W.F. Hermans en de echo van God

Dit is de Zuidelijke Wandelweg in Amsterdam. De foto die ik aantrof in de Beeldbank van het Amsterdams Stadsarchief moet kort voor de oorlog zijn gemaakt, ongeveer ter hoogte van het toenmalige complex van de voetbalclub AFC. Ik heb daar als kind nog wel gevoetbald, toen ik nog speelde bij de B-junioren van RKAVIC. Dat was eind jaren vijftig, Een groot deel van de Zuidelijke Wandelweg, die gelegen was tussen twee begraafplaatsen – Zorgvlied aan de Amsteldijk en de R.K. Begraafplaats Buitenveldert aan de Amstelveense weg – verdween door de aanleg van de wijk Buitenveldert in de jaren zestig. De Zuidelijke Wandelweg vormde in feite de zuidelijke begrenzing van het Plan Zuid van Berlage, en daarmee ook van de hele stad. Het was een promenade langs de stadsrand waar op zondag veel gewandeld werd. Tegenwoordig is er niet veel meer van over, alleen een klein stukje aan het begin van de Amsteldijk.

Schermafbeelding 2014-06-11 om 13.37.14

De Zuidelijke Wandelweg (bij de Amsteldijk) op Street view

De dood van zijn oudere zus Corrie op 14 mei 1940 heeft een verpletterende indruk gemaakt op de toen 18-jarige van Willem Frederik Hermans. Corry pleegde zelfmoord samen met haar toenmalige geliefde, haar neef Piet Blind. Otterpeers’ beschrijving van de toedracht van dit gebeuren vormt een dramatisch hoogtepunt in De mislukkingskunstenaar, de biografie van WFH, die ik momenteel aan het lezen ben. Corrie en Piet werden dood aangetroffen in een auto aan de Zuidelijke Wandelweg. Beiden hadden een schotwond in de slaap. Het moet ongeveer ter hoogte van het AFC-terrein zijn geweest. Voor Piet Blind, die bij de politie werkte, was dat bekend terrein, omdat de bereden politie voor haar ruiterfeesten wel gebruik maakte van deze voetbalvelden, zo meldt Otterspeer. Over de invloed die dit gebeuren op de schrijver WFH heeft gehad, meldt hij onder meer het volgende:

‘Als men hem later vroeg waarom hij Trakl of Kleist las, dan antwoordde hij dat dit te maken had met de intense verhouding die deze schrijvers tot hun zuster hadden. In Parijs hing een portret van De Quincey boven zijn werktafel, vanwege de huiveringwekkende passages die deze aan de dood van zijn zuster had gewijd. Ooit dacht Hermans, bij de publicatie van zijn eerste volwassen verhaal, dat hij van zijn zuster had gewonnen. Na haar zelfmoord realiseerde hij zich dat hij had verloren. De dag, de 14 mei 1940, zag de geboorte van het belangrijkste motief in zijn werk: de dubbelganger. De dag dat de zuster stierf werd de schrijver geboren: Narcissus op zoek naar Echo.’

De bekendste roman van WFH, waarin het thema van de persoonsverdubbeling een centrale rol speelt, is natuurlijk De donkere kamer van Damocles (1958), het boek dat later in Als twee druppels water (1962) werd verfilmd door Fons Rademakers. ‘Dagenlang zwierf hij rond op zijn vlot, zonder drinken. Hij stierf van dorst want het water van de oceaan was zout’, zo luidt de eerste zin van dat prachtige boek dat ik las op de middelbare school. Osewoudt en Dorbeck dat zijn de dubbelgangers, waarbij voor de lezer niet duidelijk wordt hoe deze persoonsverdubbeling nu precies in elkaar zit. Osewoudt is wanhopig naar zijn dubbelganger Dorbeck op zoek, maar komt niet veel verder dan het telkens herhalen van zijn hoop dat op een dag zal blijken dat er sprake is van een misverstand. Laatst las ik een artikel in De Gids, waarin een vergelijking werd getrokken tussen deze roman van Hermans en de onmogelijke figuren in de tekeningen van M.C. Escher. In het boek van Hermans is wellicht geen sprake van een dubbelganger van de hoofdfiguur, maar zit het zo in elkaar dat de ene personage alleen in het hoofd van de andere heeft bestaan door een psychologisch mechanisme van projectie, identificatie en idealisatie. Hoe dan ook, als op het eind van het boek het fotorolletje wordt ontwikkeld, blijkt er niets op te staan.

