Ik in de bol, de bol in mij

In een beroemde litho van M. C. Escher uit 1935 zien we niet alleen de gestalte van Escher zelf weerspiegeld in een bol, maar ook de kamer waarin Escher zich bevindt. De verbinding tussen de werkelijkheid en de weerspiegeling daarvan wordt tot stand gebracht door de hand van de kunstenaar die de bol draagt. Die hand is als een Atlas die de wereldbol torst. Maar wat is werkelijkheid? Wat we zien afgebeeld is wat Escher te zien kreeg toen hij de spiegelende bol voor zijn ogen hield. Hij plaatste hem tegen de muur zodat de kamer zich achter zijn rug bevond toen hij naar de bol keek. Maar dat beeld van de kamer is vervormd door ingewikkelde wiskundige wetten die de formele structuur van een spiegelbeeld op een bol kunnen verklaren. We krijgen letterlijk een vertekend beeld te zien Als het licht van buiten via de lens van ons oog op ons netvlies valt. krijgen we ook een vertekend beeld te zien. Dat beeld staat zelfs op zijn kop. Maar ergens tussen netvlies en cortex wordt dit vertekende beeld gecorrigeerd. Het brein kent de wetten van de wiskunde die voor deze correctie nodig zijn. Het oog kan niet denken, maar het brein kan zien.

Maar er is meer. In het beeld dat de litho van Escher laat zien wordt de illusie gewekt dat wie maar deze voorstelling kijkt op dezelfde stoel zit als Escher gezeten heeft in 1935. Het is een illusie die in de schilderkunst wel vaker werd toegepast, denk aan het beroemde schilderij Las Meninas van Velazques, waar het Spaanse koningspaar in een spiegel op de achtergrond is te zien. Het is een fotografisch effect dat werd gebruikt nog voordat de fotografie werd uitgevonden Foucault wijdde er een fraaie beschouwing aan in het begin van zijn boek Les mots et les choses (1966). Eerder schilderde Parmigianino een zelfportret in een bolle spiegel en de Jan van Eyck schilderde zichzelf  een spiegel op de achterwand in het portret van het echtpaar Arnofini. Het waren optische trucs die in de schilderkunst bekend waren, maar Escher zit dit illusoire spel van de weerspiegeling pas echt op scherp. Beeld en spiegelbeeld, de werkelijkheid en de weerspiegeling daarvan zijn verwikkeld in een wederzijdse maskerade. Het echte wordt onecht maar het onechte wordt ook echt. Kan het zijn het spiegelbeeld soms de werkelijkheid is? Dat de kunstenaar niet van buiten naar binnen kijkt, maar van binnen naar buiten? Wat weerspiegelt wat eigenlijk, en wie kijkt wie nu aan?

Twaalf jaar later, in 1947, kwam Escher terug op dit motief in een reeks van drie bollen, waarin het verwarrende spel van binnen en buiten opnieuw wordt gespeeld. De bol transformeert in drie fasen van half open en transparant tot gesloten en ondoorzichtig. In de middelste bol keert de weerspiegeling van de kunstenaar zelf terug, maar nu zit het weerspiegelde beeld niet op het oppervlak van de bol, maar in de bol zelf. Althans zo lijkt het, want in dit beeld kun je eigenlijk helemaal niet meer zien waar je nu eigenlijk naar kijkt. Het lijkt een montage van de twee beelden links en rechts, maar helemaal zeker is dat niet. De dragende hand van Escher is verdwenen. De bol ligt nu op een spiegelend tafeloppervlak. Links lijkt de weerspiegeling van de bol een beeld op te leveren dat sterk aan het Yin Yang teken doet denken. Rechts heeft zowel de bol als zijn weerspiegeling veel weg van een ei. Bij de middelste bol wordt de deels weerspiegelde beeltenis van de kunstenaar zelf niet herhaald in de weerspiegeling van de bol op het tafeloppervlak. Deze transformatie van de spiegelbol levert een reeks beelden op die zwanger is van symboliek. Peter Sloterdijk zou ervan gaan dromen. Wouter Kusters lust er wal pap van. (zie: hier) Het de de eeuwige symfonie van Gödel, Escher, Bach, maar ook de taoïstische topologie van de bol en de sferen,waarbij de grenzen tussen binnen en buiten vervagen. Zit ik de bol of zit de bol in mij? Kan ik de wereld eigenlijk wel begrijpen zolang ik er zelf deel van uitmaak? Het universum kijkt naar zichzelf, dat is het grootse raadsel van het bewustzijn en de anomalieën van de kwantumfysica maken de zaak er niet simpeler op.

