Paint it black

Slide1aaaaaaaaa

Het is 28 juni 1966. Op de radio klinkt Paint it black van de Rolling Stones, de nieuwe nummer één op de Nederlandse hitparade. Ik zit op het hoofdkantoor van de Amro-bank in de Vijzelstraat in Amsterdam. Een vakantiebaantje. Twee weken tevoren had het bouwvak-oproer plaatsgevonden, waarbij een dode viel bij het kantoor van de Telegraaf op de Nieuwezijds. Later beek het een hartpatiënt te zijn. De dag daarvoor was Gerard Reve toegetreden tot de Rooms-katholieke Kerk. Het doopsel vond plaats in alle stilte, maar de media maakten er al gauw een hype was. Niets wist ik op dat moment van wat er die dag in Friesland gaande was. Amsterdam was immers de navel van de wereld, het magisch centrum van het heelal. ‘Halleluja Amsterdam!’, zong Ramses Shaffy.

Op die dag zond de RONO zijn wekelijkse rubriek Literair kwartier uit. Aan het woord kwam Bauke de Jong die een vernietigend commentaar uitsprak over het nieuwe boek Aarden vaten van Jan Piebenga die een half jaar eerder bij een auto-ongeluk om het leven was gekomen. Jan Tjittes Piebenga (1910-1965) was al in 1945 bij de Leeuwarder Courant gekomen waar hij twee jaar later hoofdredacteur werd.. Daarvoor was hij schoolhoofd geweest in Oudega. Door zelfstudie en de volkshogeschool had hij zichzelf opgewerkt tot verlicht volksopvoeder en dat was te merken in zijn hoofdredactionele commentaren. Hij wist veel van de Friese geschiedenis en de Friese literatuur, maar ook van theologie.

Als overtuigd lid van de CHU droeg hij de religie een warm hart toe. Religie had in jaren van de wederopbouw een belangrijke plaats verworven in de Leeuwarder Courant.In zijn boek Beschaafde vooruitgang, De wereld van de Leeuwarder Courant 1752-2002 vermeldt Marcel Broersma dat in 1933 in de Leeuwarder Courant nog slechts 1.6 procent van de redactionele ruimte werd besteed aan religieuze zaken. In 1952 was dat percentage gestegen naar 5.2, en in 1963 naar 6.8. Piebenga redigeerde onder meer een dagelijkse kerkrubriek die veel belangstelling trok bij de lezers en na zijn dood werd overgenomen door Jaap Noordmans.

Bauke de Jong was in die tijd een omstreden figuur. Eerder al had hij het antisemitische verleden van de Friese pommerant E.B. Folkertsma (EBF) blootgelegd. Voor de oorlog had EBF rare dingen over de Joden geschreven, zo had Bauke de Jong ontdekt. In het Joodse volk zag EBF alles wat met de Verlichting mis is gegaan en een bedreiging vormde voor het grote christelijk-germaans, Fries-nationale idee. De Joden stonden voor kosmopolitisme, materialisme , individualisme, kortom alles wat strijdig was met het ideaal van de ‘Fryske mienskip’. Dat had al een grote rel teweeggebracht, omdat de voormannen van de Friese beweging – inclusief Fedde Schurer- in een gesloten kring rond EBF gingen staan.

De beoogde fusie tussen drie literaire tijdschriften – De Tsjerne, Asyl en Quatrebras – dreigde zelfs te stranden, omdat deze brutale vlegel Bauke de Jong niet in de redactie mocht komen. De regenten van Je Maintiendrai hadden in die dagen een lange arm. Voor Lolle Nauta zou het mislukken van deze fusie er de oorzaak van zijn, dat hij in oktober 1966 uit de redactie de Tsjerne trad, waar hij sinds januari 1965 deel van uitmaakte. Maar dat was op die mooie zomerdag 28 juni 1966 nog niet aan de orde. Buiten scheen de zon en de vakantie was nog lang. Bauke de Jong nam het woord en begon met een vernietigend betoog, waarin hij de draak stak met de zorgen die Jan Piebenga in zijn boek had geuit over de nihilistische, verseksualiseerde, moderne cultuur, waarvoor alleen het christendom een probaat middel tot genezing kon bieden. De actie tegen Bauke de Jong, die hierop volgde, werd vooral achter de schermen gevoerd. Hoe dan ook, de gevolgen waren er voor Lolle Nauta, die eindredacteur was van het programma Literair kwartier, niet minder om.