Een ander boek waarin het motief van de dubbelganger – of de echo van Narcissus – opduikt is De god Denkbaar Denkbaar de god (1956). Het is een opmerkelijk boek. Toch wordt het weinig gelezen. Het zou me niet verbazen als het een van de minst gelezen boeken van WFH is, hoewel ik me daarin kan vergissen, want ik zag dat er onlangs ook een versie als ‘luisterboek’ is uitgebracht. Ik kan me moeilijk voorstellen dat automobilisten, die in de file bij Everdingen tussen de A2 en de A7 zijn beland, De god Denkbaar Denkbaar de god gaan beluisteren. Maar je weet het niet. De wonderen zijn de wereld nog niet uit, al beweerde WFH juist in dit boek dat het wel het geval is. Wonderen bestaan niet, al is datgene wat wij de werkelijkheid noemen wonderlijk genoeg ook onkenbaar. Je zou zeggen dat daar een tegenstrijdigheid in zit, maar voor WFH was dat niet het geval. Hij had tijdens zijn studiejaren de werken van Wittgenstein bestudeerd en daarin een bevestiging gevonden van zijn vermoeden, dat de logica het enige houvast is voor de mens in een wereld, waarin waan en werkelijkheid niet van elkaar te scheiden zijn. .

De romans van WFH zijn altijd op twee niveaus te lezen, niet alleen letterlijk als een verhaal, maar ook symbolisch als een kentheoretisch probleem. De zoektocht van de mens naar zekerheid en orde in een chaotische wereld is ook het thema van zijn meest gelezen roman Nooit meer slapen (1966). Maar de gedachte dat de wereld onkenbaar is loopt ook als een rode draad door zijn hele werk. De mens kent zichzelf niet en de wereld al helemaal niet. Zekerheden bestaan evenmin als waarheden. Die gedachte vormde al het hoofdthema in De tranen der Acacia’s (1949). Het door elkaar lopen van schijn en werkelijkheid in De donkere kamer van Damocles, waarbij de illusoire dubbelganger van de hoofdfiguur niet van de hoofdfiguur zelf te onderscheiden – en waarbij niet eens duidelijk is of deze (of beide dubbelgangers) in werkelijkheid bestaat – duidt in wezen op het negatief van een theologisch probleem, dat ook in het werk van Kafka te herkennen is.

Het is ‘theologie in spiegelbeeld’, zoals Lolle Nauta dat treffend heeft genoemd De mens als vreemdeling (1960). In de eerste jaren na de oorlog werd het toenemend ongeloof vooral ook als een psychologisch probleem geanalyseerd dat zijn weerslag had allerlei terreinen, maar ook op de aard van de op de literatuur als zodanig. Zo ging Lolle Nauta in zijn boek op zoek naar de psychologische structuur van het ongeloof, en wilde die terugbrengen naar een sociologische formule, waarmee het vacuüm, dat het culturele systeem van het christendom had achtergelaten, in kaart kon worden gebracht. Daarom kon er in zijn optiek bij voorbaat niet meer van een bepaalde samenhang tussen kunst en religie sprake zijn. De moderne esthetische ervaring was volgens Nauta juist niet los te denken van het ontbreken van deze samenhang. Het denken van Fokke Sierksma vormde voor Lolle Nauta de schakel tussen de vooroorlogse godsdienstfenomenologie van Van der Leeuw en de naoorlogse godsdienstpsychologie. Van daaruit wilde Nauta een brug slaan naar de religieuze dimensie in de moderne literatuur op zichzelf.

