Geparkeerd in Huissen

4 april, 1980(3)0001

Inter faeces et urinam nascimur,’ schreef Augustinus. We worden tussen poep en pis geboren. Dat is een ontluisterende wijsheid, waar geen speld tussen te krijgen is. Net als het levensmotto van wijlen mijn schoonvader: ‘Je wordt naakt geboren en gaat naakt de kist in.’ Anne Feddema, wiens vader kapper was, vertelde mij eens dat hij tussen het haar geboren was. Welnu, ik ben tussen vrouwen geboren. Vier zussen had ik en een moeder. Op deze foto zitten ze om me heen. Maar dat niet alleen, ook twee van mijn tantes: tante Marie en tante Door. Mijn moeder had nog een derde zuster, tante Luus, maar die is hier niet te zien. Misschien heeft zij de foto genomen. Hoe dan ook, tussen al die vrouwen zit ik, soeverein en ongenaakbaar, als de laatste keizer van China.

De organisatie van dit beeld lijkt zich heel natuurlijk op mij te concentreren. Ik ben het brandpunt waar de blik van de fotograaf zich op richt. Mijn moeder en mijn oudste zus Mariet vormen twee accolade-tekens links en rechts van mij. Daaromheen groeperen zich de overige figuren alsof ze daar door de hand van een schilder zijn neergezet. Het zwaartepunt van de compositie ligt iets rechts van het midden, geheel volgens de wet van de gulden snede. Voor de rest varieert ieder in houding en gelaatsuitdrukking, de blik gericht op de camera, vol aandacht, alsof men wist dat dit beeld de tijd zou gaan trotseren. Kijk, hier zitten wij. Zomaar in het bos en we blijven hier voor altijd zitten. Het moet ergens in de buurt van Arnhem zijn geweest. Mijn drie tantes woonden in Huissen, een klein plaatsje, vlak onder Arnhem.

Ik schat dat ik hier zo’n jaar of drie was. Het moet in de zomer van 1951 zijn. We waren kennelijk aan het fietsen. Mijn vader organiseerde in de vroege jaren vijftig vaak fietsvakanties. Zo herinner ik mij lange tochten door het hele land. We logeerden nooit in een hotel, want dat was te duur. Aangekomen op de plaats van bestemming gingen we weer met de trein naar huis. De dag daarop keerden we dan met de trein weer terug naar de plaats waar we gebleven waren, om van daaruit met de fiets weer verder te trekken.

Toen ik klein was, zat ik altijd bij mijn vader in een zitje voor op het stuur. Zo reden we ook wel naar Huissen. Dat was zo’n honderd kilometer vanuit Amsterdam. Op een keer reden we vroeg in de morgen weer terug, maar het weer sloeg om en de temperatuur daalde tot een bedenkelijk laag niveau. Even buiten Arnhem zei mijn moeder: ‘Hij wordt blauw, Durk, we moeten stoppen.’ Ze zijn toen maar op  de trein gestapt. Nee, het was niet altijd rozengeur en maneschijn. Maar voor het overige was ik natuurlijk een strontverwend kind.

Dat kun je ook wel zien op deze foto. Ik was een geschenk uit de hemel, een bevoorrechte stamhouder, uitverkoren door het lot, bestemd om het geslacht der Mousen te doen voortleven in een nieuwe tijd vol hoop en verwachting. Duizend wegen lagen open, maar juist in die eerste levensjaren schijnt de teerling geworpen te zijn, als we de psychologen mogen geloven. En toch, ik was een makkelijk kind. Vroeg zindelijk ook, misschien wel iets te vroeg. De poep en pis van Augustinus werden driftig weggepoetst. Mijn moeder las geen Doctor Spock en bovendien groeide ik op binnen dit gesloten cordon van instant-moeders die mij het gezonde verstand met de paplepel hebben ingegoten.

regenton

Huissen, begin jaren vijftig. Mijn vader is niet te zien. Hij nam de foto. Ik sta in het midden. Staand v.l.n.r.: Tante Marie, Tante Luus, mijn moeder, mijn oudste zus Mariet. Zittend: mijn zus Lucie, tante Door en mijn zussen Trees en Cornelie.

We spreken over de eindeloze jaren vijftig. Een tijd zonder horizon, vooral als de zomervakantie was aangebroken, want dan begon de eeuwigheid pas goed. In die lange zomermaanden werd ik vaak bij de tantes in Huissen ‘geparkeerd’. Mijn tantes waren ongetrouwd gebleven en al vroeg bij elkaar  wonen. Ze hadden een kast van een huis aan de Stephanus Huismanstraat nummer 3 – destijds ook wel Laak genoemd –  een lange laan met grote bomen aan de rand van de bebouwde kom. Huissen was in die tijd misschien wel het meest katholieke bolwerk in Nederland. Misschien op Bakhuizen na, die roomse enclave in Friesland, waar mijn vader werd geboren. Huissen is van oudsher een eigenaardig plaatsje geweest. In 1502 wilden de heerser van Gelderland de stad veroveren. Die aanval hebben de Huissenaren manmoedig weten te pareren. Later, na de tachtigjarige oorlog, werd het een katholieke enclave in het protestantse Nederland.