In de slotscène van het toneelstuk Spinoza van Dimitri Frenkel Frank staat Spinoza alleen op het toneel met een vergrootglas in de hand. Berooid en gelouterd, uitgestoten door de joodse gemeenschap en de gemeente Amsterdam vanwege zijn vermeende godslasterlijke ideeën, maakt hij de balans op. Hij steekt zijn vinger tussen de bladeren van een struik en haalt er iets uit. Een lieveheersbeestje. Hij bekijkt het nauwkeurig, stelt het gerust dat het niet zal verbranden en alvorens het weg te blazen neemt hij zich voor lenzen te gaan slijpen en ook het glas in zijn hoofd te zullen scherpen tot er geen geheimen meer zijn. ’God we sluiten een nieuw verbond’. En dan gebeurt er iets merkwaardigs. Uit een luidspreker ergens achter het toneel wordt –  gehuld in de stem van Spinoza  – God hoorbaar die zegt: ‘Wat stel je voor Spinoza?’

Spinoza leefde in een tijd waarin grote ontdekkingen werden gedaan op het terrein van de optica. Er werden lenzen geslepen waarmee niet alleen de kleinste microwereld van de natuur van zijn raadsels kon worden ontdaan, maar ook de planeten in een verre uithoek van een heelal. In zijn Stelkonstige Reeckening van den Regenboog gaat Spinoza – in navolging van Descartes – in op de waarneming van de natuurkundige, door te berekenen wat de grootste hoek is waaronder je kleinste regenboog kunt zien (47 graden en 47 minuten) en de kleinste hoek voor de grootste (51 graden en 37 minuten) . Spinoza wilde niet alleen elk woord exact op zijn plaats zetten in een verhouding van één op één tot de werkelijkheid, maar ook de regenboog. In de zeventiende eeuw werd de regenboog als een metafoor van het goddelijk verbond ontluisterd tot een optische illusie binnen het veelvoudig kristal van waterdruppels. De mechanisering van het wereldbeeld, die toen op gang kwam, heeft niet alleen God uit de natuurkunde weggehaald, maar ook – binnen de wetenschap – de beeldspraak uit de woorden. Sindsdien is er een verwijdering ontstaan tussen der woorden en het oog, tussen het verstand en de verbeelding. Het ware en het schone liggen sindsdien niet meer in elkaars verlengde, om van het goede maar te zwijgen. Het complot van de wereld is in duigen gevallen. De regenboog is letterlijk de regenboog niet meer. We weten niet eens meer waarnaar we kijken. Kijk ik naar de wereld of kijkt de wereld naar mij?

‘Het is een waar verhaal. Ik was vroeg in de twintig, en die tijd wilde ik als jonge intellectueel wanhopig ontsnappen aan de sleur. Ik wilde iets nieuws zien, ik wilde me storten in en of andere praktische bezigheid, iets fysieks op het platteland bijvoorbeeld of op zee. Op een dag voer ik op een kleine boot, met enkele vissers, die allen behoorden tot één familie, afkomstig uit een kleine haven.  In die tijd was Engeland nog niet zo geïndustrialiseerd als het nu is. Er waren geen gemotoriseerde boten. De vissers voeren uit in een kleine zeilboot op eigen risico. Het was juist dat risico, dat gevaar dat ik met hen wilde delen. Maar het was niet allemaal gevaar en opwinding wat de klok sloeg, er waren ook plezierige dagen. Op een dag dat wij wachten op het moment dat de netten ingehaald moesten worden, wees een jongen die Kleine Jan werd genoemd – zoals heel zijn familie stierf hij jong aan tuberculose die in die tijd een constante bedreiging vormde voor die hele sociale klasse – deze Kleine Jan wees mij op iets dat dreef op het oppervlak van de golven. Het was een klein blikje. Een sardineblikje. Het dreef daar in de zon, als getuige van de blikindustrie, die wij als vissers in feite verondersteld werden te bedienen. Het schitterde in de zon. En Kleine Jan zei tegen mij; ‘Kun je dat blikje zien? Zie je het? Wel, het ziet jou niet!’

