Een gezond Don Quichottisme

Gisteren ben ik bezig geweest met de voorbereiding van de bustocht op vrijdag a.s. langs de kunstwerken van Ids Willemsma in Friesland. Deze ‘Ronde van Ids’, die georganiseerd wordt door Museum Belvedère, is volgeboekt, zo heb ik begrepen. Voor mij wordt het een beetje een sentimental journey, niet zozeer omdat ik deze bustocht al eens eerder heb gemaakt. in 2001, maar vooral omdat de beelden van Ids Willemsma bij mij veel herinneringen oproepen. Bij de realisatie van veel van deze kunstwerken in het publieke domein ben ik zelf betrokken geweest, in de advisering en/of begeleiding van de opdrachtgevers. Soms ging die betrokkenheid ongewild over in publieke confrontaties of protestacties, want bij vrijwel elk beeld van Ids was er stront aan de knikker.

Te beginnen natuurlijk met het ‘Dong-project’ in 1985, waarbij ik op een zomeravond in Vrouwenparochie oog in oog kwam te staan met een cordon opstandige boeren gewapend met mestvorken, die de ‘mestcontainer’ van Ids niet in hun dorp wilden hebben. Zo’n tien jaar later raakte ik betrokken bij een protestactie tegen de plaatsing van windturbines bij ‘de tempel’ van Ids op de zeedijk bij Marrum. Ids had mij gevraagd of ik een protestmanifestatie wilde organiseren. Samen met Anne Feddema heb ik toen een dergelijke manifestatie op touw gezet in een grote boerenschuur ergens in de buurt van Marrum. Tientallen Friese dichters, muzikanten en kunstenaars gaven met een optreden acte de présence.

Het mocht niet baten. Na jaren procederen zijn de windturbines er uiteindelijk toch gekomen, al was deze actie wel aanleiding voor de oprichting van het comité Gjin romte foar wynhannel. Eerder al, op 6 april 1995, had ik de noodklok geluid met een ingezonden stuk in de Leeuwarder Courant, waarin ik had gepleit voor ‘een gezond don quichottisme’ in de strijd tegen windmolens. Gisteren vond ik die tekst terug – niet de minste die ik ooit geschreven heb.  Bij deze publiceer ik die tekst nog maar eens op mijn weblog, want de strijd tegen de windmolens is nog altijd actueel. De geest van Don Quichot waart ook vandaag rond in Friesland met zijn onmetelijke ruimte. Ids wist en weet daar alles van. Ik was soms even zijn Sancho Panza.

De gemeente Ferwerderaddeel is van plan negen windturbines te plaatsen in de nabijheid van de ‘tempel’ van 
Ids Willemsma op de zeedijk. 
De ruimtelijke beleving van dit kunstwerk dreigt hierdoor ernstig te worden verstoord. 
Inmiddels heeft zich een actiecomité gevormd om dit onzalige plan te keren.

Daarvoor is het nog net niet te 
laat, maar de ambtelijke 
molens draaien inmiddels wel 
door. Eerder al werd een 
negatief advies van de 
stichting Hûs en Hiem door 
de gemeente genegeerd. Een 
bezwaarschrift van de 
kunstenaar zelf, waarin hij 
zich beriep op de auteurswet, 
werd vervolgens terzijde 
geschoven. Eind mei beslissen 
Provinciale Staten over de 
laatste verklaring van ‘geen . 
bezwaar’. Daarna blijft voor de kunstenaar alleen nog de 
mogelijkheid over om naar de rechter te stappen.

Wat is de kans van slagen bij zo’n 
gerechtelijke procedure? De 
auteurswet biedt in dit opzicht 
weinig houvast.’ Krachtens het 
artikel 25 van deze wet kan een 
kunstenaar zich beroepen op zijn 
zogeheten ‘droit moral’. Hij kan 
opkomen tegen ‘misvorming, 
verminking of andere aantasting van het werk, welke nadeel zou kunnen toebrengen aan de eer of 
de naam vän de maker of aan zijn 
waarde in deze hoedanigheid’. Sinds het begin van de jaren 
zeventig hebben kunstenaars 
zich met wisselend succes op dit 
artikel beroepen, als bleek dat 
anderen hun werk hadden vernietigd, verwijderd, overgeschilderd of de omgeving daarvan 
onherstelbaar hadden aangetast. 
Ook vooraf werd naar de rechter 
gestapt, als iemand te kennen gaf 
dit soort dingen te gaan doen. 
Het ‘droit moral’ is bedoeld om 
de kunstenaar te beschermen 
tegen aantasting van de artistieke 
integriteit van zijn werk.

Maar ook de auteurswet kent 
zijn mazen. Uit maatschappelijk oogpunt is dat op zekere hoogte misschien ook wel redelijk. Zeker 
bij monumentale kunst zijn
andere belangen in het geding 
dan alleen die van de kunstenaar 
zelf. Je kunt niet voor elk kunstwerk in de openbare ruimte het 
eeuwige leven opeisen.

