Hermans en de andere jaren vijftig

 

‘In de oorlogsjaren is in versneld tempo de samenhang van de normale maatschappij verloren gegaan, overal, in ieder land dat aan de oorlog heeft deelgenomen. Chaos en willekeur werden genormaliseerd, in vredestijd onbekende menselijke mogelijkheden bevorderd tot omgangsvormen, dit alles niet voor de korte duur van een incident, maar over een bestek van jaren, dagelijks. Het komt erop neer dat de oorlogsjeugd een wezenlijk en onbecijferbaar andere op voeding heeft gekregen dan de voorgaande generaties. Dit in aanmerking genomen kan niemand het een wonder vinden dat de kinderen van de oorlog zich daarna als volwassenen anders hebben gedragen: De breuk zit niet in de oorlog zelf, maar in de jeugd van de oorlogsjaren. Dat is het DNA van deze generatie. ‘

Deze woorden van Henk Hofland zijn typerend voor iemand die de oorlog heft meegemaakt in een fase van zijn leven dat het hem als ware ‘overkwam’. Hofland werd geboren in 1927 en was dus 13 toen de oorlog begon en 18 toen hij eindigde. De generatie die in de jaren twintig werd geboren trof een zelfde lot. Zij hebben vitaal gedeelte van hun jeugd gemist, de jaren dat zij bij hun volle bewustzijn kwamen. Dat besef diende zich na de oorlog in versterkte mate aan. Zij waren het immers die het moesten gaan maken, de generatie van de toekomst, de wederopbouw. Maar in plaats van zich klaar te stomen, hadden ze vijf jaar in de wachtkamer moeten zitten. Menigeen had zelfs onder moeten duiken om aan de Arbeitseinsatz in Duitsland te ontkomen. Een enkeling was gerekruteerd geest voor het Oostfront, maar de meesten waren murw door vijf lange oorlogsjaren, die juist voor jongelingen langer hadden geduurd dan voor wie dan ook. Het was een tijd geweest van geestdodende saaiheid, maar ook van geestelijke verwarring en ontreddering. Na de oorlog was dat niet opeens voorbij. Integendeel. Juist de generatie die door de oorlog tussen wal en schip was gevallen, zag dat de beklemmende sfeer van de wachtkamer in Nederland gewoon was blijven hangen. Slauerhoff had Nederland al voor de oorlog de wacht aangezegd in zijn meedogenloze gedicht In Nederland.

‘In Nederland wil ik niet blijven,
Ik zou dichtgroeien en verstijven.
Het gaat mij daar te kalm, te deftig,
Men spreekt er langzaam, wordt nooit heftig,
En danst nooit op het slappe koord.
Wel worden weerloozen gekweld,
Nooit wordt zoo’n plompe boerenkop gesneld,
En nooit, neen nooit gebeurt een mooie passiemoord’

In feite deed Willem Fredrik Hermans in 1951 niet anders in zijn boek Ik heb altijd gelijk:

‘Het leven heeft de gemiddelde man in Nederland geen enkele vreugde meer te bieden. Hij heeft geen geld, hij heeft geen toekomt, hij betaalt hoge belastingen, hij heeft geen huis, hij heeft geen ontspanning, er is in Nederland geen vrije natuur, hij heeft geen behoorlijk radioprogramma, hij wordt ondergedompeld in een poel van middelmatigheid. Nederland is een gaskamer van verveling. Van ellende gaat de Nederlander ’s avonds op straat lopen schreeuwen en zijn kinderen rukken de struiken uit de plantsoenen, want ruimte om wat anders te doen is er niet. Daarom zeg ik: Open de grenzen, ten koste van alles moet Nederland als afgesloten gemeenschap verdwijnen.’

Ik heb altijd gelijk speelt zich af in het Amsterdam van het begin van de jaren vijftig. Ik was vier jaar oud toen Hermans dit boek schreef. In dat jaar ging ik voor het eerst naar de kleuterschool. Twee jaar later volgde de lagere school in Amsterdam-Zuid. Voor mij betekende het vooral een gelukkige tijd en allesbehalve ‘een gaskamer van verveling’. De Peetersschool in de Richard Holstraat was een gemengde school, wat voor het katholiek onderwijs destijds nog niet zo gebruikelijk was. Bovendien hanteerde men een nieuw systeem: het Dalton-onderwijs. Het kwam erop neer dat voor ieder kind een eigen tempo werd aangehouden. Elk vak had taken die je zelf moest doen. Je moest ook je eigen resultaten bijhouden in grafieken die op het prikbord voor iedereen zichtbaar waren. Zo werkte dit systeem op subtiele wijze toch een soort onderlinge concurrentie in de hand, maar daar had niemand last van, want de sfeer was heel relaxed. Het was een georganiseerde chaos en daar voelde ik me uitstekend in thuis.

In de vierde klas zaten we in een dependance, want de school had met een ruimteprobleem te kampen. Zoals alle scholen in die tijd. De geboortegolf eiste zijn tol. Zo bivakkeerden we twee jaar lang in een houten noodgebouw, een type dat in de jaren vijftig veel werd toegepast, een zogenaamde Finse school. Deze bevond zich in de Breitnerstraat, een zijstraat van de Apollolaan. Hermans woonde tot 1951 op het het adres Apollolaan 129, helemaal bovenin, op de zolderverdieping.

