De blinde vlek van Kees Fens

‘Die nacht kwam ik alleen nog maar te weten,
dat de conciërge sliep. Hij was vermoeid
en had de cijfers in zijn hoofd vergeten.
Het lag gekanteld op een arm.’

De gasfitter is op verkenning uitgegaan bij het nieuwe 
flatgebouw, waarin hij later naar de hemel zal opstijgen. 
De conciërge hier beschreven, zal de huisbewaarder van 
dat flatgebouw zijn. De conciërge van de hemel heet in 
de traditie Petrus, die ook bij een ander beslissend moment 
van vermoeidheid in slaap viel. Wellicht klinkt dit alles 
te fantastisch; ik noem de mogelijkheden echter, misschien 
ziet een ander verbanden.

Aldus Kees Fens in zijn essay De onoverwinnelijke gasfitter, dat is opgenomen in de bundel Tussentijds (1972). De ballade van de gasfitter (1953) is een gedichtencyclus bestaande uit 14 sonnetten waarin Gerrit Achterberg het leven van een gasfitter beschrijft. Het is een reeks duistere gedichten die aanleiding heeft gegeven tot allerlei diepzinnige interpretaties. En interpreteren, dat was juist waar de literatuurcriticus Kees Fens een broertje dood aan had. In de jaren zestig had hij een lans gebroken voor de formele literatuurbeschouwing. Close reading heette dat. In Nederland kreeg deze objectieve en intrinsieke benadering van literatuur en poëzie zijn vertaling in de opkomst van de groep rond het tijdschrift Merlyn (1962-1965) onder leiding van Kees Fens, H.J. Jessurun d’Oliveira en J.J. Oversteegen.

Vanuit deze optiek had de literatuurbeschouwer primair te maken met een tekst of een oeuvre dat in zijn eigen termen geduid moet worden. Niet alleen de tekst is een black box, maar ook het brein van degene die de tekst analyseert. Deze immanente literatuurbeschouwing kwam voort uit ‘the linguistic turn’ in de filosofie, waarbij definitief afstand werd gedaan van een ’pneumatische opvatting van het denken’. De afkeer van interpretatie, die centraal stond in ‘the new criticsism’ en de daaraan verwante stromingen die in de jaren zestig zich aandienden, kan men in verband brengen met de taalfilosofie van Wittgenstein. In zijn boek Filosofische onderzoekingen stelt hij:

‘En wij mogen geen theorieën opstellen. Onze beschouwingen mogen geen hypothetische elementen bevatten. Alle verklaringen moeten terzijde geschoven worden en dienen plaats te maken voor beschrijvingen, en beschrijven alleen. (…) De problemen worden niet opgelost door het aandragen van nieuwe gegevens, maar door 
dingen die allang bekend zijn met elkaar in verband te brengen.’

‘Filosofie,’ zo stelde Wittgenstein, ‘is een gevecht tegen de beheksing van ons verstand door de instrumenten van onze taal.’ Ondanks zijn grote schroom voor het interpreteren op basis van externe gegevenheden, herkende Kees Fens in Achterbergs Ballade van de gasfitter allerlei Bijbelse reminiscenties. Aan het slot van zijn essay bekroop hem dan ook een ongemakkelijk gevoel.

‘Misschien ben ik bij het lezen, herlezen en 
talloze malen herlezen van Achterbergs Ballade van de 
gasfitter dat gewone lezen niet helemaal verleerd (al ben ik 
wellicht aan het gevaar van het zien van te veel bodems 
niet ontkomen). Ik moet althans bekennen, dat de sonnettencyclus me ook nu nog fascineert en vooral: dat hij die 
raadselachtige gloed heeft gehouden die lezing van deze 
cyclus zo aantrekkelijk maakt.’

De Ballade van de gasfitter van Gerrit Achterberg is een van de merkwaardigste reeks gedichten uit de naoorlogse Nederlandse literatuur. Het zou gaan om een onvervuld verlangen naar een onbereikbare geliefde, maar het zou ook kunnen gaan om een allegorie van de psychisch gestoord verklaarde dichter, een gang door de duistere krochten van psychiatrie. De directeur het gasfittersbedrijf zou ook zomaar de directeur van de psychiatrische inrichting in Avereest kunnen zijn, waar Gerrit Achterberg was opgenomen.

I
Gij hebt de huizen achterom bereikt.
Aan de voorgevels, tussen de gordijnen,
Blijft ge doorlopend uit het niet verschijnen
Wanneer ik langs kom en naar binnen kijk.

Al moet ge in ’t voorbijgaan weer verdwijnen,
Het volgend raam geeft me opnieuw gelijk.
Daar wonen ene Jansen en de zijnen,
Alsof ge mij in deze naam ontwijkt.

Maar dat zegt niets. De deuren zijn geduldig;
Hebben een bel, een brievenbus, een stoep.
De appelkoopman lokt u met zijn roep.
En valse sleutels zijn er menigvuldig.
Ook kan ik binnenkomen, doodonschuldig
En tot uw dienst, gasfitter van beroep.

II

Dan – op klaarlichte dag bij u aan ’t werk,
vermomd als man van de gemeente – gaan
mijn ogen in het rond en zien u staan.
Maar langzaam wordt de zoldering een zerk.

De muren zijn van aarde. Wij beslaan.
De kamer is verzadigd, naar ik merk.
Het kan ook niet. Ik draai de schroeven aan.
Zolang ik mij tot deze taak beperk

blijven we voor elkaar incognito,
terwijl ik bezig ben, gebukt, geknield,
of op mijn buik naga wat eraan scheelt.
En al maar denken: het is beter zo.
Doodzwijgen door een hamerslag vernield.
Doodslagen die de hamerslagen heelt.

