Beelden out of the blue

4 april, 1980(3)0001

‘De ontmaskering van hun onmacht betekent dat deze kunstenaars niet echt geloven in “animisme, magie en de almacht van de gedachte” ofschoon het Sigmund Freud zelf was die in een artikel met deze titel, in 1913, als zijn mening naar voren 
bracht dat een overtuiging als deze nog steeds leefde, tenminste in de kunst. . . Onder animisme, magie en almacht van de, gedachte 
verstond hij toen: “Die Dinge treten gegen deren Vorstellungen zurück” (dingen komen los van hun begrippen). 
Hij bedoelde daarmee dat relaties tussen verschillende 
begrippen ook in dingen moesten worden aangenomen en
dat in ruimte en tijd verschillende dingen in een 
”Bewusstseinsakt” verbonden zouden kunnen worden tot 
een magische wereld.’

Aldus Antje von Graevenitz In een essay met de veelzeggende titel De innerlijke wereld van de buitenwereld (1978) waarin zij wijst op een wonderlijke fascinatie die zich aandiende bij een nieuwe generatie kunstenaars die in de jaren zeventig naar voren trad. Ze leken opnieuw op zoek te gaan naar een bezield verband tussen de dingen van deze wereld, zonder daar – naar het leek – ook echt in te geloven, want hun machteloze pogingen werden telkens weer ontkracht door de onmogelijke middelen waarmee die pogingen ondernomen werden. Zo ging Bas Jan Ader ging in een gammele bootje de oceaan over op zoek naar het wonderbaarlijke. In search of the miraculous zo heette zijn onderneming die tot mislukken was gedoemd. (zie mijn blog: Een kunstenaar is een onmenselijk mens)

Door omstandigheden die hier verder niet ter zake doen ben ik de laatste weken in de jaren zeventig beland. Ik lees boeken uit die tijd, bekijk foto’s en probeer dat ongrijpbare en efemere amalgaam van dingen en gebeurtenissen samen te vatten in die vage premisse die ook wel ‘de tijdgeest’ word genoemd. Wat is dat toch, de tijdgeest?. Vraag me het en ik weet het niet, vraag me het niet en ik kan het precies aanwijzen. Het zit in alles, in de kleuren, de mode, de muziek van de jaren zeventig en vooral in de vakantiefoto’s. Gisteren heb ik een paar foto’s laten afdrukken die mijn zus Cornelie, die in maart j.l. overleed, eind jaren zestig en begin jaren zeventig heeft gemaakt. De negatieven zaten tussen wat spullen van haar die mij onlangs overhandigd werden. Beelden uit het verleden doemen plotseling op in mijn geheugen. Volledig uit het niets. Out of the blue.

4 april, 1980(3)0001

Bovenstaande foto, door Cornelie gemaakt, dateert van 1969. Dat is een periode waarvan ikzelf haast geen foto’s had. Het is een zwart gat in mijn verleden. Het was ook een hectische tijd. Ik was nog aan het bekomen van een manische fase waarna ik van de een op de andere dag weggleed in een diepe depressie. Himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt, zo was het in die dagen. Cornelie begreep dat en nam me mee op vakantie. Zoals een zuster van een broer kan houden, zo heeft zij van mij gehouden. Swiep, zo noemde ze mij. We kampeerden in een tent. Zij reed in haar kleine autootje, een Fiat 500. Door Cornelie heb ik zelf ook nog een tijd lang rijles kunnen nemen. Dat kostte toen 11 gulden per les en Cornelie betaalde dat. Zo’n dertig lessen heb ik gevolgd. Ik heb zelfs nog voor mijn rijexamen gestaan, maar mijn geestelijke toestand liet het niet meer toe om nog af te rijden. Daarna heb ik nooit meer autorijden geleerd, laat staan een poging daartoe ondernomen.

In 1969 nam Cornelie me mee naar Luxemburg en Trier. Het jaar daarop naar Noorwegen en Zweden. De nostalgie van de jaren zeventig moest nog komen. De eindeloze sixties waren voorgoed voorbij. Ik begon met mijn eigen leven en dat was maar goed ook. Mijn navelstreng moest nu eens eindelijk worden doorgeknipt, zei Cornelie wel eens. Dat kon dan zo zijn, maar juist Cornlie was misschien wel de laatste draad die mij innig verbond met mijn broeierige jeugd. Er kwam een tijd dat ik haar niet meer zo vaak wilde zien. Nu denk ik wel eens dat ik in al die jaren te weinig aan Cornelie heb gedacht. Ik zie nu pas hoeveel we op elkaar leken. We geloofden beiden in een bezield verband, zonder daar – zoals het lijkt – ook echt in te geloven.

4 april, 1980(3)0001

Cornelie en ik, juli 1970

 

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)