Slide1llllllllll

In zijn  boek Stasjonaerre yn Fryslân (1999) laat Nauta weten hoe een en ander in zijn werk is gegaan. De directeur van de RONO, Van der Veen, had van te voren de afspraak gemaakt zich te distantiëren van elk mogelijk rumoer, maar toen het effect van de uitzending eenmaal duidelijk werd, draaide hij om als een blad aan de boom. Onder druk van het Friese establishment distantieerde hij zich van de bespreking van Bauke de Jong. Dat was het signaal voor Nauta om bij de RONO de deur achter zich dicht te trekken. Bauke de Jong had inmiddels zowat de hele Friese elite voor nazi uitgemaakt en zich daarom compleet onmogelijk gemaakt. Hij was een outcast geworden en kwam om die reden nergens meer aan de bak. In 1999 keek Lolle Nauta met enige distantie op deze heftige gebeurtenissen terug. Maar nog altijd laat zijn verslag van de gebeurtenissen zich lezen als het verhaal van een dramatische breuk. Er was iets stukgegaan in Friesland. Een nieuwe tijd was aangebroken, maar het was vooral een breuk in de ruimte. De boer werd verdrongen door de kosmopoliet. De oikos maakte plaats voor de kosmos.

Het boekje Aarden vaten dat in 1966 verscheen was een bundeling van hoofdredactionele commentaren van Jan Tjittes Piebenga. Hij overleed plotseling op 3 december 1965, nadat hij twee weken tevoren betrokken was geweest bij een auto-ongeval in IJsbrechtum. Samen met zijn vrouw was hij vanuit Sneek naar IJsbrechtum gelopen, een wandeling van z’n vier kilometer over een weg vol natte sneeuw. Ze wilden op bezoek gaan bij Douwe Tamminga, de zwager van Piebenga. Vlak voor zijn deur werden ze beiden geschept door een auto. Ondanks zijn lichte verwondingen overleed Piebenga kort daarop in het Bonifatiushospitaal in Leeuwarden. Onder grote belangstelling vond enige dagen later een oecumenische uitvaartdienst plaats in de kerk De Goede Herder aan de P.J. Troelstraweg in Leeuwarden, waarna hij in Idzegea begraven werd. Jan Tjittes Piebenga werd 55 jaar.

Er zijn momenten in de recente geschiedenis waarin alles in een gebeurtenis lijkt samen te vallen. Ik heb altijd het idee gehad dat in december 1965 de jaren zestig pas echt zijn begonnen. Het was de tijd van de grote schoonmaak, de wisseling van de wacht. Het oude dat te lang had bestaan verpulverde onder je ogen en het nieuwe dat te lang genegeerd was diende zich aan met brutaal geweld. In die maand maakte Nederland zich op voor het huwelijk van Beatrix en Claus. Provo’s begonnen in het geweer te komen. Oude regenten en notabelen kwamen in de problemen. In het Westen waren dat mensen als burgemeester Van Hall, Joseph Luns en Mr. G.B J. Hiltermann. In Friesland werd de oude garde gepersonifieerd door de toenmalige hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant, Jan Piebenga, maar ook door mensen als Hendrik Algra, Fedde Schurer en E.B. Folkertsma. Het plotselinge overlijden van Piebenga werd dan ook door velen als een abrupt einde van een tijdperk ervaren. In een bespreking van de herdenkingsbundel Aarden vaten wist Anne Wadman het collectieve gevoel in Friesland wellicht het meest treffend te verwoorden:

‘Mei Jan Piebenga syn forstjerren liket, hoe dan ek, in tiidrek ôfsletten: yn de publyke diskusje, yn de Fryske journalistyk, yn it geastlik klimaat hjir dêr’t er faek as in tongerbuije boppe hong te driigjen en dêr’t er soms as in mylde, bolbjirkene stouwer ta ús aller fernoegen syn golle seine oer útstruide.’

