De schrijver en zijn spiegelbeeld

‘Een verdriet “wegschrijven” kan alleen wie het door wie het door onophoudelijk in zijn binnenste te roeren zo intens mogelijk gemaakt heeft. Hierdoor ook komt het dat iemand die is gaan schrijven, het niet meer laten kan. De gewoonte van zichzelf te observeren alsof men erbuiten stond, zichzelf als romanheld te zien ( ik trad in mijn kinderfantasieën altijd in de derde persoon op) raakt men niet meer kwijt. Als compensatie voor deze zelfkwelling moet men dan wel schrijven.’

Aldus schreef Willem Frederik Hermans in een brief aan A.F. de Savornin Lohman van 28 oktober 1943. Hermans’ biograaf Willem Otterspeer noemt die brief een van de belangrijkste die hij in zijn leven schreef, zonder dat verder toe te lichten. Misschien vindt hij die brief belangrijk omdat Hermans hier iets loslaat over de drijfveren van zijn schrijverschap. Als schrijver verdubbelt hij zijn eigen leven door zichzelf en anderen voortdurend te observeren. De schrijver wordt zijn eigen dubbelganger en het echte even verandert in een laboratorium voor een roman. Toch vraag ik me af of die drijfveer zo specifiek is voor Hermans. Iedereen die veel schrijft zal iets in deze bekentenis herkennen. Schrijven is niet alleen een surrogaat voor het echte leven, maar het leven zelf is ook een proeftuin voor het schrijven.

Wie schrijft verdubbelt zichzelf voortdurend, waardoor het echte leven iets van zijn echtheid verliest. Dat is de voorwaarde, maar ook de tragiek van het schrijverschap. Wie schrijft die blijft. Maar wie echt leeft, schrijft niet. Schrijven is een afwijking, een splitsing, een verminking van het leven. Wie schrijft kijkt voortdurend in de spiegel en denkt dat zijn spiegelbeeld het echte leven is. Elke schrijver begeeft zich in ‘de donkere kamer van Damocles.’ Hij leeft zijn leven als dubbelganger van zichzelf. In De donkere kamer van Damocles komt niet alleen de literatuuropvatting van Hermans het meest expliciet tot uiting. De roman gaat ook over het schrijverschap zelf. Hij houdt ieder die zelf schrijft een spiegel voor. De spiegel van schijn en werkelijkheid.

Sinds 2006 leef ik niet alleen in de echte wereld, maar ook op internet. Door mijn dagelijkse weblog ben ik in de afgelopen acht jaar met talloze mensen in contact gekomen. De wereld is voor mij veel groter geworden. Mijn leven lijkt ‘echter en mooier’ door de mogelijkheden die internet mij biedt. Maar is dit wel zo? In de wereld, waar we steeds meer vat op krijgen, lijken we ons vreemd genoeg ook steeds minder thuis te voelen. ‘Het echte leven’ ontglipt ons, hoe meer we ons virtueel manifesteren op weblog, facebook en twitter. Niet alleen het schrijven van een roman verdubbelt het leven, de nieuwe sociale media hollen het echte leven steeds verder uit. Ongemerkt word je zelf een personage in alles wat je schrijft. Je wordt je eigen spiegelbeeld, een dubbelganger die sprekend op je lijkt, maar die je niet meer bent.

Soms schrik ik ’s ochtends wakker uit een nachtmerrie. Dan heb ik iets raars ervaren wat zo af en toe terugkeert in mijn dromen. Er is iets grondig mis met de wereld om me heen. In mijn huis woont iemand anders die sprekend op mij lijkt. Alles wat ik onderneem is overgenomen door een dubbelganger en niemand zegt me nog gedag. De wereld bestaat nog, maar alles wat ik tot nu toe heb beleefd is daaruit weggevaagd.

Onlangs werd ik geïnterviewd naar aanleiding mijn nieuwe boek. Ik merkte dat sommige vragen die mij werden gesteld direct naar mijn weblog verwezen of gebaseerd waren op informatie die daaraan was ontleend. In zo’n situatie voel ik mij wat ongemakkelijk. Ik voel me dan een dubbelganger van mezelf. Mijn God, wat heb ik ook al weer geschreven, denk ik dan. Ik moet er aan wennen dat mijn identiteit op internet voor de buitenwacht één op één samenvalt met mijn echte identiteit, voor zover die identiteit tenminste bestaat. Want wie ben ik eigenlijk? Datgene wat ik denk te zijn? Wat anderen daarvan denken? Wat ik zelf loslaat op internet? Hoe werken al die beelden op elkaar in? Heb ik daar zelf nog wel de regie over? Of vinden er processen plaats waar ik geen weet van heb?

