De mythe van Ids Willemsma

‘De krant wilde de advertentie niet bij de an
dere familieberichten plaatsen. Ik protesteer
de en zei dat er wel eens mensen op die pagi
na staan, die tijdens hun leven echt ‘minne 
hounen’ waren. En Goya was een beste hond. 
Voor half geld hebben ze de advertentie toen 
tussen de tweedehands fietsen, brommers en 
naaimachines geplaatst. Een halve schoenendoos brieven was het ge
volg. Wat ik wel niet meende en dat God echt 
geen honden in de hemel wilde hebben. Boze 
christenen dus, maar ik kreeg ook kaarten 
van medeleven, omdat ik mijn kameraad 
moest missen. Als aandenken aan Goya kocht 
ik een elpee met het strijkkwintet van Franz 
Schubert.’

Aldus tekende Pieter de Goot op uit de mond van Ids Willemsma in diens monografie die twee jaar geleden verscheen. Ik kan me die rouwadvertentie van Goya nog goed herinneren. Zelf had ik hem over het hoofd gezien, maar Jaap Castelein, mijn toenmalige collega bij de Fryske Kultuerried, wees mij erop. Jaap Castelein vond destijds dat deze advertentie ooit nog eens zou worden gememoreerd als een belangrijke gebeurtenis. Het was was volgens hem een historisch moment als het gaat om het menselijk respect voor het dier. In zekere zin heeft hij daarin gelijk gehad. Aandacht voor het dier is tegenwoordig meer een geaccepteerde zaak als dertig jaar geleden. In 2002 werd de Partij voor de dieren opgericht en dat was in 1985 nog ondenkbaar.

Dieren betekenen veel voor Ids Willemsma, ook in zijn werk waarin hij zich vaak laat inspireren door dieren. Ook de dood is een belangrijk motief voor hem. De dood en het dier kwamen in 1985 even samen in deze taboedoorbrekende rouwadvertentie. In dat opzicht lijkt Ids Willemsma wel iets op Gerard Reve. Eenals Reve dat had in zijn Friese periode heeft ook Willemsma  een doodskist in zijn woonkamer staan, met dit verschil dat hij de zijne zelf uit staal heeft gelast. Evenals Reve is Willemsma een groot dierenliefhebber. Reve heeft wel eens beweerd dat als er een hiernamaals zou bestaan dit ook voor de dieren toegankelijk zou moeten zijn. Alle dieren moeten erin kunnen en niet alleen ‘de katholieke dieren’, waarvoor Reve een speciale voorkeur had. Ids Willemsma houdt vooral van vogels, en met name watervogels, maar ook van honden geiten en kippen. Maar als het moet slacht hij ze ook zelf. Op een gegeven moment is ook een dier ‘foar de dea’, zoals de Friezen dat zeggen.

 

De dood is het negatief van het leven en in die zin een onlosmakelijk onderdeel van de natuur. Plus en min, vorm en tegenvorm, gestalte en schaduw, man en vouw, mens en dier, verticaal en horizontaal…. telkens weer is er in het werk van Ids Willemsma die tweedeling van opposities. Het is de programmeertaal van de natuur die als een rode draad zijn oeuvre herkenbaar is. Zoals Mondriaan zijn idioom van haakse lijnen stap voort stap destilleerde uit het schilderen van een boom, zo lijkt bij Willemsma het dier als matrix voor zijn vormentaal te hebben gediend. Terug naar de essentie van de natuur: ‘the less is more’. Dat was in de kern modernistisch erfgoed dat zich zo makkelijk liet verbinden met een begrip als identiteit. Met name nuchtere Nederlanders heeft die gedachte altijd sterk aangesproken. En Friezen zagen zichzelf in dat perspectief vaak de Hollanders in het kwadraat.

De Friese identiteit, die zo duidelijk herkend werd in het werk van Willemsma, was uiteindelijk een functie van een proces van vertraging. Het werd herkend in iets ogenschijnlijk nieuws, dat elders al op het punt stond te verdwijnen. Niet alleen in zijn strakke en sobere kunst, maar paradoxaal genoeg ook in zijn flamboyante persoonlijkheid kwam bij Ids Willemsma het ideaalbeeld naar voren van een typisch Fries kunstenaar, zoals dat ook telkens weer bevestigd werd in de publiciteit. In dat beeld kon zich ‘de Friese mythe van de door de natuur begenadigde kunstenaar’ opnieuw manifesteren. Nog eenmaal, op de valreep. Niet meer als ‘de eenzame wandelaar’ die ogenschijnlijk blindelings zijn weg vindt, zoals Benner dat kort na de oorlog was geweest, maar nu als de Friese natuurmens bij uitstek, een oermens heel dicht bij de natuur,  die één is met zijn directe leefomgeving en kunst voorbrengt die de natuur het meest nabij is. Ids Willemsma maakt Friese natuurkunst die nog modern is ook. Het is een wonder. Het is een mythe!