Jan Piebenga werd samen met E.B. Folkertsma voor Bouke de Jong zo’n beetje de kop van Jut voor iedereen die in Friesland naar vernieuwing streefde. Een jonge generatie wilde ontsnappen aan de spruitjesgeur van het mythische Friese ‘mienskip-denken’, dat vooral door christelijke pommeranten in die dagen als een versleten cultuurideaal krampachtig overeind werd gehouden. De hoofdartikelen van Piebenga werden opeens als het toonbeeld gezien van dit moralistische betoog. Het waren de ‘zouteloze praatjes’ waar Boudewijn de Groot over zong. De vrome clichés van een generatie die de strijd aanbond tegen de nieuwe tijd die gelijk zou staan met zinloosheid, atheïsme en zedenverwildering.

Trinus Riemersma heeft het conflict tussen Bauke de Jong  en E.B. Folkertsma al eens op een rij gezet in zijn boek Hoe binne de helten fallen, Bauke de Jong syn unkristlike krústocht (2006). De aanval tegen Jan Piebenga achtte Riemersma achteraf beschouwd wat minder relevant, zoals ook Steven de Jong in 1993 in Trotwaer had beweerd: ‘Of de mentaliteit van Piebenga nou zo verderfelijk was werd uit het betoog van Bauke de Jong eigenlijk niet zo duidelijk’, zo concludeerde Steven de Jong. ‘Nee verderfelijk niet,’ voegt Trinus Riemersma daar venijnig aan toe, ‘maar je werd van zijn hoofdartikelen wel kotsziek.’

Maar was daar ook reden toe? Waren deze artikelen werkelijk niet te pruimen? Met die vraag voor ogen ben ik de bundel Aarden vaten nog eens gaan lezen. Zo stuitte ik op het artikel Modern atheïsme dat op 2 februari 1963 als een hoofdartikel van Piebenga in de LC is verschenen. Als je deze tekst nu leest, dan is er weinig mis mee. Sterker nog, het is een heldere analyse van het fenomeen secularisering dat in de jaren zestig ook in Friesland snel om zich heen greep. Opmerkelijk is dat Piebenga het opkomend atheïsme in een breed historisch perspectief plaatst, teruggaande op de negentiende eeuw, en verbanden ziet met moderne ideologieën als communisme en socialisme. Daarnaast wijst hij ook op het toenemend verzet van een nieuwe generatie tegen het maatschappelijk onrecht in de wereld. Die sociale dimensie van het moderne atheïsme verwoordt hij wellicht met meer respect voor zijn goddeloze opponenten, dan juist zij voor zijn eigen behoudende ideeën op konden brengen. Zo stelt hij onder meer het volgende:

‘Het 
kan sociale motieven hebben wanneer men getroffen is door
het vele onrecht in de wereld en meent dat de christelijke
kerk daar weinig of niets tegen heeft gedaan maar integendeel
zelfs aan de kant van de conservatieve machthebbers en bezitters is gaan staan. Het kan ook uit de emotionele sfeer voortkomen, wanneer men de gedachte aan een liefderijke God niet
kan verenigen met het leed en de wreedheid die de wereld 
vervullen; er zijn heel wat mensen die dan nog eerder aan
een duivel wiIlen geloven.’

Kennelijk reageerde Piebenga op een discussie die destijds gaande was op de opiniepagina van de krant. Zijn commentaar was kort en bondig, maar het was een betoog van niveau, geschreven door een man die boeken las en die wist waarover hij het had. En dat is toch het eerste wat je van een hoofdredacteur mag verwachten. Bij vlagen werd het betoog van Piebenga zelfs profetisch: ‘Zelfs als hypothese is God overbodig geworden. De psychiaters vervangen de dominees.’ Daarmee sloeg hij de spijker op zijn kop, en dat in 1963. Maar de protestgeneratie zat niet te wachten op dit geluid. Het was opeens een stem die onwaarachtig klonk, een echo van een voorbije tijd. Toch is dat conservatieve geluid lange tijd nog niet echt te horen in de commentaren van Piebenga.Tot pakweg 1964 is de toon van zijn artikelen eerder verzoenend dan confronterend. Keer op keer probeerde hij op begrijpende toon een brug te slaan tussen het oude en het nieuwe. Op 9 juni 1962 schriijft hij:

‘Elke tijd, maar de onze in het bijzonder is een trefpunt van vele spanningen.Men heeft het wel eens over de gewone man die al deze ontwikkelingen van de moderne tijd niet kan verwerken, niet kan “bijfietsen”. Wie van ons is op tal van punten niet zulk een gewone man? Oude literatoren, die eens tot de avant-garde hebben behoord, verklaren om strijd dat zij van de poëzie der jongeren niets begrijpen en er ook niets in kunnen waarderen. Vijfenzeventigjarige professoren die lange tijd als kerkelijke leiders zijn beschouwd, klagen week aan week over de vaagheid en onbelijndheid der nieuwe generatie.