 

Ik ben daar als kind vaak langs gelopen op weg naar bus E, die een halte had op de hoek van de Apollolaan en de Beethovenstraat. Maar voor dat het zover was, bleven we eerst nog voetballen – met een tennisbal – op het brede trottoir aan de overkant in de Breitnerstraat. Aan de achterkant van onze houten school was een complex van tennisbanen, dat begin jaren zestig plaats moest maken voor het Hiltonhotel.

klassenfoto0001 21-16-47
Peetersschool, 4de klas, 1958

Precies op de plek, waar onze klassefoto van 1958 is gemaakt, werd in 1991 Klaas Bruinsma geliquideerd en zou Herman Brood in 2001 nog van het dak afspringen. Maar hier op de foto is nog niets te merken wat daarop wijst. Op tv was Pension Hommeles te zien en Greetje Kauffeld zong er lustig op los op de radio. Mijn ouders luisterden naar het hoorspel ‘Paul Vlaanderen’ en de Bonte Dinsdagavondtrein. Onze juf op school heette Sauterelle. Dat betekende ‘sprinkhaan’ in het Frans. Zo hadden we meteen al een woordje Frans te pakken. Verder was ze heel aardig.

‘De jaren vijftig worden gekenmerkt door een opmerkelijke discrepantie. Enerzijds geldt deze periode in sociaaleconomisch opzicht als zeer dynamisch, aan de andere kant spreekt men van culturele stagnatie, gezapigheid en een toename van verzuiling.’

Aldus Tjitske Akkerman in een artikel over ontzuiling, gezinspolitiek en feminisme dat in 1985 verscheen in de bundel De zondige Rivièra van het katholicisme.  Tjitske Akkerman wijst op het netwerk, dat zich sinds de negentiende eeuw heeft ontwikkeld rond de gezinsleden, zoals de medische stand, de filantropie, de woningbouwverenigingen, het onderwijs en de kinderbescherming als een nieuwe vorm van sociale regulering. Foucault beweerde dat het ontstaan van deze machtsmechanismen niet begrepen moet worden als uitvinding van de heersende klasse en dat zij niet zonder meer hun bron vinden in de centrale staatsmacht. En zo komt zij tot haar conclusie:

‘Het traditionele complex van instituties, intellectuelen en strategieën kunnen we typeren als het model van de confessionele zuilenstaat. Dit model was dominant tussen 1920 en 1950. In de jaren vijftig vond een min of meer ondergrondse strijd plaats tussen dit traditionele model en het opkomende model na de keynesiaanse verzorgingsstaat.’

Die ondergrondse strijd van de jaren vijftig leidde tot een proces dat je ‘de vergeten revolutie van het katholicisme ’ zou kunnen noemen. Meer nog dan de krachten vanuit de socialisten zelf, heeft deze naoorlogse katholieke revolutie in Nederland aan de basis gelegen van de latere verzorgingsstaat die tot de jaren tachtig zou voortduren. De jaren vijftig waren niet alleen ‘een gaskamer van verveling’ maar ook een tijd van hoop en verandering. Dat dubbelbeeld kom je niet tegen in de romans van Willem Frederik Hermans.

Integendeel, het katholicisme was voor Hermans identiek aan conservatisme en opportunisme. De katholieken zouden alleen maar geprofiteerd hebben van de sociale vernieuwingen die de socialisten op gang brachten. De invoering van de kinderbijslag bijvoorbeeld leidde tot nog meer katholieken die doorfokten als de konijnen. Maar zo simpel lag het niet. De grote omwenteling van de jaren zestig had meerdere voorlopers in de jaren vijftig, niet alleen in de experimentele poëzie van de vijftigers in de tegendraadse literatuur van Hermans, Reve en Blaman, maar vooral ook in de stille revolutie die zich voltrok binnen de katholieke zuil. Daarvoor had Hermans geen oog.

In de jaren vijftig was de mens nog ‘heel de mens’, ook in de menswetenschap. Het waren de jaren dat religie en theologie nog serieus werden genomen. Theologen constateerden een gebrek aan authentieke innerlijke religiositeit en emotionele volwassenheid. Die diagnose sloot naadloos aan bij wat sociologen aanwezen als de verloren samenhang tussen cultuur en natuur in de snel opkomende industrialisering en verstedelijking. Het was de tijd van de ‘zelfverantwoordelijke zelfbepaling’, zoals de pedagoog Langeveld beweerde. Maar al die goedbedoelde volksopvoeding van de deskundigen van de ziel had ook zijn keerzijde. Het verstikkende moralisme van de ogenschijnlijk zo rustige jaren vijftig riep weerstanden op bij eigenzinnige geesten. Of zoals Hermans Lodewijk Stegman liet zeggen in Ik heb altijd gelijk:

‘Ik zal jou eens iets vertellen! Er zijn helemaal geen geestelijke waarden! Geestelijke waarden, dat is alleen iets voor mensen die geen materiële waarden te pakken kunnen krijgen. Of voor mensen die teveel materiële waarden bezitten en te lui zijn er verder moeite voor te doen! Dat zijn geestelijke waarden.’

En toch, de toekomst lag open en alles was mogelijk. De jaren vijftig vormden een hybride periode van zowel stagnatie als vooruitgang, van schaamteloos conservatisme versus verholen rebellie, niet in de laatste plaats onder de katholieken die Hermans zo belachelijk maakte. Het klimaat onder de vooraanstaande katholieken in het Nederland was in die tijd overwegend progressief. Juist in dit zo oersaaie decennium voltrok zich in roomse kringen een stille revolte. Maar het zou nog tot het midden van de jaren zestig duren voordat de bom dan eindelijk zou barsten.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)