De mythe van het kunstenaarschap, zo beweert Camiel van Winkel in zijn gelijknamige essay uit 2007, lijkt een maatschappelijk belang te dienen. Die mythe is een hybride mengsel van klassieke romantische en moderne rolpatronen die de kunstenaar in zich verenigt. Het is een mythe waarin iets doorschemert van het ideaaltype van de universele mens die in feite niet meer kan bestaan, zo hij al ooit heeft bestaan. ‘De representatie van de kunstenaar als een soevereine mens – als de universele mens – bevestigt het burgerlijke ideaal van scheppingsdrang en belangrijkste menselijke eigenschappen.’ Als die analyse een kern van waarheid bevat, dan is de mythe van de Friese kunstenaar een ideaalbeeld bij uitstek, dat zich telkens weer in een nieuwe gedaante manifesteert. Ids Willemsma leek in de jaren tachtig als laatste Friese modernist die mythe nog één keer te belichamen, zelfs – of misschien wel bij uitstek – in een tijd dat de tijdgeest zich tegen zich hem keerde. Maar de mythe van Ids Willemsma was sterker dan de tijdgeest.

Friesland heeft iets met mythen. Sterker nog, de laatste mythe van Friesland is Friesland zelf, it beste lân fan de ierde. Mythen hebben eigenaardige eigenschappen. Ze laten voortdurend het historische als iets natuurlijks verschijnen. Zij transformeren het nieuwe in terugkerende vormen en geven aan het toevallige een aureool van eeuwigheid. Kortom, mythen laten de werkelijkheid zien alsof zij altijd zo was en ook altijd zo zal blijven. Alleen al om die reden was Ids Willemsma de aangewezen kunstenaar om een monument te vervaardigen voor Foekje Dillema, de atlete die in 1950 werd geschorst vanwege haar vermeende mannelijkheid. Foekje liep 200 meter in 24 seconden. Ze was ze sneller dan wie dan ook, zelfs sneller dan Fannie Blankers-Koen. Maar de echtgenoot van Fannie, Jan Blankers die bobo was bij de KNAU, haalde een smerige streek uit. Hij eiste een seksetest en Foekje viel door de mand.

Ook Foekje Dillema is een Friese mythe. Ze heeft alles in zich wat een Friese mythe vraagt. Foekje is de eeuwige tweede. Foekje is ook de miskenning ten top. Foekje is de gekoesterde miskenning. Een miskenning die gegrond is maar die nooit meer is recht te zetten. Dat is het verdriet dat geen uitweg meer kent en alleen nog zijn weg vindt in de eeuwige cultivering van het eigen gelijk. Foekje was de beste maar mocht dat niet zijn. Foekje is belazerd door de Hollanders. Foekje zag er niet uit en juist dat bepaalt haar innerlijke schoonheid. Foekje was geen man en geen vrouw. Foekje was niet eens en mens. Foekje was een Übermensch. En zelfs dat mocht ze niet wezen. Foekje is het verdriet van Friesland. Foekje ís Friesland.

Ik weet nog goed wanneer ik voor het eerst van Foekje Dillema hoorde. Dat was ook in 1985 . Jaap Castelein vertelde mij in dat jaar voor her eerst iets over haar tragische leven. Jaap Castelein was gevoelig voor de Friese mythologie. Als oprichter van het Frysk Festival heeft hij grote producties geproduceerd waarin de Friese mythe tot uiting kwam. De musical Mata Hari bijvoorbeeld, maar ook de opera Rixt en de Friese speelfilm over de Hogerhuiszaak: De Dream. Jaap Castelein droomde er van ooit nog eens een opera over Foekje Dilemma te laten maken. Ook werd in 1995 in het kader van het Frysk Festival een muziekspektakel opgevoerd een ander Friese mythe bij uitstek: Abe Lenstra, en dat in het Abe Lenstra stadion, naar een idee van Bouke Oldenhof en onder regie van Jos Thie.

 

Jaap Castelein had een uiterst gevoelige antenne voor de Friese mythologie.  Zelf ligt hij begraven op de begraafplaats van Wartena, Zijn laatse rustplaats is gemarkeerd door een grafmonument dat ontworpen is door Ids Willemsma.  Jaap Castelein wist wat het was het was om de eeuwige tweede te zijn. Zijn vader had ooit de Elfstedentocht gewonnen maar werd uiteindelijk als tweede gekwalificeerd, omdat Abe de Vries – al dan niet ten onrechte – tot winnaar werd uitgeroepen. Dat drama hing als een schaduw over zijn leven, zoals de Friese mythe als een schaduw over Friesland hangt. De Friese mythe is het verdriet van Friesland

Friezen zijn uiterst gevoelig voor het drama van de eeuwige tweede. Friezen hebben iets met het fenomeen van de gekoesterde miskenning. Dat is nu juist de kern van de Friese held of heldin, de voedingsbonden van de Friese mythologie. Het zit in Mata Hari, het zit in Rixt, het zit in de Hogerhuiszaak, het zit in Abe Lenstra. Het zit ook bij uitstek ook in het drama van Foekje Dillema. Om dat drama te verbeelden in een monument, daar heb je een echte Fries voor nodig die gevoelig is voor de Friese mythologie en bovendien hard op weg is om zelf ook een Friese mythe te worden. De mythe van Ids Willemsma is de mythe van de Friese kunst. Verdriet is de bodem van schoonheid.

 

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)