Geen Tao aan vast te knopen

We kunnen de wetenschap van de toekomst niet scherp omlijnd tekenen. We kunnen alleen vermoeden dat dan de scherpe scheiding tussen de mens en de wereld langzamerhand zal verdwijnen, dat de mensen minder egoïstisch en met een warmer gevoel niet alleen tegenover zichzelf maar ten opzichte van de hele organische en ook de zogenaamd levenloze natuur zullen staan. Zo’n vermoeden heeft misschien 2000 jaar geleden de grote Chinese filosoof Licius aangegrepen, toen hij wees op een oud menselijk geraamte en in een korte en krachtige stijl, die gedicteerd werd door het tekenschrift, tot zijn leerlingen de woorden sprak: “Alleen dit gebeente en ik bezitten de kennis dat wij noch leven noch dood zijn.”

Aldus beweerde de natuurkundige en wetenschapsfilosoof Ernst Mach (1838-1916). Ik heb dit altijd een raadselachtige passage gevonden. Ten eerste weet ik niets van Licius. Het schijnt de weinig bekende Latijnse naam te zijn voor iemand die waarschijnlijk Lie Yukou heette en leefde in de vierde eeuw voor Christus – twee generaties voor Confucius – in de staat Zheng, in de huidige streek Shandong in China. Over het leven van de goede man blijkt nauwelijks iets bekends te zijn, behalve dan dat hij een boek geschreven heeft, ‘Het ware boek van de stromende oergrond’, dat nog altijd geldt als een van de filosofische oerteksten van het Taoïsme. Ernst Mach, die nog over de allesomvattende eruditie beschikte van een negentiende eeuwse kamergeleerde, moet dit obscure boek wellicht ooit gelezen hebben, lang voordat het in de mode raakte om verbanden te zoeken tussen de bevindingen van de moderne natuurwetenschap en eeuwenoude oosterse wijsheden.

Mach was niet de eerste de beste. Hij wordt algemeen beschouwd al een van de grondleggers van de hedendaagse natuurkunde. Einstein betitelde hem zelfs als de belangrijkste voorloper van zijn relativiteitstheorie. Hij was een positivist die niettemin een scherp oog had voor de filosofische implicaties van de moderne natuurwetenschap. Zo had hij grote belangstelling voor wat destijds de ‘psycho-fysica’ werd genoemd, een stroming in de toenmalige wetenschap die er vanuit ging dat psychologie en natuurkunde één en dezelfde grondslag hadden en dus ook vanuit één optiek benaderd moesten worden. Achteraf beschouwd kan dit streven wellicht als een laatste wanhoopspoging worden gezien om de dreigende breuk tussen natuurwetenschap en geesteswetenschap te dichten. Het drama van onze tijd komt nog altijd voort uit deze breuk die zich in de negentiende eeuw heeft voltrokken. Er is een scheur ontstaan in ons westerse wereldbeeld, een scheur die door de wetenschappelijke revolutie sindsdien alleen maar groter is worden.

Lezend in het boek Sferen van Peter Sloterdijk stuitte ik op een beschouwing over de dood. Kan het zo zijn, zo vroeg ik mij af, dat ons hedendaagse onwrikbare beeld van de dood mede bepaald is door deze breuk in het westerse wereldbeeld. We zien de dood tegenwoordig als de absolute tegenpool van het leven, als een ultieme, ondoordringbare grens, waarachter alles ophoudt en het grote niets begint. Dood is een blinde muur geworden waar elk leven uiteindelijk hopeloos op stuk loopt. De dood is ontaard in iets fataals, iets wat elk begrip te boven gaat. Niet ‘te boven’ in de zin van ‘verheven’, ‘subliem’, of ‘geheimzinnig’, maar ook daar nog bovenuit, als iets dat nergens meer bij hoort, iets dat alleen meer tragisch is en noodlottigs. Iets dat niets is.

De dood staat in feite voor een nieuwe categorie in het westerse denken. Dood is de categorie van het absolute niets, het niets dat zich dialectisch niet meer kan omkeren in zijn tegendeel, in een ander soort ‘alles’, een ‘alles’ dat ook het niets omvat. De cyclische gedachte dat het leven voortkomt uit de dood, om daar weer in terug te keren, zoals je een lepel soep optilt en vervolgens weer terug in de pan schenkt, die gedachte is in onze huidige tijd ondenkbaar geworden. Er is immers geen pan meer, dat wil zeggen, een plenaire volheid die leven en dood in een allesomvattende ‘pan-visie’ omvatten kan. Het leven zelf is de oersoep geworden en de pan is allang van tafel gehaald.

Zo kon het wellicht gebeuren dat het grote niets van de dood zoiets werd als zwarte gat waar alles in verdwijnt. Er werd een nieuw soort troost bedacht. Het zwarte gat van de moderne dood keerde zich om als een ultieme oorsprong van het meest duistere verlangen. De dood werd een warmtedood, het eindpunt van de entropie, de ultieme chaos waar alles, maar dan ook alles, uiteindelijk naar op weg is. Maar dat eindpunt van de entropie kan evengoed een beginpunt zijn, zo leerde de natuurwetenschap. Zo werd de dood in de psychologie een verborgen bron waar de eeuwige stroom van het driftleven ontspringt. De dood werd de tegenpool van de liefde. Eros werd de spiegel van Thanatos. Freuds doodsdrift werd een verlangen naar een ultieme ontknoping, naar het moment dat de machinerie uiteindelijk ontspoort en de totale chaos om zich heen grijpt, naar het inferno van moleculen dat een mens te wachten zou staan als het leven voorgoed ophoudt levend te zijn. Als het ijskoude niets bezit van ons neemt.

