De Dapperstraat heeft nooit bestaan

In de jaren tachtig werd de Indische buurt volledig gerenoveerd. De meeste huizen gingen tegen de vlakte en het Sumatraplantsoen werd dichtgebouwd. In 1932 kwamen mijn ouders hier te wonen, op nummer 14 hs, nadat mijn vader opnieuw was overgeplaatst. Voor hem was het de tweede keer binnen een paar jaar tijd, dat hij zich in Amsterdam ging vestigen. Mijn moeder heeft het altijd jammer gevonden dat ze uit Den Haag weg moest. Ze woonden daar op loopafstand van het centrum. Bovendien was Den Daag voor de oorlog een hele mooie stad.

Dat kon je van de Amsterdamse Indische buurt niet zeggen. Eigenlijk heeft deze buurt nooit een goeie naam gehad. Nu nog niet. Er hing een grauwsluier over die buurt, vooral in die lange, smalle straten met hoge bebouwing, zoals de Balistraat en 1ste en 2de Atjehstraat. Die straatnamen, daar werd je ook niet vrolijk vrolijk van. Je zult geboren moeten worden op het Ambonplein of in de Surabajastraat. God bewaar me. Dan zou ik liever in de baarmoeder blijven. En toch, juist in de meest troosteloze buurten worden vaak dichterlijke geesten geboren. De dichter Bertus Aafjes bijvoorbeeld werd op 12 mei 1914 geboren in de Borneostraat 32 1-hoog. Ook zo’n straat in de Indische buurt waar je niet dood gevonden wilde worden. Misschien is troosteloosheid wel de grondvoorwaarde voor het het ontstaan van poëzie. In de herinnering wordt alles mooier dan het was. Je moet op de wereld zijn gekomen in werkelijkheid die nooit heeft bestaan.

Juist in de jaren dertig kwam bij menigeen de leegheid van het bestaan bloot te liggen. Het het zomaar er zijn, de gedachten die in je kop opkomen zonder zin en zonder oorsprong. Dichters maken dankbaar gebruik van namen van steden of straten die als amalgaam van klank en betekenis naar meer verwijzen dan de werkelijkheid alleen. What’s in a name? Het is niet de naam van een straat die poëzie oproept, maar de poëzie die de straatnaam wakker schudt. De poëzie ligt niet op straat, maar slaapt in een register van straatnamen. De naam ‘Indische buurt ’ stroomt kennelijk niet over van geluk. Er wordt wel eens beweerd dat het dichters verboden moet worden om gelukkig te zijn. Dichters horen thuis in een straat waar ze zich niet thuis voelen. In zijn boek In de Nederlanden zingt de tijd (1976) schreef Bertus Aafjes over het verval van de Indische buurt het volgende:

‘Wat ik wel zag ware de barsten die jaar na jaar in de huizen verschenen. Omdat de bouw van de huizen zo inferieur was vestigde zich daar ook een andere klasse: de arbeidersklasse. Toen op haar buurt de oude Indische buurt verouderde trokken veel middenstanders naar de Watergraafsmeer of elders en zonder nu direct te verpauperen kreeg de buurt in de ogen van de gemiddelde man langzaam maar zeker een veel lagere status die vandaag de dag haar vrucht afwerpt in een terreurgroep als de Hells Angels, die wonende in de Indische buurt, de stad onveilig maakt.’

Mijn ouders verhuisden in het najaar van 1932 naar het Sumatraplantsoen. Mijn oudste zus Mariet was inmiddels geboren. De winter van 1933 hebben ze hier doorgebracht, maar toen het voorjaar aanbrak, kwamen er verkiezingen. Opeens hingen overal achter alle ramen verkiezingsbiljetten en die waren allemaal rood of donkerrood. Hier en daar hing zelfs de rode vlag uit. Er woonden heel wat communisten in de Indische buurt. De communistische voorman  Jan Ceton was in die tijd onderwijzer aan de Bankaschool in de Bankastraat, niet ver van het Sumatraplantsoen. ‘Durk, we moeten hier weg.’ zei mijn moeder.

En zo gebeurde het ook. Later kwam ik met mijn vader nog wel eens op het Sumatraplantsoen. Even verderop lag het Flevopark, met daarvoor nog de Joodse begraafplaats met al die grafstenen die schots en scheef naar de hemel wezen. Troostelozer kon het niet. Daar in het Flevopark heb later nog wel eens, vlak na zonsopkomst – waarom weet ik niet – een hele vracht papier in het water gegooid: dagboeken, aantekeningen, teksten over mezelf. Ik schreef en ik schreef. Opeens was ik het zat. Dat weggooien van teksten was een ritueel dat ik mijn hele leven bij tijd en wijle heb herhaald. Weggooien. Bewaren heeft immers geen zin. Om niet, dat is het leven. Ook ben ik in dat park wel eens compleet uit mijn dak gegaan na een van de weinige keren dat ik echt stoned ben geweest na een nacht doorzakken met veel drank en marihuana. Ik ging daar uit mijn dak met Fransje Klink. God hebbe zijn ziel.

