Perfect day

DDR-0_2

Het is 3 maart 1970. De jongeman bij de motorkap ben ikzelf. De foto is genomen door Nard Loonen, een klasgenoot die ik nog ken uit de tijd van het Ignatiuscollege. We gingen samen naar Berlijn om de wedstrijd Vorwärts Berlin tegen Feyenoord te zien. Dat bezoek aan Berlijn kan ik me nog goed herinneren. Vooral de tocht over de snelweg door Oost-Duitsland. We logeerden bij een jong gezin. Ze hadden Nutella voor op brood bij het ontbijt. Ze woonden in West-Berlijn, ergens voorbij de Tiergarten, want daar kwamen we langs. Hoe we aan kaartjes waren gekomen, weet ik niet meer.  Het is de enige keer in mijn leven dat ik  in Oost-Duitsland en ook in Oost-Berlijn ben geweest. Op weg naar Berlijn mo4st je heel langzaam rijden, en alleen op de rechter rijbaan. Overal stonden Vopo’s met verrekijkers. De muur stond er al negen jaar, sinds 13 augustus 1961. Ook dat kan ik me nog goed herinneren. Mijn vader kwam er speciaal voor naar beneden in zijn hemd en onderbroek om naar de radionieuwsdienst  te luisteren. ‘Hier is de Radionieuwsdienst ANP.  Vanochtend is in Berlijn….‘ Onderwijl scheerde hij zich met zijn Philishave, want hij moest weldra naar zijn werk.

Berlijn, ik heb er nooit veel met die stad gehad. De val van de Muur heb ik nauwelijks beleefd,. Hoewel, ik kan me ook die dag nog heel goed herinneren. Het was een bijzondere dag. Wat heet, een perfecte dag. Kort daarvoor had ik een advertentie zien staan in de NRC, waarin lezers werden opgeroepen mee te doen aan een essay-prijsvraag. Het thema was: ‘De lezer tussen woord en beeld.’ Ik vond dat een intrigerend gegeven.  Wat gebeurt als de lezer leest? Het lezen van een tekst kost een zekere tijd. De tijd verstrijkt, terwijl je leest. Terwijl u deze tekst leest, tikken de seconden weg. Elk woord is weer een fractie van een seconde en zo kruipt de tijd door de taal. Of beter gezegd, zonder de tijd zou de taal niet kunnen bestaan. De tijd is een uitbreiding van de geest, waardoor we de taal kunnen spreken en consumeren. Een tekst is daarom en loper van woorden, die in de tijd is uitgerold. Vanuit die gedachte begon ik een schema te tekenen voor mijn essay.

Eigenlijk wilde ik een tekst schrijven die geen auteur heeft, maar zich ontwikkelt in het brein van de lezer, terwijl hij de tekst leest. Dat kan niet, zult u zeggen, want dan moet je toch eerst een tekst hebben. Een lezer kan niet iets lezen wat er nog niet is. Toch is dat maar de vraag. Het zou kunnen zijn dat de woorden, die u nu leest, er nog niet waren vlak voor het moment dat u ze leest.  Ze komen uw brein binnen vanuit een mysterieuze machine, die deze tekst produceert. Ik – dat wil zeggen Huub Mous, de auteur van deze tekst – bestaat niet. Ik ben een machine, die net zo goed in uw brein zou kunnen zitten als in het mijne. Ik het het universele poppetje in elk brein, de homunculus die met evenveel gemak taal produceert als consumeert. Taal komt niet voort uit een mysterieuze bron, een ziel, een ik, het onbewuste, een subject…. Nee, taal is er altijd al. Schrijven is niets anders dan de woordjes van een zin in de juiste volgorde zetten. Maar wat is de juiste volgorde? Er zijn talloze manieren om die volgorde te kiezen. Het aantal verschillende zinnen kent geen eind. Kortom, ik probeerde een vertrekpunt te zoeken voor een tekst zonder auteur.