Beslissend echter is de vraag 
wanneer je daadwerkelijk van 
verminking kunt spreken. Gaat 
het hierbij alleen om het kunstwerk zelf of ook om de omgeving 
daarvan? En hoe groot kan dit 
territorium dan wel zijn? Kortom, waar eindigt het kunstwerk 
en begint het landschap? De 
gemeente Ferwerderadeel 
beroept zich in haar antwoord op 
het bezwaarschrift van Ids Willemsma met name op de rekbaarheid van deze begrippen. Het oprichten van windturbines zou 
weinig afbreuk doen aan de 
openheid van het landschap. Er 
zou ook geen sprake zijn van enige ‘verdichting’, omdat de windturbines gemiddeld zo’n 200 
meter van elkaar af komen te staan. “Door de ruime afstand 
kan gemakkelijk tussen de windturbines door gekeken worden”, 
zo wordt letterlijk beweerd.

Hoe plausibel de argumentatie 
ook klinkt, in deze laatste zin 
gaat er iets grondig mis. Wie de 
’tempel’ van Ids Willemsma met 
eigen ogen heeft gezien, weet wat 
het is om de contouren uit de verte gewaar te worden als een kleine verstoring van de horizon. Het zicht wordt alleen toe op 
natuurlijke wijze belemmerd, 
door de aanwezigheid van een 
boerderij, een paar woningen of 
een enkele boom. Vervolgens 
kun je het werk langzaam uit verschillende gezichtspunten naderbij zien komen. Het gaat hierbij 
niet zozeer om het kunstwerk op 
zichzelf als wel om een ‘totaal-
ervaring’ van het landschap, die 
door het kunstwerk op schitte
rende wijze wordt geaccentueerd. 
De blik wordt gevangen. Ze 
krijg .letterlijk een focus aan de 
horizon, waardoor het spel van 
perspectief en ruimte een bijna 
filmische beleving wordt.

Je moet er niet aan denken als 
historische cultuurmonumenten, die een vergelijkbare beleving 
van het landschap teweeg brengen, op dezelfde wijze door wind- 
turbines zouden worden verminkt: Stonehenge, de tempel 
van Paestum, de kathedraal van 
Chartres . De argumentatie 
van de gemeente wordt een beetje 
lachwekkend als je bedenkt dat je 
ook daar gemakkelijk tussen de 
molens door zou kunnen kijken. 


Wie ooit – komend vanuit het 
noorden – de kathedraal van 
Chartres heeft zien naderen 
boven de korenvelden van Normandië, weet hoe magistraal dit 
spel van perspectief en ruimte 
kan zijn. Het is – zoals BreI zingt – 
’mijn vlakke land waar kathedralen de enige bergen zijn’. Door de 
eeuwen heen hebben dichters en 
schrijvers uit deze ‘horizon-erva
ring’ inspiratie geput. Een enkeling, zoals Charles Péguy, raakte 
zelfs in religieuze vervoering bij 
het uit de verte zien naderen van 
een kathedraal.

Ik wil niet beweren dat Ids Willemsma een ‘tempel’ heeft 
gebouwd, di zich in cultuurhistorisch belang kan meten met 
Chartres, Paestum of Stonehenge. Toch heeft de ruimtelijke 
beleving van dit werk wel degelijk een vergelijkbare dimensie. 
Het unieke zit in de weg er naar 
toe, in de panoramische marke
ring van een ongeschonden ruimte.  

Maar er is nog iets, waar gemakkelijk aan voorbij wordt gegaan. De huidige auteurswet dateert 
van 1912 en houdt geen rekening 
met ontwikkelingen in de beeldende kunst, die zich sinds de 
jaren zestig hebben voorgedaan. 
Hoe zit het bijvoorbeeld met het 
geestelijk eigendom als het toeval 
een cruciale rol speelt in het ontstaan. van een kunstwerk? Of 
sterker nog, wanneer het exact 
kopiëren van andermans beelden 
gebeurt vanuit een artistieke 
intentie? Ook binnen de monumentale kunst van vandaag hebben enkele vertrouwde 
begrippen veel van hun oude 
betekenis verloren. Zo is het renaissance-concept van een 
monument als ‘een geïsoleerde 
sculptuur op een sokkel’ in de 
afgelopen decennia op losse schroeven komen te staan.

Een hedendaags kunstwerk kan 
op meerdere manieren een relatie 
aangaan met de openbare ruim
te. Soms heeft die relatie betrekking op een landschap in zijn totaliteit. In een beroemd artikel 
’Sculpture in the expanded field’ 
uit 1979 heeft de Amerikaanse’ 
kunsthistorica Rosalind Krauss 
dit nieuwe territorium voor de hedendaagse kunst in kaart 
gebracht. Zij onderscheidt daarbij verschillende nieuwe posities 
tussen plek en landschap, variërend van sculptuur, ‘marked 
site’, ‘site-construction’ tot ‘Iand-art’.

Het is duidelijk dat de ‘tempel’ 
van Ids Willemsma ergens rechts 
op die glijdende schaal een plaats 
opeist. Dit kunstwerk vormt 
onmiskenbaar een eenheid met 
zijn omgeving. Het heeft een uitzonderlijke waarde, niet alleen 
uit artistiek, maar ook uit landschappelijk oogpunt. Het is te 
hopen dat de leden van 
Provinciale Staten daar straks 
net zo over denken. Een vleugje 
gezond Don Quichottisme is hier 
bij uitstek op zijn plaats. Dit 
kunstwerk vraagt om respect, zeker op deze plek, waar de kunst 
zichtbaar maakt wat onder onze 
ogen dreigt te verdwijnen: de 
unieke weidsheid van Friesland.

 

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)