Op de hoek van het Sumatraplantsoen zat een kapper. Daar is mijn vader ook later altijd blijven komen, ik denk omdat hij zo goedkoop was. Ook gingen we later nog wel eens naar de Gerardus Majella kerk op het Ambonplein. Dat was een hele mooie kerk, in byzantijnse stijl gebouwd. Hij kwam in 1929 gereed en tijdens de bouw werd zelfs een moord gepleegd. Een leidekkerspatroon duwde zijn compagnon van de koepel. Dat was op 29 maart 1929, op Goede Vrijdag nota bene. Op zo’n godshuis rust geen zegen, zou je zeggen. De rechtszaak, die hieruit voortvloeide, hield begin jaren dertig heel wat journalisten van de straat. De verdachte werd uiteindelijk veroordeeld en zat zijn straf in het Huis van Bewaring in Leeuwarden. Eigenlijk was de Gerardus Majella kerk ook veel te groot en weelderig voor deze schamele buurt. Er waren altijd financiële problemen. Na de secularisatie in de jaren zestig ging het snel bergafwaarts. De kerk is gelukkig niet gesloopt. Tegenwoordig biedt het gebouw een onderkomen voor allerlei culturele instellingen.

 

Mijn moeder wilde heel graag naar de Watergraafsmeer, want daar werden in de jaren dertig mooie huizen gebouwd. Betondorp – het zogeheten ‘Tuindorp Watergrafsmeer’ – stond er al. Dat werd grotendeels tussen 1923 en 1925 gebouwd. Maar voor mijn moeder was dat geen optie, want ook Betondorp, waar de ouders van Gerard Reve eind jaren twintig kamen te wonen, was zo rood als een tomaat. Het liefst zou mijn moeder een nieuwe woning willen hebben, aan de rand van de bebouwing met uitzicht op de weilanden, maar die huizen waren nog niet klaar. Zo verhuisden ze in 1933 naar de Ptolemaeusstraat, een zijstraat van de Hogeweg. In de Watergraafsmeer, dus weg uit de Indische buurt. Het huisnummer in de Ptolemaeusstraat weet ik niet precies, maar ik denk dat het nummer 4 is geweest.

Het was een donkere bovenwoning, waar in 1935 mijn zus Cornelie werd geboren. Even verderop, in de Pythagorasstraat, zou ik in 1971 mijn latere vrouw Marijke leren kennen, maar dat was 38 jaar later. Haar ouders woonden sinds het begin van de jaren zestig in een bovenwoning in de Pythagorasstraat, parallel aan de Ptolemaeustraat, op nummer 57.  Ook de woning van mijn ouders in de Ptolemaeusstraat was een bovenwoning. Hij bevond zich dicht bij de hoek van de Hogeweg, waar destijds een sigarenzaak was gevestigd. Die winkel is er nu niet meer. Mijn vader zal daar elke week zijn rokertje hebben gekocht. Hij rookte niet alleen pijp (Voortrekker tabak) maar ook kleine sigaren (Ritmeester Regio) en shag (Twin met Rizzla vloe). Dat weet ik zo goed, omdat ik als kind voor hem heel wat keren naar de sigarenzaak ben geweest. Roken was nog heel gewoon in die tijd. De acties van dokter Meinsma kwamen pas in het begin van de jaren zestig.

Slide1

De rookwaren van mijn vader

In de Ptolemaeusstraat leerde mijn moeder ‘Tante Rika’ kennen. Zij maakte het huis bij ons schoon en raakte zo goed bevriend met mijn moeder. Later heeft zij nog lang een bloemenstalletje gehad bij de ingang van de Nieuwe Oosterbegraafplaats, waar in 1966 mijn vader werd begraven. Ook heeft zij wel met een kraampje op de markt gestaan in de Dapperstraat. Ik kende de Dapperstraat al als klein kind. Achter op de fiets bij mijn moeder ging ik vaak naar de markt die daar dagelijks werd gehouden. Op de markt was de gulden een daalder waard, en alles moest altijd goedkoop bij ons thuis. Die Dappermarkt is er nog steeds. J.C Bloem was er ooit domweg gelukkig toen hij verregend op een miezerige morgen door de Dapperstraat liep. Ik vraag me af of iemand anders ooit dat mooie gevoel in die straat heeft gevoeld. De Dapperstraat was er gewoon, zoals alles gewoon was in die tijd. Mijn God, waar is dat gewone gebleven? Nostalgie is een ziekte. De Dapperstraat heeft nooit bestaan.

In haar boek Leven met J.C. Bloem verweert Clara Eggink zich tegen het verwijt van dominee Buskes – die predikant was in de Muiderkerk aan de Linnaeusstraat – dat Bloem eerst maar eens ter plekke moest gaan kijken hoe akelig die mensen in de Dapperstraat wonen, voor hij ging schrijven over geluksgevoelens. Bloem heeft de Dapperstraat overigens wel degelijk gekend, want hij woonde destijds een paar straten verderop aan het Oosterpark. De vraag blijft of de Dapperstaat werkelijk als inspiratiebron heeft gediend en niet achteraf is ingevuld als willekeurige aanduiding van een triviale locatie als laatste woord in de slotzin van een gedicht. Bloem zou dit procedé hebben overgenomen van een Engelse dichter, zo wordt wel beweerd. Overigens is ook de Dapperstraat in de jaren tachtig grondig gerenoveerd en inmiddels – evenals de Albert Cuypstraat – een soort multiculturele smeltkroes geworden. De Muiderkerk brandde in 1989 af. Alleen de toren staat nog overeind en is onlangs van foeilelijke nieuwbouw voorzien. De architectuur van je jeugd, daar moeten ze afblijven. Het is de moederschoot waar je uit voortkomt. Poëzie is heimwee.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)