Fire to the rain

index

Ik was vannacht in Amsterdam, maar ik kon de weg niet vinden. Opeens dwaalde ik door het patershuis van het Ignatiuscollege aan de Hobbemakade. Alle kamers stonden leeg. Het beeld van Ignatius op het eind van de gang was van zijn sokkel gevallen. Ik ging de kapel in en ook die was leeg en verlaten. Ik hoorde een jongeman zingen met een bekende stem, maar ik kon niet thuisbrengen wie het was. Toch hoorde ik de tekst van zijn liturgisch lied luid en duidelijk: ‘De Mensenzoon komt op de wolken ten overstaan van alle volken.‘ Wie is de Mensenzoon? dacht ik. Mensenzoon? Zoon? De zomer lonkte in de verte. Het was bijna voorjaar. Bijna rokjesdag. De kapel zat tot de nok toe vol en ook de televisie was aanwezig. Er hingen zelfs camera’s boven het altaar, heel hoog in de lucht. Eén camera zwiepte met een gigantische boog heen en weer. Er kwam wierook uit, maar helemaal duidelijk was dat niet. Misschien stond dat ding wel gewoon in de fik. Het werd steeds mistiger binnen.

Het duurde niet lang of je kon geen hand voor ogen meer zien. Ik liep de kapel uit en kwam in soort voorhof terecht met een kloostergang. Achter de tralies van de kloostercellen zaten nonnen verkleed – of beter ‘ontkleed’ – als prostituees. Bij één keek ik even naar binnen. Ik zag een kale ruimte met een bed. Daarnaast lagen peuken, net een sin een asbak een fles cognac was omgevallen. In de hoek stond een bidstoel. Op het tafeltje voor het raam lag een Bijbel met een doodskop ernaast. Uit de oogkassen kropen insecten met blauwgroene vleugels. Daarnaast sliep een slang alsof hij nooit zou ontwaken. De non lachte en vroeg waarom ik niet binnenkwam. Ze was vrijwel naakt en had geen tanden in haar mond. Aan de muur hing en crucifix die langzaam begon te smelten. Toen ik mij omdraaide, zag ik dat de hele kapel was leeggelopen.

Een grote menigte stond zwijgend achter mij. In de hoge glas-in-loodramen rondom in de muur waren taferelen te zien van hedendaagse beroepen: een computerprogrammeur, een hypnotherapeut, een veranderingsmanager en een communicatiedeskundige. In een donkere hoek aan het eind was een stel jongens bezig met een computergame. Het ging er heftig aan toe. Er werd gescholden. Dit is vloeken in de kerk, zo dacht ik nog bij mijzelf. Op de plek, waar ooit het altaar was, stond een groot ‘Heilig Hartbeeld’ uitgevoerd in een zacht soort grijze zandsteen. Het bleek tegelijk een tabernakel te zijn, want er zat een deurtje in dat open kon. Een uitgestoken hand fungeerde als deurknop. Toen ik die hand vastpakte brak hij af. Ik probeerde het deurtje alsnog te openen, met als gevolg dat het hele beeld onder mijn ogen verpulverde en in elkaar stortte.

Tegelijk stak er een vreemde bries op in de ruimte. Ik zag dat er een windvlaag naar binnen kwam, dwars door de glas in lood ramen die kleine gaten bleken te hebben. De wind voelde zwoel aan. Langzaam ging het harder waaien, zodat de ramen begonnen te trillen. Buiten op straat kwam een voddenjood voorbij. Hij riep om zijn moeder, maar niet duidelijk was waarom. Op dat moment was ik naakt en kreeg ik een erectie. Ik stortte mij op de dichtstbijzijnde muur en priemde mijn lans van vlees in de zachte, grijze zandsteen. Ik huiverde. De ruimte om me heen smolt weg in een vloeibaar universum. Ik baande mij een weg naar de uitgang. De klokken gingen luiden. Op het cour buiten waren kinderen aan het knikkeren en zachtjes begon het te regenen. Vrijwel iedereen die ik daarna nog tegenkwam was dronken. Zelfs mijn moeder die in haar rubbercorset op straat liep zonder mij te groeten. Ik ga naar huis, dacht ik. Ik heb het wel gehad.

1 Reactie »

  1. eddy drost

    23 maart 2015 op 16:10

    Het zal je maar overkomen, mij zie je niet meer in Amsterdam!

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)