Het is of we de zalvende, pastorale toon van bisschop Bekkers horen die negen maanden later, in een KRO-uitzending op 21 maart 1963, het katholieke kerkvolk gerust zou stellen over het gebruik van ‘de pil’ door te beweren dat de omvang van een gezin een gewetenszaak van de gehuwden was, waarin niemand, ook geen zielzorger, treden mag. Piebenga liep voorop. Hij toonde begrip voor het onbegrip en streek de plooien glad tussen de elite en het gewone volk, zoals het goed volksopvoeder betaamt. Maar eind 1964 verandert zijn toon plotseling. Het zijn dan zijn dan niet zozeer religieuze zaken die zij verontwaardiging wekken, maar vooral de snelle veranderingen in de seksuele moraal. In zijn artikel Dodelijke bedreiging van 17 oktober 1964 spreekt hij over een tijd van ‘versmalling en ontluistering van de mens. Een tijd waarin de seksualiteit tot een alleen en alles meeslepende afgoderij werd verheven’.

Opeens ziet hij dan overal spoken opdoemen. ‘Seksbommen’ werden tot belangrijke persoonlijkheid verheven en er werd een overmatige en ziekelijk aandacht geschonken aan zangeressen en schoonheidskoninginnen. De terugslag zou zichtbaar zijn bij een groot deel van de jeugd, maar vooral bij ‘de zichzelf overschreeuwende (…) beschrijvers van overspel en prostitutie, van homoseksualiteit en andere onnatuurlijkheden. Van verslaving en verdovende middelen en van vele sadistische wreedheden jegens mens en dier.’ De preek van een begripvol volksopvoeder was opeens omgeslagen in een tirade tegen de verwildering der zeden. De pastorale toon van Bisschop Bekkers had plaatsgemaakt voor het cynische sneren van Archie Bunker. ‘Wij zijn als seksuele voorlichters opgetreden, maar in plaats van onze kinderen de heerlijkheid van het spelen al kinderen Gods te leren, hebben wij ze met de neus in de poelen van goorheid en gemeenheid geduwd.’ Kortom, het was een en al Sodom en Gomorra, zelfs in het eens zo godvrezende Friesland.

Hoe heeft dat zo snel kunnen gaan? Wat was er opeens gebeurd? In het laatste levensjaar van Piebenga – de periode tussen pakweg oktober 1964 en december 1965 – heeft zich kennelijk een breuk voltrokken. In Friesland was die breuk onlosmakelijk verbonden met een reeks ingrijpende ontwikkelingen zoals de modernisering van het platteland, de ondergang van het regionalisme als breed gedragen cultuurideaal, de opkomende mobiliteit en massamedia, een snel veranderende seksuele moraal, de secularisering en – last but not least – een veranderende ervaring van ruimte en tijd. Piebenga wilde stelling nemen tegen de stortvloed van verloedering die in zijn ogen de christelijke beschaving dreigde te overspoelen.

‘De verdraagzaamheid is een van de meest waardevolle verworvenheden in onze samenleving, maar zij heft zichzelf op, wanneer zij verstaan wordt als het alles verdragen, alles zonder oordeel consumeren.’ schreef hij in de LC van 14 oktober 1965. Er moest radicaal gekozen worden tussen heden en verleden. Tussen God of goddeloosheid. Tussen traditionele waarden of een moderne moraliteit. Voor orthodoxe christenen als Piebenga was dat geen makkelijke keuze. Zij voelden zich bedreigd door een vloedgolf van immoraliteit, die de moderne tijd met zich mee leek te brengen, en vooral in de moderne literatuur hoogtij vierde.