Voor mezelf is het niet altijd duidelijk dat ik echt degene ben zoals ik me op internet presenteer. Een weblog is fictie in de werkelijkheid zelf. Het heeft ook iets van een roman. Een auteur mag je nooit geheel met een personage identificeren, ook al schrijft hij in de ik-vorm. Zo is het ook met de weblogschrijver. Al schrijvend neem je soms ongemerkt een pose aan. Je beweert iets om te kijken hoe het valt. Je gooit een steen in de vijver. Soms geeft dat geen enkele beroering, maar soms sta je ook verbaasd over de golfslag die dat teweeg brengt. Een weblog is een soort schaduwwereld die ongemerkt de echte wereld binnentreedt en soms zelfs verandert. Die wisselwerking tussen de virtuele wereld van internet en de echte wereld waar je in leeft, heeft iets fascinerends. Maar dat soort processen zijn ook niet van gevaar ontbloot. Je weet niet precies wat je doet. Je ziet je eigen lezers niet, maar zij zien jou wel.

Mijn vader was vroeger zendamateur. Hij bouwde met een eigen zender waarmee hij met mensen over de hele wereld kon praten. Zo kon het gebeuren dat ik als kind hem wel eens hoorde praten met iemand in Australië of Canada. Dat was in het begin van de jaren vijftig. Niemand wist nog wat internet was. Ik vond dat een magische gebeurtenis. Soms fantaseerde ik dan wel eens wat ik zou doen als ik later zelf zo’n zender had. Het stoorde me dat mijn vader er eigenlijk zo weinig mee deed. Het bouwen van de zender was voor hem de kick. Maar toen dat ding eenmaal begon terug te praten, vond hij er eigenlijk niks meer aan. Jarenlang heeft die zender op de slaapkamer boven staan te verstoffen. Wat moet je ook zeggen tegen iemand uit Australië die je helemaal niet kent? Bovendien zei mijn vader van zichzelf toch al niet veel. Van een computer zou hij ook weinig plezier hebben gehad. Er zitten geen buizen in en geen zekeringetjes. Je kunt niet eens solderen. Het is een black box waar je blindelings op moet vertrouwen. Het internet heeft iets onmogelijks dat toch mogelijk is. Het gaat je verstand te buiten.

Al tijden droom ik ervan een roman te schrijven waarin het onmogelijke mogelijk wordt. Zo’n roman waar je op het eind blijft zitten met de vraag ‘was dit nou echt of niet?’. Er klopt iets niet en toch klopt het. De lezer moet het probleem dat hij ervaart op zijn eigen manier zien op te lossen. Eigenlijk zou je het boek moeten herlezen, om de naad in het verhaal op te sporen, de grenslijn waar het mogelijke van de echte wereld overgaat in de mogelijkheid van een onmogelijke wereld, een schaduwwereld die als een dubbelganger de echte wereld voortdurend begeleidt. De naad tussen die twee is echter niet zichtbaar. De onzichtbare grens waar het ongerijmde zich manifesteert wordt ook niet getoond, maar hooguit gesuggereerd als een bijna voelbare aanwezigheid.

Voelbaar, maar niet zichtbaar. Het is aan de lezer om die grenslijn te vinden, en hem uiteindelijk ook met eigen ogen te gaan zien. Telkens weer is dat een onderneming die veel geduld en aandacht vergt, zoals een vinger tastend op zoek moet gaan naar het uiteinde op ene rolletje plakband. Alleen bij nauwkeurige lezing van de roman lijkt de oplossing mogelijk. Dan valt namelijk op dat juist op die plekken waar de mogelijke grenslijn zich weer oplost in de transparantie van de ondergrond een psychologisch probleem schuilgaat, een identiteitsprobleem. Wie ben ik? Besta ik wel? Of heeft een ander mijn identiteit overgenomen? Heb ik mijzelf soms gesplitst in twee werelden? De werkelijkheid en een schaduw van de werkelijkheid? Mijn ego en mijn alter ego? Wat is eigenlijk ‘werkelijkheid’? Is dat de som van alle indrukken die gefilterd wordt door het formele systeem van mijn brein? Of is – omgekeerd – het format van mijn brein bepalend voor wat ik überhaupt ‘werkelijkheid’ kan noemen. ik zou het talent willen hebben van Willem Frederik Hermans om zo’n roman te kunnen schrijven.

Toen ik vanochtend opstond en mijn tanden ging poetsen verbeeldde ik mij even dat ik mijn eigen spiegelbeeld was die achter de spiegel vandaan was gekropen. Mijn linker hand was voortaan mijn rechter en mijn rechter mijn linker. Gelukkig zat mijn hoofd nog altijd boven en het hoofd van mijn spiegelbeeld ook. Maar hoe kwam het dan, dat links en rechts gespiegeld waren en boven en onder niet? Opeens drong het met een schok tot mij door, dat iedereen op zijn kop liep. Sterker nog, ik liep zelf ook op mijn kop en daarom was mijn spiegelbeeld niet upside-down gespiegeld. Maar de spiegel had gelijk. Mijn spiegelbeeld staat wel degelijk op zijn kop, maar ik vergeet telkens weer dat mijn spiegelbeeld een halve radslag voorover moet maken, om in mijn eigen, ontspiegelde positie te komen.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)