Er heerste in Huissen een wonderlijke stilte, alsof de tijd was stil blijven staan. Huissen had zwaar te lijden gehad onder de oorlog. Het lag precies in de frontlinie ten tijde van de slag om Arnhem. De Duitsers hebben hier een kampement gehad en de bevolking werd maandenlang geheel geëvacueerd. Ook mijn tantes moesten toen hun huis verlaten. Bij mij thuis staat nog altijd het penantkastje dat de oorlog in Huissen heeft overleefd en ik uiteindelijk heb geërfd. In het houten blad zit een grote barst die veroorzaakt werd doordat de Canadezen, die later het stadje bezet hielden, hier op hebben gekookt. Op de begraafplaats is een massagraf voor de omgekomen Huissenaren. De kerk werd zwaar getroffen door bombardementen en het heeft jaren  geduurd voordat de kerktoren weer kon worden opgebouwd. Overal kon je nog sporen zien waar de granaten destijds waren ingeslagen.

Eind jaren vijftig heb ik hier hele zomervakanties doorgebracht, zes weken lang. Ook begin jaren zestig kwam ik er vaak. Ik ken dit stadje dus als mijn broekzak. Tenminste, zoals het toen was. Het leven was er harmonisch, dicht bij de natuur. Groente en fruit kochten mijn tantes bij de boer en elk jaar werd alles in weckflessen gestopt voor een goedkope overwintering. In het portaal hing een klein kastje voor de drie missalen waarmee ze elke zondag ter kerke gingen. Mijn tantes stonden ’s ochtends al om zes uur op  en gingen ’s avonds om tien uur naar bed. Het leven verliep als een uurwerk dat steevast te strak was opgewonden. In de hoge gang van het huis hing een Fries staartklok waarvan het harde tikken de loodzware stilte hoorbaar maakte. Het rook er naar boenwas en in de vensterbanken stonden sigarendoosjes met DDT om de insecten te weren. Daar lagen dode muggen in.

Of het pedagogisch verantwoord was om een kind zolang op zichzelf te laten, hebben mijn ouders zich nooit afgevraagd. Ik had er zelf geen enkele moeite mee, want ik kon mijzelf uitstekend vermaken. Nu nog trouwens. Elke zomer, als ik bij Huissen logeerde, verdiepte ik mij in oude jaargangen van de Katholieke Illustratie. Mijn tantes hadden alle jaargangen sinds 1938 keurig ingebonden in gemarmerde kaften. Ze stonden in een kast boven op de grote zolder, waar ook de hele uitleen-inventaris van het  Wit-Gele Kruis stond opgeslagen. En zo zat ik tussen de po’s en ondersteken, krukken en beddenklossen, urenlang geheel verdiept in al die plaatjes. Daar in het halfduister kon ik als kind wegdromen. Plaatjes kijken is altijd mijn belangrijkste liefhebberij geweest. Later heb ik er zelfs mijn beroep van gemaakt.

In de Katholieke Illustratie zag je foto’s van de arme kindjes in Afrika, maar ook reportages over hoe het Witte Huis in Washington er uitzag of het Rode Plein in Moskou, of anders wel een beeldverslag van de zegenrijke vorderingen van de missie op Nieuw Guinea, waar nog koppensnellers waren en de missionarissen dus heel gevaarlijk werk deden. Pas onlangs realiseerde ik mij dat mijn gedwongen vakantieverblijven destijds in Huissen een praktische reden hebben gehad. Mijn jongste zuster Trees moest in 1958 en 1959 twee zware hersenoperaties ondergaan. Ik werd uit huis geplaatst, omdat mijn moeder in die tijd de handen vol had.

Nog altijd heb ikzelf enkele jaargangen van de Katholieke Illustratie in mijn bezit. De meeste dateren uit de jaren vijftig of het begin van de jaren zestig. Ik mag daar ook nu nog graag in bladeren, want zo kom je tot de merkwaardige gewaarwording dat de tijd niet verdwijnt, maar eigenlijk voor eeuwig stilstaat. Wij zijn het zelf die almaar voortrazen in de storm, maar het verleden staat voor eeuwig stil, en wie weet het heden ook. Het leven is immers eindig, maar de dood niet. Toen ik nog klein was fantaseerde ik dat het universum een wervelstorm van energie zou zijn. Het lichaam is slechts een tijdelijke constellatie, die zich als een golf van energie en gestolde moleculen voortplant door een fluïdum, waarin in alles in feite tijdloos stilstaat. Binnen dat fluïdum bestaat er immers geen tijd. Alleen wie leeft, ervaart de tijd als het razen van een wervelstorm, maar in het oog van deze orkaan staat alles stil. We zitten gevangen in een tyfoon van energie die ons meesleurt naar de verte. Weg uit het paradijs. Weg uit de moederschoot.