Wie op zoek gaat naar de grote veranderingen die zich midden jaren zestig in Friesland voltrokken, mag over de snelle secularisering, die zich juist in die tijd voltrok, niet zwijgen. Secularisering is primair een proces geweest van ‘ontzieling’ en heeft alles met het verlies van mienskip te maken. Toen God uit Jorwerd verdween, kwam mij menig ontheemde Fries het verlangen op om weer een echte Fries te zijn die leeft in een Fryske mienskip. De Friese identiteit heeft sinds de jaren zestig in veel opzichten de trekken aangenomen van een vaag religieus gevoel dat mensen samenbindt, terwijl de traditionele gemeenschapsbanden stilaan verdwijnen. De tegenwoordige roep om mienskip en sociale cohesie is alleen begrijpelijk in het licht van het verdwijnende religieuze besef. Het woord religie stamt af van het Latijnse woord ‘religare’ dat ‘verbinden’ betekent. Ook identiteit verbindt, zeker als de religie is weggevallen.

Het verdwijnen van het geloof gaat niet zelden gepaard met een formalisering van de geloofstellingen. Wat ooit echt en authentiek was verflauwt tot een schaduw of een schijngestalte. In feite is deze omslag van geloof naar de schaduw van een geloof een antropologisch proces dat zich voltrekt in culturen die zich in een fase van transitie bevinden. Dat kunnen primitieve culturen zijn, maar ook agrarische en (pre)moderne culturen. Er zijn vele parallellen te trekken tussen transitieprocessen als modernisering, secularisering en globalisering. Telkens weer verdwijnt er een geloof dat de traditionele gemeenschap samenbond. En telkens weer verschijnt er een nieuw geloof dat niet zelden een flauwe afschaduwing is van het oude geloof, maar dan in een meer abstracte of formele gedaante.

Dit soort antropologische processen werden in de hoogtijdagen van de geesteswetenschap, toen de teloorgang van de religie zich aandiende uiteindelijk zorgwekkende vormen aannam, intensief bestudeerd in disciplines als de culturele antropologie en de wijsgerige antropologie, waarbij ‘het  fenomeen mens’ zowel op macroniveau van primitieve culturen als het microniveau van de eigen psyche tot studieobject werd genomen. Het was de bloeiperiode van fenomenologie, waarbij er vanuit werd gegaan, dat er een universele eenheid in de menselijke geestesstructuur zou bestaan. Dat maakte het fenomenologisch Verstehen mogelijk, omdat het 
menselijk gedragspatroon herleid kon worden op overeenkomstige 
wetmatigheden. Zo dacht men dat de mythen en riten van primitieve volkeren op dezelfde wijze geanalyseerd konden worden als de dromen van de moderne stadsmens of de gedragingen van de boer in de agrarische regio.

Slide1vvvvvvv

Als we hedendaagse fenomenologen als Louis Sass en Iain McGuilchirst mogen geloven dan werd het tijdperk van het modernisme gekenmerkt door de triomf van de linkerhersenhelft die altijd in dienst had gestaan van de heerschappij van de rechter hemisfeer met zijn ervaring van de wereld als één groot geheel waarin alles met alles samenhangt. Grofweg geredeneerd bracht het proces van de modernisering die ervaring van een natuurlijke samenhang steeds verder in de verdrukking. De tijd werd een minutencultuur en de ruimte werd een hinderlijke verwijdering in afstand die met vierbaans snelwegen teniet moest worden gedaan. De reis werd een traject op de kaart gesouffleerd door de TomTom. Zo kwam een eindeloze reeks van surrogaatervaringen in de plaats van ‘het echte leven’. Hoe complex de processen als modernisering en secularisering ook met elkaar verweven waren, een ding hadden ze gemeen. Beide brachten de superieure rechterhersenhelft stilaan in het nauw. Doorgeschoten individualisering maakte een eind aan het meinskip-gevoel en het godsgeloof. De slinger van de pendule sloeg plotseling door. Voor wie het niet meer bij kon fietsen, werd alles zwart in de wereld.