Deze autobiografische gebeurtenis beschrijft Jacques Lacan in zijn boek The four fundamental concepts of psycho-analysis (1977). Het lijkt een onbeduidend voorval, maar dat is het niet. De als grap bedoelde vraag van Kleine Jan heeft Lacan destijds heel serieus genomen. Hij was er niet zo zeker van, dat de conclusie van de jongen wel klopte. Is het inderdaad wel zo, dat als ik naar een blikje kijk, dat in het water drijft, dit blikje tegelijk niét naar mij kijkt? Volgens Lacan moet je onderscheid maken tussen het ‘cartesiaanse kijken’, waarbij het subject van het cartesiaanse ‘cogito’ iets waarneemt en de onbewuste blik. Bij de bewuste, cartesiaanse  vorm van kijken gelden niet alleen in letterlijke zin de wetten van de optica van Newton, maar wordt in figuurlijke zin ook uitgegaan van een subject, dat in deze optische beeldspraak een ideaal punt is van waaruit het geziene wordt gezien.  Lacan echter ontwerpt een andere – psychoanalytische – optica, waarbij niet uitsluitend sprake is van bewust kijken vanuit een ideaal subject, maar ook van een onbewuste ‘blik’. Deze ‘blik’ (gaze) begint niet in het ideale optische subject, maar in het geziene. Dus bij het blikje!

Het geziene werpt een blik naar het onbewuste, terwijl het ideale, optische subject , dat in feite een constructie is, terugkijkt naar het geziene. Dit terugkijken is niet zozeer een kijken zoals bij het fotograferen een foto wordt genomen die als een beeld gefixeerd wordt in een donkere kamer ( in casu: het oog, het brein). Nee, het is een afwerende beweging, een soort bezweren van de totaal-indruk van de blik die als onvatbare werkelijkheid (het reële) dreigend op ons afkomt. Wat wij werkelijkheid noemen is wat op ons scherm verschijnt, daarachter ligt het reële, waar het libidinale verlangen structureel op gericht is. Wat wij ‘kijken’ noemen is in feite een ‘scherm van bewustzijn’ opwerpen, dat ons van het reële afscheidt.  Dit is de symbolische orde van taal en teken, die wij ons bij het ontstaan van ons cartesiaanse subject in de vroegste jeugd (het spiegelstadium) voor het eerst betreden hebben. Zien is dus in feite een gemiste ontmoeting met het reële. In feite is het bewuste leven zelf een gemiste ontmoeting met het reële. Het bewustzijn kan de verslindende realiteit van het reële niet aan. Het temporeel-libidinale bewustzijn komt steeds structureel te laat om de het reële direct – één op één – te ontmoeten.

We kunnen het reële alleen ‘schuins bezien’ in de symbolische orde van taal en teken. We zien de werkelijkheid als in een anamorfose, nooit frontaal, maar altijd van opzij. Soms dringt de werkelijkheid in één keer door het scherm heen. Dan scheurt het schermt. Er ontstaat een trauma, een scheur, of een totale breuk wanneer het brein zich in een psychose stort. Een psychose is volgens Lacan in feite de totale eenwording van onbewuste en wekelijkheid. In de psychose is de symbolische orde van taal en teken zijn structuur kwijt geraakt en is ‘het scherm’, dat ons scheidt met de verslindende realiteit verdwenen. In feite is dit een tragische opvatting van het bewuste bestaan, een opvatting die zich baseert op de psychoanalytische theorie van Freud. Lacan voorziet Freuds theorie aangaande het onbewuste van een ‘optisch-talige’ symbolische orde, die ook het onbewuste als een taal structureert, en waardoor het subject als een illusoire constructie wordt ontmaskerd.

Mijn brein (voor zover de woorden ‘mijn brein’ enige zin kunnen hebben) heeft meerdere malen in een psychotische toestand verkeerd. Ik ken uit eigen ervaring de ‘schermloze’ staat van het brein, die Lacan beschrijft, een toestand waarin de symbolische orde verstoord is en waarin het onbewuste zich direct mengt met het reële. Ik weet wat het is om ondertitels op een tv-scherm te lezen en stellig te denken, dat deze ondertitels gecodeerde boodschappen bevatten die specifiek voor mij alleen bestemd zijn. Toch ben ik het niet helemaal eens met Lacan. De psychotische toestand van het brein, zoals hij die beschrijft, is in principe juist, maar deze ‘ontschermde toestand’ verschilt niet wezenlijk van de normale – gezonde – ‘schermtoestand’ van het brein. De scheidslijn tussen bewust en onbewust is nooit absoluut aanwezig. Het scherm is eerder poreus. Juist door dat doorlaatbare karakter van het scherm is er een voortdurend proces van osmose mogelijk tussen binnen en buiten. In feite is er geen harde scheidslijn tussen binnen en buiten. Ik kijk naar de wereld, maar de wereld kijkt ook naar mij. Ik zit in de bol, maar elke bol die ik zie wordt uiteindelijk geformeerd door de wiskunde in mijn hoofd. Ik ben een speldenknop die is blijven steken in de zoom van het heelal. Maar al is mijn ziel volstrekt alleen in de grootse bol van dit van God verlaten universum, ik ben nooit echt alleen want de bol zit ook in mij.

 

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)