Zou het zo kunnen zijn dat dit vreemde, ijzingwekkende beeld van de dood een schaduw is van het positivisme? Dat deze wonderlijke gedachteconstructie is voortgekomen uit een het moderne onvermogen om een breuk in het wetenschappelijke wereldbeeld heel even op te schorten. Het onvermogen om over de grenzen van het eigen, beperkte denkkader heen te kijken? De eclips van de moderniteit ontneemt wellicht het zicht op een oorspronkelijke verbondenheid van leven en dood. Bij Ernst Mach heeft een dergelijke gedachte misschien heel even door het hoofd gespookt, toen hij terugdacht aan die vreemde Chinees Licius: “Alleen dit gebeente en ik bezitten de kennis dat wij noch leven noch dood zijn”. Het zijn gedachten die bij ieder mens misschien wel eens opkomen als hij denkt aan de dood. Als hij als Hamlet dwaalt op het kerkhof en op een schedel stuit die een doodgraver heeft opgegraven uit een gedolven graf: de schedel van een bekende wellicht.

Toen Einstein in 1954, ziek en verzwakt – nog geen jaar voordat hij zelf zou sterven – een condoleancebrief moest schrijven aan de weduwe van zijn oude vriend Michele Besso, kwamen er woorden in hem op die hij als natuurkundig nauwelijks verantwoorden kon. Die woorden wekken bij mij een vergelijkbare verwondering als de passage van Mach over Licius. ‘De dood betekent niets’, zo schreef Einstein: “This signifies nothing, for us believing physicist the distinction between past, present, and future is only an illusion, even if a stubborn one.” (Barnesh Hoffmann, Albert Einstein, ceator and rebel) .

Deze gedachten kwamen in mij op bij het lezen van een passage in het fraaie boek Sferen van Sloterdijk. In zijn beschrijving van het mesmerisme van Hufeland, als een half vergeten hoofdstuk in de ontstaansgeschiedenis van de westerse natuurwetenschap, duiken er opeens wonderlijke verbanden op tussen het doodsbegrip in de Gnosis en dat van de vroege Romantiek. Het zijn vergeten vergezichten die achter de horizon van de moderne wetenschap verdwenen zijn. Sloterdijk schrijft:

“Hier in de kleine ruimte van Hufelands betoog botsen twee tegengestelde doodsbegrippen op elkaar: in de eerste wordt de dood op romantisch-holistische wijze geïnterpreteerd als hereniging met het Al-Organisme, in de tweede wordt hij op naturalistische en nihilistische wijze opgevat als een terugval in het anorganische. Het woord ‘anorganisme’ maakt iets zichtbaar wat als een scheur door het omhulsel van de levenswarmte loopt, het werpt een schril licht op het gebod van de Verlichting, het essentiële onderscheid tussen binnen en buiten, tussen het organische lichaam van de wereldmoeder en het anorganische gebied van de dodenwereld onder geen beding te verdonkeremanen.”

Een dode geliefde is niet dood, beweerden de dichters van de Romantiek. Dood en leven zijn geen tegenpolen, maar nauw met elkaar verweven in de meest letterlijke zin. ‘Peace, peace! he is not dead, he doth not sleep, He hath awaken’d from the dream of life.’ Dat schreef  Shelley in zijn lange gedicht Adonais: An Elegy on the Death of John Keats. Maar daartegenover stond de dood van het als onvermijdelijk en onontkoombaar ervaren grote niets. De dood van de wetenschap. Freuds leer van de doodsdrift kan gezien worden als een meer afstandelijke en berustende versie van dat polariteitsdogma. Ze doet een concessie aan de gnostische voorstelling dat niet de dood ontbreekt in het leven, maar dat het eigenlijk het leven is dat als een vreemde indringer in het algemene levenloze opduikt. Verlichting en duistere Gnosis zijn hierin verklaarde bondgenoten; allebei bestoken ze de zelf-warmende vitaliteitsillusie met onmenselijke waarheden.

Uit deze verlegenheid heeft Nietzsche de filosofische consequenties getrokken: ‘Laten we er voor oppassen te beweren dat de dood de tegenpool van het leven is. Het levende is slechts een bestaansvorm van het dode,’ schreef hij in Die fröhliche Wissenschaft. Daarmee was de onverdraaglijke oppositie tussen leven en dood heel even op zijn kop gezet. Maar echt troost bood deze gedachte niet. Dood bleef dood… en het leven bleef het leven. Tussen die twee zat niets, maar dan ook echt niets. Nu ook nog altijd niet. Die breuk tussen leven en dood is onze condition humaine geworden in een wereld zonder God. Maar is dat zo erg? Epicurus had het ooit al eens eerder gezegd: ‘Als wij er zijn is de dood er niet en als de dood er is, zijn wij er niet. Dus daar zou ik me niet te druk over maken.’ En toch is er niets in de wereld waar een mens zich meer druk over maakt dan juist de dood. Misschien wel omdat de dood ons bevattingsvermogen nog altijd totaal te boven gaat. Er is geen Tao aan vast te knopen.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)