De tekst van de song Paint it black is voor velerlei uitleg vatbaar. Vaak wordt beweerd dat Mick Jagger deze tekst geschreven heeft vanuit het standpunt van depressieve man die wil dat alles in zijn leven in zwart verandert, zodat de buitenwereld geheel overeenstemt met zijn eigen sombere gemoedsstemming. Het zou over de dood gaan, een eclips, een totale verduistering van de zon. Maar zeker is dat niet. Zeker is dat er iets dood ging in die tijd. Het oude maakte plaats voor iets nieuws. Maar wat was de winst en wat het verlies? Ook in Friesland is die balans nooit echt opgemaakt. De Friese identiteit was tot dan toe nauw verbonden geweest met een sterk gevoel van mienskip. In dat licht bezien rijst de vraag hoe het mogelijk was dat er in de jaren zestig zoiets wonderlijks heeft kunnen bestaan als ‘een Fries modernisme’. Dat moet iets zijn geweest wat intrinsiek tegenstrijdig is met zichzelf. Zoiets als een goddeloos geloof of een versplinterd mienskip-gevoel. Anders gezegd, als er een Fries modernisme heeft bestaan, wat is dan eigenlijk nog modernisme?

3 Reacties »

  1. Wiersma

    30 december 2014 op 02:35

    Min of meer wel een aardig verhaal.

    Maar waarom lijkt het alsof babyboomers alleen maar terug in de tijd kijken???

    “Een jonge generatie wilde ontsnappen aan de spruitjesgeur van het mythische Friese ‘mienskip-denken’, dat vooral door christelijke pommeranten in die dagen als een versleten cultuurideaal krampachtig overeind werd gehouden. ”

    Dat idee krijg ik nog steeds. Van dat verkrampte overeindhouden. Vandaag een tweet van Jannewietske onder ogen waar in stond: ‘weg met doemdenken, op naar positivisme’ of iets dergelijks.

    Leg dat maar eens uit aan mensen die tot de enkels in de pis staan, hun baan zijn verloren, hun ziekenhuis, bedrijf, pensioen of huis is verdampt. Enig idee hoeveel decennia oude oer bedrijven in Frl recentelijk failliet zijn gegaan?
    Ik denk dat je dat niet wilt weten.

    ‘Pommeranten’ leven écht in een ander universum.
    Hun riante salaris valt elke maand wel weer op de mat.
    Dat leidt af van de werkelijkheid. Tesamen met een koor van slijmballen die op een of andere manier afhankelijk van je (subsidies) zijn. Dat geeft een (vals) gevoel van macht.

    Volgens het CBS zijn jongeren sinds de crisis er 20.000 euro op achteruitgegaan, hun verplichte spaargeld voor een huis zeg maar, ouderen wat meer.

    Wat ik al eerder zei: where is the fucking money gebleven na al die zogenaamde QE 1,2 ,3 ,4 miljarden injecties en 0,05% rentes.
    Iemand enig idee waar dat geld van die ‘economische impulsen’ is gebleven?

    In feite is het weer 1960. Of beter: 1939. We zitten wéér opgescheept met een (politiek en media) systeem denken wat minstens 50 jaar achterloopt op de realiteit.

    Er is echter een dingetje bijgekomen: Technologisch/oligarchisch gezien loopt de burger (en de politiek en media) echter 50 jaar achter op de werkelijkheid.

    Een dubbel probleem dus eigenlijk.
    Als een van die twee, de politiek of media hun WERK nou eens zouden doen, zou de crisis helemaal niet bestaan.

    Alle geld vloeit namelijk naar de top banken.

    Maar dan.

    God.

    Kijk. Als je die beschouwd als moraal ridder, en dat een paar duizend jaar niet doorhebt, dat is vragen om moeilijkheden.
    Je kunt er op wachten dat mensen een keer wakker worden uit die ultieme brainwash. En hun geestelijke leven in feite nep was.

    Het wordt wat anders als je god bekijkt vanuit een ander patroon:
    God als schepper, als kunstenaar.
    Niks geen moraal ridder.

    Daar komt bij dat god alle mogelijkheden biedt om het kunstwerk te vernietigen als je het niet mooi vindt.

    Radioactiviteit, water, lucht, licht, zouten, zuren, pesticiden, basen, electriciteit, laser, vuur, kou etc.

    Alsof je een museum inloopt en men bij de ingang vraagt: wilt u ook een wapen naar keuze om een kunstwerk te vernietigen?
    Of hebt u liever een bakje water, wat energie, of wat voedsel voor een kunstwerk naar leuze?

    Simpel voorbeeld.

    Stel, je bent als kind een keer geprikt door een brandnetel.