Op deze wijze had ik een nogal ingewikkeld verhaal op papier gezet, uitgaande van de gedachte dat alles er al is. Alle teksten, die je kunt bedenken, zijn al geschreven. Bovendien bestaat er niet zoiets als ‘tijd’. Tijd wordt door het bewustzijn zelf geconstitueerd en specifiek door toedoen van de representatieve functie die in ‘taal’ aanwezig is. Taal en tijd zijn dus intrinsiek met elkaar verweven. Daarover ging mijn verhaal. Ik wilde die verwevenheid zichtbaar maken en vervolgens elimineren. Kortom, ik wilde een tekst schrijven die zich verplaatst als een een golf in een reeds bestaand ‘taal-zwembad’. Dat wil zeggen: een vertoog zonder ‘uitstel’ en ‘verschil’, de basiskenmerken van de representatie. Een tekst ook zonder tijd en zonder ruimte. Een tekst die een leegte zichtbaar maakt. Een vertoog dat tegelijk analyseert en vertelt. Deze tekst zou moeten variëren op iets wat er al is, en tegelijk een herhaling zijn van iets wat er al was. Maakt u geen zorgen, als u dit alles niet begrijpt. Ik vraag me nu af, of ik het zelf destijds wel begreep.

Hoe dan ook, bij deze procedurele manier van schrijven kwamen de woorden als vanzelf. Ik werd mij ervan bewust, dat er altijd een denkbeeldig oog is dat naar mij kijkt op het moment dat ik iets schrijf. Je zou dit ‘het oog van de cycloop’ kunnen noemen. Het verhaal ging over het ontstaan van het verhaal, en dat was het verhaal. Ik verzon een list om aan de cycloop te kunnen ontsnappen. Om aan de representatie te ontsnappen. Om te ontsnappen aan de tijd die in de taal zelf aanwezig is. Het werd 9 november 1989. Het was de dag, waarop de Berlijnse Muur viel. Ik was die dag in Amsterdam, omdat de instelling waar ik destijds werkzaam was – De Fryske Kultuerried – een personeelsreisje naar Amsterdam had georganiseerd.

Zo kon het gebeuren dat ik pas de volgende dag het nieuws uit Berlijn hoorde. Nogmaals , vpor mij was die negende november van het jaar 1989 in alle opzichten een perfecte dag. Ik heb rondgedwaald door Amsterdam. ’s Middags bezocht ik nog even mijn schoonvader in het bejaardentehuis in de Roeterstraat, waar later Ramses Shaffy terecht zou komen. Ik kocht een boek bij De Slegte in de Kalverstraat. Het was een splinternieuw boek en het verbaasde mij dat het hier al bij De Slegte lag. Het boek heette: The Dconstruction of Time en was geschreven door een zekere David Wood, die als senior lector verbonden was aan de universiteit van Warwick. Het boek ging over de tijd bij Husserl, Heidegger en Derrida. Het was afgeprijsd van f 117 tot f 67.50. Een bom geld voor een tweedehands boek, ook al was het dan splinternieuw. Toch heb ik het gekocht. Die avond gingen we met zijn allen naar Carré, waar Freek de Jonge optrad met zijn nieuwe onemanshow. De running gag van zijn optreden was een liedje dat steeds weer op het toneel gedraaid werd: Perfect Day van Lou Reed. Ook Freek wist niet dat die avond in Berlijn de muur zou vallen.

Ik heb het boek The Deconstruction of Time daarna gelezen, maar dat was geen gemakkelijk opgave. Het thema fascineerde mij: de de-constructie van de tijd. Het was een overzicht van het postmoderne denken over taal en tijd, voortkomend uit de fenomenologie van Husserl, het existentie denken van Heidegger en uitmondend in het deconstructie-denken van Derrida. Maar wat ik werkelijk gehoopt had, bleef uit. De auteur legde geen enkel verband tussen het denken van deze filosofen en de bevindingen over het fenomeen ‘tijd’ in de hedendaagse natuurkunde. Alle natuurkundige theorieën over tijd deed hij al in de inleiding af als zijnde irrelevant. Dat waren ‘verruimtelijkingen’ van de tijd. Tijd is geen ruimte, zo beweerde hij. Tijd is een proces van verschijnen en verdwijnen dat zich voortdurend in je bewustzijn voltrekt. Dat is het ware kenmerk van de tijd. Tijd zit dus tussen je oren. Toch heb ik veel van dit boek opgestoken en alles wat ik dacht te begrijpen over tijd, taal en bewustzijn heb ik vervolgens verwerkt in het essay De lezer tussen woord en beeld,  waarbij ik me liet inspireren door een foto van mijzelf als dertienjarige bezoeker van de tentoonstelling Bewogen Beweging in het Stedelijk Museum in 1961. Eigenlijk was het helemaal geen essay, maar iets tussen een verhaal en een beschouwing in.