Tja, ga er maar aan staan om dat een betekenis te geven, of beter gezegd om dat niet een betekenis te geven. Kees Fens wringt zich in zijn essay over deze gedichtenreeks in allerlei bochten om niet in de fuik van de theologische of psychiatrische interpretatie te schieten. Achterberg speelde met de theologie, of beter gezegd hij speelde met de theologie na de dood van God. En zo schrijft Fens over alles, behalve dit ene vers waarin Achterberg expliciet naar God verwijst. God is het gat dat de gasfitter moet dichten. Het is de hedendaagse taak van de dichter, een taak die de dichter niet vervullen kan. De poëzie is onmachtig om de theologie te vervangen.

God als leegte is een kernthema in de theologie. Als Gods afwezigheid intensief ervaren wordt, is het de omkering van God die op de voorgrond treedt. In deze goddeloze ervaring van de werkelijkheid kan God zich plotseling aandienen als een leegte, ‘de lege plek waar hij precies in zou passen’, zoals Frans Kellendonk het later heeft genoemd. Ook Reve kende die vervreemdende ervaring van een leegte die juist in de contouren van Gods afwezigheid, het heimwee naar God benadrukt. In gedicht IX van de Ballade van de gasfitter schrijft Achterberg het volgende :

IX

Hoe hoger of ik stijg hoe groter wordt
de ruimte tussen u en mij. Het leven
voelt zich door nikkel en door staal omgeven,
Het bouwsel komt geen klinknagel te kort.

Hier zit geen gas. God is het gat en stort
zijn diepten op mij uit om te beleven
aan een verwaten fitter hoe verheven
hijzelf bij iedere etage wordt.

Verdieping na verdieping valt omlaag.
Ik weet niet waar of wat ik moet beginnen.
Misschien schiet me een laatste woord te binnen
als ik hem naar de eerste oorzaak vraag.
Een schok gaat door mij heem. Ik moet er uit
en geef het over aan zijn raadsbesluit.

Achterberg was een ‘psychopaat’, zoals dat in zijn tijd werd genoemd. Na zijn veroordeling in 1938 voor de moord op zijn hospita – in bijzijn van haar dochter – verbleef hij een aantal jaren in de Rijks Psychiatrische Inrichting te Avereest. Het is nooit precies duidelijk geworden waarom die moord door Achterberg werd gepleegd. Hij zou op zijn kamer betrapt zijn bij het masturberen. Er zou een seksuele relatie hebben bestaan met een van de betrokkenen, maar zeker is dat allemaal niet.

Naast de Willibrordusstichting in Heiloo – waar ik zelf in de jaren zestig een paar maanden ben opgenomen geweest – was  de psychiatrische inrichting in Avereest dè plek waar in Nederland castraties werden uitgevoerd op seksuele delinquenten. Na zijn opname is in Avereest is in de poëzie van Achterberg vaak een relatie herkend tussen het ‘ik’ en de ‘gij’ die in het gedicht figureren. De ‘ik’ zou samenvallen met de dichter en de ‘gij’ zou verwijzen naar de de ‘gestorvene’ of de ‘gestorven geliefde’ die tot leven moet worden gewekt al een Eurydice die door het gezang van Orpheus uit uit de onderwereld, de dood, moet worden bevrijd.

Kees Fens onderzoekt in zijn essay heel nauwkeurig de woorden ‘ik’ en ‘gij’ in de Ballade van de gasfitter van Achterberg. Waar verwijzen deze woorden naar, puur op basis van de context? Dat is een manier om poëzie te benaderen die uiteindelijk nergens toe leidt. De vermeende kracht van deze gedichten zit juist in de suggestie die zij niet waar kunnen maken, de magisch-religieuze waas, het quasi-diepzinnige, de ophanden zijnde onthulling die zich niet voltrekt. Zo was Kees Fees met al zijn theologisch bagage uiteindelijk blind voor de gekunstelde theologische betekenislaag in deze poëzie. Hij zat zich zelf in de weg om Achterberg werkelijk te kunnen begrijpen, of beter gezegd: te kunnen ontmaskeren.

De taal wordt bij Achterberg een eigen werkelijkheid, waarin de verloren geliefde tot leven wordt gewekt na de dood van God. De vrijgekomen levensenergie wordt omgezet in woordenergie om aldus de gestorven geliefde te doen herrijzen. Dit proces van evocatie is performatief. De taal wordt een taaldaad. Poëzie wordt een gebeuren. Dit existentiële gebeuren lag ten grondslag aan deze poëzie van de incarnatie. In het woord moest het absolute geïncarneerd worden. Niet beschrijven, maar schrijven, dat was het adagium. Zo’n gedicht heeft geen onderwerp, maar is zelf het onderwerp. En het was juist deze performatieve taaldaad die ook de christelijke woordverering te herkennen was.

‘Het woord is vlees geworden’, scheef de evangelist Johannes al. In die zin was de hermetische poëzie van Achterberg op te vatten als theologisch geknutsel na sluitingstijd. Achterberg schreef quasi-religieuze poëzie in een tijd dat het atheïstische existentialisme hoogtij vierde. Achterberg 
nam de overwinning op de dood in eigen handen. Hij schreef grote poëzie, zo werd alom beweerd. Hoe cryptischer, hoe mooier, want zo kon men in deze duistere verzen een surrogaat vinden voor de religie, die in het nauw was gedreven door de oprukkende wetenschap en moderniteit. Achterberg wist dat en profiteerde ervan. In zijn poëzie klonk de laatste echo van een verdwenen God. De houdbaarheidsdatum van God was inmiddels allang verstreken, maar de poëzie van Achterberg ging erin als koek. Ook bij Kees Fens.

Zie ook mijn blog: Een overschat dichter

.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)