    De reactie kan zijn: ALLE brandnetels zijn stom, gemeen, evil en ik maak het tot een levensdoel elke brandnetel met wortel en tak uit te roeien.

    Heb je er dan iets van geleerd?
    Nee.

    Je zou je ook kunnen afvragen: WIE benaderde de brandnetel?
    Wie bepotelde wie nou eigenlijk?
    Zou het kunnen dat planten een verdedigingsmechanisme hebben?
    Want ze kunnen niet vluchten.
    Hoe wéét een brandnetel mensen of dieren af te schrikken met zijn ‘prikken’? Best knap voor zo’n ‘domme plant’. Kunst eigenlijk.

    Hoe weet een plant dat ie voedsel of vruchten moet maken wat mensen en dieren lekker vinden? What’s in it for the plant?

    Toeval allemaal of zit er toch iets groters, iets kunstzinnigers achter?

    God als moraal ridder heb ik nooit zien zitten, verafschuwd zelfs, maar god als kunstenaar wel. Domweg omdat zo’n beetje alles zo waanzinnig geweldig in elkaar zit, en dat er nogal wat voorwaarden nodig zijn OM het (duurzaam) te kunnen realiseren.

    Het punt met god als moraalridder is, is dat het zich focust op de mens. En de mens, nou die neemt zichzelf zo waanzinnig serieus, daar krijgt een paard de hik van. Zie selfies. Zie blinde adoratie ‘pop/showbizz/sterren’.

    In feite ziet een mens in een kunstwerk domweg een deel van zichzelf. Hij reflecteert altijd iets wat ie ziet naar zichzelf.
    In dat opzicht is de mens de aap nauwelijks ontgroeid.

    Politici en media maken van dit fenomeen overigens gretig gebruik door op emotie te spelen. Emotie is spiegelen, zelfreflectie.
    Schakelt het heldere denken uit.

    En dat deed de kerk dus. God was een middel, geen doel.

    En ondertussen vergat de mens om eens even niet narcistisch, hedonistisch of egoistisch in de spiegel te kijken (al dan niet selfie makend), maar eens even naar het kunstwerk.

    “Luister niet naar wat ze zeggen, kijk naar wat ze doen”.

    In dat opzicht zou je kunnen zeggen dat waar LeRoy mee bezig was een compilatie/symbiose was/is tussen het kunstwerk van de mens en het kunstwerk van God.

    God heeft de mens ook een héél klein beetje kunstenaar gemaakt namelijk. Met de nadruk op ‘héél klein’.

    Dat God dat gedaan heeft? Toeval? Welnee.
    Dat de mens tov elk ander dier gepeakt heeft en aan top van de voedselketen is komen te staan?
    Toeval? Welnee.

    Zijn de meeste dieren eigenlijk best onnozel? Als slaaf te gebruiken?
    Ja. Toeval? Welnee.

    Naar mijn mening zou je triljarden kunnen besparen/verdienen als je goed kijkt naar het kunstwerk van God.
    Iedereen rijk en gelukkig, nauwelijks ziek etc.
    Oh.. en een doel.. spacetraveller.

    Ten eerste zou je alle religieuze oorlogen gelijk bij het grofvuil kunnen zetten. Ten tweede zou je domweg gratis energie kunnen hebben als je maar goed kijkt. Nee, niet omlaag, niet recht vooruit, maar omhoog. Ja, richting hemel/zon ja.
    De aarde is een batterij (condensator) remember?
    Toeval? Welnee.

    Ten derde zou je nog eens beter kunnen kijken naar planten, water, lucht en kosmische energie. Die (kringlopen) tesamen ook nogal wat sustainable voordelen.

    Maar kijkt de mens naar dat grote plaatje?
    Nee. De mens fotografeert. Spiegels het liefst.
    Doet dat uploaden naar social media en hoopt dan dat dat in grote getale wordt geliked door ‘ de groep’, de eigen opgebouwde -virtuele- ‘Mienskip’.

    Want -virtueel- buiten de groep vallen is nog erger dan werkelijk kanker eigenlijk.
    “Ik leef met je mee!” “Sterkte!”

