gebouw ‘op te blazen’.

    Whaaammmmm!!! in een milliseconde groeien er ineens duizend volwassen bomen in je huis. Reken maar dat dat redelijk ‘disruptive’ is. Muziek zou niet om aan te horen zijn. Je zou gek worden van ‘al dat licht’ en je zou het afwisselend steenkoud en bloedheet hebben.

    Dat tijd relatief zou zijn is volgens mij whisfull thinking. Het zou zo leuk zijn he? Om in de tijd te kunnen reizen! Via een wormhole ff een zwart gat induiken, en dan Katsjiiiinnnnnggggg !!! ineens ben je in een parallel universum met overweldigend licht, heerlijke warmte, prachtige tuinen met bloemetjes, vlindertjes, harpgeluiden, dansende mensjes, overweldigende geuren en allemaal vrede en liefde! En tantra sex uiteraard.

    Yeah right.

    Geniet nog maar even van Anthony dan.

    Kijkt u bij het oversteken wel eerst eventjes naar links, dan naar rechts en dan weer naar links? Bedankt!

    https://www.youtube.com/watch?v=7sjO0w2LRWc

    of anders

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)