Geert Duintjer, de dood voorbij

mmmmm

Gisteren werd Geert Duintjer begraven op de begraafplaats van Odoorn in Drenthe. Het was stil. De mensen stonden in een kring rondom het graf. Aan mij was gevraagd om iets te zeggen over de mens en de kunstenaar Geert Duintjer. Dit was mijn verhaal.

*

In de dertig jaar dat ik in Friesland werkzaam was, heb ik Geert als kunstenaar leren kennen, maar daarnaast vooral ook als mens. De kunstenaar en de mens waren bij Geert nooit te scheiden. Ze vielen letterlijk samen in alles wat hij ondernam. Ook in de projecten waar hij mij bij betrok. Dan sleepte hij me mee terwijl ik ongemerkt verstrikt raakte in die raadselachtige, labyrintische, wereld waarvan hij zelf alleen de ingang en de uitgang leek te kennen.

Zijn kunst leek vaak moeilijk toegankelijk. ‘Wat jij maakt lijkt nergens naar,’ zei ik hem wel eens. En zo was het ook. Maar wie goed keek en luisterde wist dat Geert een bijzonder kunstenaar was: eigenzinnig, scherpzinnig, liefdevol en begaafd met een uiterst gevoelige intuïtie. Hij was een kunstenaar die de moed had om de grote thema’s van het bestaan in zijn werk aan de orde te stellen. In zijn kunst verkende Geert de grenzen tussen het dierlijke en het menselijk leven, tussen het normale en het paranormale, tussen de geest en de materie, tussen kunst en tovenarij, en niet in de laatste plaats: de grens tussen leven en dood.

Sinds het moment dat ik van Maari hoorde dat Geert er niet meer is, kwam een stroom van herinneringen bij me boven. Herinneringen aan projecten en performances op wonderlijke locaties waar ook in het land, in een binnenstad, op een parkeerplaats in een dorp, op een braakliggend terrein, in een leegstaande melkfabriek of in een reizende kunstcontainer. In al die herinneringen kwam telkens weer de grens tussen leven en dood heel even in beeld, soms verborgen in een subtiele verwijzing, maar soms ook heel lijfelijk en confronterend.

Zo herinner ik mij de eerste keer dat ik Geert ontmoette. Dat was in oktober 1978, toen hij een project uitvoerde in de binnenstad van Leeuwarden. Een week lang was hij in een leegstaand winkelpand bezig geweest met een reeks rituele handelingen die voor de nietsvermoedende voorbijgangers wellicht een duister karakter moet hebben gehad. Er werd iets gedaan met de geprepareerde kadavers van vogels, die – zoals later bleek – voornamelijk het slachtoffer waren van het verkeer.

Al deze handelingen werden – zoals zo vaak in zijn werk – met uiterste precisie uitgevoerd. Als ging het om de magie van een sjamaan die de dood tot leven wilde wekken. Het gestorven vlees moest kennelijk weer met de levende geest worden bezield. De dode vogels moesten weer vliegen.

De laatste dag zou dit alles om drie uur ‘s middags worden afgesloten met een performance. Toen ik op dat uur kwam kijken, kreeg ik voor ik het wist, door Geert een draagbare stellage in mijn handen gedrukt. Hij was zwaar en ik stond aan het ene uiteinde. Dode vogels hingen aan een spiegel en onder het luid gedreun van onheilspellende klanken werd met behulp van pek en veren een rituele handeling uitgevoerd. In het midden van de stellage zat een spiegel en boven mijn hoofd hingen de vogels in een strop, alsof ze aan galgen gehangen waren.

Het project zou zijn afsluiting krijgen op de Brol, een brede brug in het oude centrum van Leeuwarden, waar – zoals Geert had ontdekt – in de zeventiende eeuw galgen hadden gestaan. We liepen over de Voorstreek. Op de Brol stond het inmiddels zwart van de mensen die zich in een wijde kring om ons heen schaarden. Voor 
mijn gevoel duurde het uren. Ik kon geen stap meer verzetten. Mijn polsen gingen
pijn doen en wat erger was, het kadavervocht van de vogels druppelde langzaam in mijn mouw.

Plotseling was alles afgelopen. Op het juiste moment brak de spiegel en viel de stellage in duigen. Levende vogels werden losgelaten uit kooien en vlogen uit boven de Brol. Het
gevoel van bevrijding dat zich toen in het publiek ontlaadde was voor mij een fysieke ervaring.

contract huubmous.nl0047 kopie

Geert Duintjer, binnenplaats Infirmerie, 2003

Het laatste project dat ik mij van Geert herinner vond plaats in september 2003, op de toen nog onbebouwde binnenplaats van de Infirmerie in Leeuwarden. Dat carrévormig gebouw is in de 19de eeuw gebouwd als een militair ziekenhuis. Op de binnenplaats stonden nog de restanten van een klein mortuarium, een huisje waar ooit de lichamen van overleden soldaten tijdelijk werden opgebaard. Een week lang verdiepte Geert zich in de geschiedenis en de ziel van deze bijzondere locatie. Wederom merkte ik dat hij uiterst gevoelig was voor plaatsen waar de dood ooit aanwezig is geweest.

En weer wekte hij de indruk dat hij vermoedde dat er een vorm van communicatie mogelijk was met iets wat aan de andere kant van de grens, aan gene zijde er nog zou kunnen zijn. Tijdens deze performance, die hij uitvoerde in het kleine mortuarium, had hij een soldatenuniform aan. In deze afgesloten ruimte bouwde hij zijn eigen binnenwereld, een soort maquette van zijn ziel, iets wat niemand kon zien. Alleen schimmige beelden van dit tot leven gewekte interieur verschenen in de duistere gangen van het gebouw, waar zij werden geprojecteerd tijdens een nachtelijke rondgang voor de bezoekers. Ook dit kunstwerk ging letterlijk over de grens tussen leven en dood.

Ik kan me niet aan de indruk onttrekken, dat wij hier vandaag, nu wij definitief afscheid nemen van Geert, wederom in een performance van hem zijn beland. Misschien is dit wel zijn laatste werk, nu hij de laatste grens daadwerkelijk heeft overschreden: het point of no return. Geert is er niet meer. Zijn stijl was die van een kunstenaar die met zijn hoofd door een spiegel heen wil breken. Wat hem in zijn kunst uiteindelijk niet lukte, heeft het leven zelf hem nu getoond.

Maar ook het leven was voor Geert kunst. In beide ging hij tot het uiterste, met de moed en de gedrevenheid, de precisie en de intuïtie, de kracht en de liefde die weinig stervelingen beschoren is. Geert was een groot kunstenaar, maar vooral een teder en kwetsbaar mens.

Hij wist dat er in schoonheid troost is te vinden, de troost die de kunst te bieden heeft. Hij wist ook dat er zoiets bestond als de ars moriendi, de kunst van het sterven.

Ik acht het niet onmogelijk dat juist dit laatste – het sterven – zijn beste en mooiste kunstwerk is geweest.

Reageren is niet mogelijk.