Als kind ben ik altijd wat stil en eenzelvig geweest, als enige zoon tussen vier oudere zussen, een nakomer die alles zag in een gezin dat beheerst werd door ouderen. Toen die cirkel om me heen wat groter werd bleef ik mijn omgeving waarnemen met de blik die niet van een kind was. Ik was alleen in een gesloten wereld van vrouwen die allemaal mijn moeder wilden zijn. Ik had een overschot  aan moeders. Ze duwden me terug diep in mezelf. En toch had ik wat je noemt een gelukkige jeugd. Zielsgelukkig, wat wil je nog meer. O eenzame gelukzaligheid. O gelukzalige eenzaamheid.

Door al die logeerpartijen leerde ik Huissen kennen als mijn broekzak. Tenminste, het dorp van toen. In het huis van mijn tantes stonden Mariabeelden en op de overloop hing een grote fles Lourdeswater. Mijn tantes  hadden iets met Lourdes. In de jaren twintig en dertig waren ze vaak mee geweest als ziekenverzorger op de treinbedevaart naar Lourdes. Ook mijn moeder, die de jongste was thuis, ging vaak mee. Op de overloop van het grote huis in Huissen stond en groot plastic Mariabeeld met daarin Lourdeswater dat na al die jaren bedorven moet zijn geweest. Maar Lourdeswater bederft niet, zo beweerden mijn tantes. Mijn moeder was daar niet zo zeker van.

Schermafbeelding 2014-08-13 om 17.10.31

De Telegraaf over de Huissense moordzaak, 25 september 1963

Tante Luus, de onderwijzeres, gaf les in het gebouw van de Cremerstichting, dat later leeg kwam te staan toen de nieuwe school gebouwd werd tegenover het nonnenklooster naast de kerk. In dat gebouw van de Cremerstichting heb ik nog eens een lijk zien liggen. Het lichaam was dood aangespoeld bij het Loo-veer en in een witte lijkzak verpakt. Tante Door, de wijkverpleegster moest vaak overledenen afleggen. Zo is ze in 1963 nog een keer bij een moordzaak betrokken geraakt. Een leraar in Huissen zou zijn vrouw hebben vermoord met een washandje in bad. Tante Door had het ontzielde lichaam aangetroffen, naakt en met natte haren en blauw plekken in de hals. Later moest ze nog getuigen voor de rechtbank in Arnhem. Het werd een grote zaak waarover breeduit verslag werd gedaan in de Telegraaf.  In Huissen gebeurde altijd wat. Alles was op orde en toch broeide er iets onder het oppervlak. Iets wat moeilijk te benoemen valt, maar onlosmakelijk verbonden lijkt met de eindeloosheid van die tijd.

bal

Ik speel met de bal, Huissen 1959

pasen in huissen

Met tante Door in de voortuin in Huissen, Pasen 1960.

Vorig jaar zomer was ik op bezoek bij mijn oudste zus in Arnhem. Na afloop ben ik nog even naar Huissen gefietst. De Huissensedijk ligt er nog, en zo reed ik langs de uiterwaarden waar nu een snelweg doorheen loopt. Eenmaal in Huissen kon ik het niet laten om het grote huis te bekijken, waar ik in de jaren vijftig vaak bij mijn tantes heb gelogeerd. Op het eind van de Kloosterlaan fietste ik weer de dijk op. Ik zag tot mijn ontzetting dat het prachtige uitzicht, dat je hier vroeger had op de Rijn in de verte, verloren is gegaan in een compleet verrommeld landschap. Er is veel veranderd tegenwoordig. Huissen is Huissen niet meer. Het stadje is helemaal dicht gebouwd. Het landelijk karakter van de omgeving met zijn Betuwse boomgaarden heeft langzaamaan plaatsgemaakt voor een drukke forensenplaats die geheel tegen Arnhem is aangebouwd. Gelukkig staat het Mariabeeld er nog. Onze Lieve Vrouw van Lourdes aan de dijk in Huissen.

Ik herinner mij dat ik hier samen met mijn vader wel eens wandelde. Mijn vader wilde dan altijd de Rijn zien. Zo liepen wij dwars door de uiterwaarden en klommen zo nu en dan over de boerenhekken om bij de zomerdijk te komen, waar de kribben ver de rivier in staken en rijnaken traag voorbij voeren. Dat was een hele wandeling, want Huissen ligt een flink eind van de rivier af. Zo raakten we ver van huis en zagen uiteindelijk in de verte Arnhem liggen, met daarachter de eerste glooiingen van de Veluwe. In dat soort herinneringen staat de tijd voor mij stil, alsof dat landschap er altijd al was en ook altijd zo zal blijven. Zelfs de stromende rivier leek voor eeuwig stil te staan.

4 april, 1980(3)0001
v.l.n.r.: Tante Marie, mijn moeder, mijn zus Trees, ikzelf, Tante Door, mijn zus Lucie en tante Luus

 

1 Reactie »

  1. Jan Zweers

    27 mei 2015 op 14:32

    Leuke sfeertekening van Huissen. Ik mis alleen de achternamen van uw tante en waar ze gewoond hebben in Huissen.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)