Zo begon ik te fantaseren. De tijd is een glijbaan naar de dood, zo bedacht ik bij mezelf. Taal is een vluchtpoging om aan die glijbaan te ontsnappen. De taal creëert een schijnbaar permanente ruimte van aanwezigheid door de werking van het teken dat het ‘nu’ herhaalbaar maakt. Taal stelt de dood telkens weer uit door het opschorten van een verdwijnende aanwezigheid. Zo ontstaat een voortdurende, ideale schijn-situatie, waarin de dood wordt ontkend. De aanwezigheid – de ‘ousia’ – is de grondtrek van het Zijn. Sinds Aristoteles is deze grondtrek van het Zijn gecorrumpeerd. In zijn denken over Zijn en tijd probeerde Heidegger de authenticiteit van het Zijn te redden door middel van de existentie, maar is het wel mogelijk om de representatie, die voortdurend in de taal werkzaam is, uit te sluiten. De late Heidegger vatte het Zijn op in termen van een gebeuren: ‘Es gibt Ereignis.’ Maar de taal is doorboord met afwezigheid, zo beweert Derrida. De tegenwoordigheid van het tegenwoordige komt voort uit een voortdurende herhaling – het verglijden van de tijd – en niet omgekeerd.

Tegenwoordigheid ontstaat bij de gratie van het voortdurend wegglijden in het verleden. De taal drukt uit en wijst aan, maar volgens Derrrida is er geen verschil tussen expressie en indicatie. Er is geen authentieke oorsprong in de taal. Geen ‘ik’ als zuivere bron, waar de zinnen uit opborrelen. Het ‘ik’ is een schijn-constructie. Het wordt voortdurend gegenereerd door de relatie tussen het uitstel – dat in het teken werkzaam is – en de dood. Het spoor, dat de tekens nalaten, is een effect zonder oorzaak. Derrida is voortdurend op zijn hoede om niet terug te vallen in de metafysica. De taal is in zijn optiek als een vloeistof zonder fles, maar je hebt wel een fles nodig om over de vloeistof te kunnen vatten. De metafysica is als een oplosmiddel dat ook de fles oplost, waar de vloeistof in zit. De grootse angst, die met een psychose gepaard gaat, wordt door de filosofie van Derrida bevestigd. Er is geen ‘ik’. Er is alleen ‘leegte’. Elke vorm van kennis is zoiets als het zien van je eigen voetsporen die je telkens weer tegenkomt als je in cirkels rondloopt.

Ik heb de ECI-prijs niet gewonnen, omdat mijn inzending niet aan de criteria van de prijsvraag voldeed. Eigenlijk was het helemaal geen essay dat ik geschreven had, maar iets tussen een verhaal en een beschouwing in. Daarna ben ik er opnieuw aan gaan schaven. De tekst raakte in een kringloop. Hij werd steeds weer gerecycled. Alle organismen in de natuur, zo las ik laatst, die groot genoeg zijn om door het oog te worden waargenomen, bestaan uit microben die ooit onafhankelijk waren en zich later tot grotere organismen hebben samengevoegd. Bij deze samenvoeging zijn vele hun eerdere identiteit kwijtgeraakt. Zo zie je maar weer, zelfs de evolutie is een voortdurend proces van recycling. De tijd is een kringloop. Ook alles wat ik op dit weblog schrijf bestaat al, omdat ik het al eens eerder heb geschreven. Ik hoef alleen maar te herordenen door met mijn vinger een golfbeweging teweeg te brengen in de vijver van de tijd.

DDR-0_21

Ik zie mezelf op de foto van 3 maart 1970. Ik ben er en ik ben er niet. Ik ben daar en tegelijk ook hier. Ver weg maar ook dichtbij. Voorbij in het heden en aanwezig in het verleden. Ik glij weg in een diepe afgrond en toch schiet er iets naar boven. Het geheugen is een golf die zich tegen de stroom in beweegt. Alles verdwijnt, behalve de tijd zelf. Ik draai rond, terwijl in vooruitga. Ik zit gevangen in de automaat van de tijd. Ook deze tekst, die u zojuist gelezen heeft in het ‘nu’ dat weggleed in het verleden terwijl u aan het lezen was, is herschreven en zo ‘als vanzelf’ ontstaan. Het is inmiddels 25 jaar geleden dat de Muur is gevallen. Als de tijd zich verwijdert, komt hij je tegemoet. Als hij voorbijgaat, staat hij stil. Zo is het leven. Diepe rust in een stroom van verandering. Perfect day. 

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)