    De mens houdt zichzelf in feite in een ijzeren houdgreep door emotie. Geen mens gaat zelf op zoek als ie kanker heeft: nee, hij zoekt steun bij de groep. Da`s allemaal leuk en aardig, maar ondertussen ga je wel dood.
    Omdat je niet kijkt. Omdat je zo dolgraag door de groep geaccepteerd wilt worden. Tunnelvisie van het beestje.

    God heeft voor ELK probleem een oplossing.
    Als je maar goed kijkt.

    Het kunstwerk van god is een piezeltje ingewikkelder dan het eerste de beste schilderij van een waddenlucht.

    Maar ja, vorige week waren we nog een gekloonde aap met een alien, dus wat weten wij nou.
    We komen net uit het ei. Oogjes nog dicht.
    Snaveltjes al wel open. Da`s een beetje jammer.
    Allemaal meningen, maar dan zonder kijken. Of zien eigenlijk.

    En aangezien BV Nederland hard op weg is om weer een bananenrepubliek te worden, keren we weer terug naar de roots.
    Mooi man!

    Volgend jaar gaan we die chimpansees in Rusland bestoken.
    Opgehitst door die bavianen in the United Stupid of America.
    En NL is mede die bonobono die de bananen uit het vuur mag halen. In hoop voor wat gratis virtuele sex.

    Nuff said.
    Komt ie nog maar weer eens.

  2. josse de haan

    30 december 2014 op 10:45

    Huub, een aanvulling:

    Voor de verandering sluit ik me even aan bij jouw taal:
    jouw artikel over de Friese cultuur- en nieuwspaus uit de 60-er jaren klopt helemaal, maar is niet verouderd. In aansluiting op dit stuk zou je ook mijn verhaal in het tijdschrift trotwaer moeten lezen ‘De 50 fan de slach by Warns’, analoog aan de 50 machtigen in Nederland destijds. Het was mijn afscheidsstuk van Friesland, na de gevechten om OPERAESJE FERS te redden in 1968. De CHU/SGP-kliek was er op tegen – uiteraard. Mevrouw Klompé en Vondeling (ministers destijds) en zijn vrouw redden ons.

    De sfeer van Jan Piebenga met zijn moralistische kijk op het leven bestaat nog steeds in Friesland, met name op Tresoar, waar men niet schroomde een klassieke roman als LEAFDEDEA in de Nederlandse vertaling te kuisen en te censureren.

    Men wil daar nu Schrijversbiografieën op het internationale net plaatsen. Ik constateer eenzelfde CHU/SGP-mentaliteit bij de leider T. Oppewal:

    1. geen schrijfster valt de eer te beurt op het internationale Wikipédia-podium te verschijnen;
    2. T. Bruinja is de beste jongere dichter – geen A. Soepboer, geen E. Kampen, geen E. Hettinga, geen A. Hut, etc;
    3. Ene A. van Zandbergen met één boek krijgt de voorkeur boven W. Schoorstra met een paar prachtige romans, boven Elske Schotanus met een hele tere autofiction documentaire, boven Tjitte Piebenga met een paar meesterlijke romans;
    4. K. Tiemersma wordt grootser geacht dan H. Goïnga of H. de Jong of A. Peanstra, maar behoort wel bij de Oppewal-filosofie;
    5. H. Speertstra is gepromoveerd tot literatuur, etc., etc.

    Dit alles met het oog op de Culturele Hoofdstad 2018.
    Friesland zal de CHU/SGP-sfeer anno 1965 (cq Jan Piebenga) aan de internationale gemeenschap tonen. Niks modernisme!

    Bij dezen gaan de felicitaties naar Bert Looper, directeur Tresoar in Leeuwarden. De Culturele Hoofdstad 2018 (Leeuwarden) verdient het om moderne Friese literatuur aan Europa te tonen, want ook in Leeuwarden is het niet meer 1965…

  3. stage decorators in chennai|best wedding decorators in chennai|decorators for wedding in chennai|decorators in chennai for wedding|flower decorators for wedding in chennai|best wedding stage decorators in chennai|stage decorators in chennai for wedding|we

    16 september 2015 op 18:56

    Hey there! I know this is kind of off topic but I was wondering which blog platform are you using for this website? I’m getting fed up of WordPress because I’ve had problems with hackers and I’m looking at alternatives for another platform. I would be fantastic if you could point me in the direction of a good platform.|

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)