Theologie in spiegelbeeld dus, dat was het thema van naoorlogse literatuur. En bij WFH komt dit thema bij uitstek aan het licht.  Bestaat de illusoire dubbelganger van de hoofdfiguur in De donkere kamer van Damocles ook in werkelijkheid? Dat is in feite een metafoor voor de vraag naar het bestaan van God. Het is het probleem van God als een psychologische projectie. ‘De religieuze projectie’ was een hot item in de jaren vijftig, getuige ook het gelijknamige boek van Fokke Sierksma. Het was het probleem van Narcissus. God is een echo van de mens zelf. De God met een hoofdletter, die WFH alleen een kleine letter gunde, want in zijn optiek is God een schijngestalte van de menselijke geest die – zoals Wittgenstein zo treffend had beweerd – ‘behekst is met taal’.

Taal zit in ons brein. Het is een mentaal gebeuren. Dat wil zeggen, dat taal in onze cultuur verbonden met is met wat je ‘mentalisme’ zou kunnen noemen, een manier van denken die we hebben geërfd van de oude kerkvader Augustinus. Mentalisme houdt in dat alle uitdrukkingen van de taal een verwijzende functie hebben, maar tegelijk dat dit verwijzen een proces is dat zich afspeelt in de geest. Taal is voor een groot deel geestelijk. Of beter gezegd, onze geest is taal. Door de taal hebben we een binnenkant. Maar ook natuurlijk een buitenkant. Woorden staan voor dingen in de werkelijkheid. En als je woorden aan elkaar plakt krijg je volzinnen die staan voor situaties opgebouwd uit allerlei dingen uit de werkelijkheid.

In de optiek van Augustinus kan de betekenis van een woord worden opgevat als het ‘in de geest aanwezig zijn’ van een mentale representatie van een verwijzing naar iets in de werkelijkheid. Zo geredeneerd zit betekenis dus inderdaad ‘ergens tussen de oren’. Als we weten waar een woord voor staat, begrijpen we wat een uitdrukking betekent. Dat houdt in dat we beschikking hebben over een mentale representatie van die verwijzing. Dat is de ‘mentalese strutuur van de taal’ die in het christendom heeft geleid tot de illusie dat er een God bestaat. In de ‘binnenkant’ van de taal ligt de de illusie van de transcendentie verankerd. God is een fata morgana die voortkomt uit de taal, omdat we denken dat de taal een mentaal gebeuren is en een transcendente fundering heeft. Er iets dat de taal verbindt met God. In den beginne immers was het woord.

Wittgenstein daarentegen ging er van uit, dat de betekenis van een uitdrukking louter en alleen naar voren komt in het gebruik dat we van die uitdrukking maken. Betekenis moet dus altijd worden opgevat in termen van gebruik. Dat wil zegen in de context van wat Wittgenstein aanduidt als een ‘taalspel.’ God – zo dacht WFH – is dus ook een produkt van een taalspel. Op die manier kun je hem ook in zijn spel gevangen zetten. ‘Dit spel,’ zegt Hamlet, ‘geeft me de ban, waarin ik het geweten van de koning vangen kan’. WFH was niet zozeer uit op het geweten van de koning, als wel op zijn fantoom-achtige verschijning. De koning God bestaat niet. Hij is een een fantoom van de taal. Als je het denken van Wittgenstein loslaat op de denkhypothese ‘God’, dan blijft er niet veel van over. WFH koos dan ook las motto voor De donkere kamer van Damocles dan ook een citaat van Wittgenstein:

‘Ik kan hem zoeken als hij er niet is, maar hem niet ophangen als hij er niet is. Men zou kunnen willen zeggen: “Dan moet hij er toch ook zijn als ik hem zoek.”   – Dan moet hij er ook zijn, als ik hem niet vind, en ook als hij helemaal niet bestaat.’

Met andere woorden, God is een illusie. De gedachte dat hij zou kunnen bestaan wordt ontmanteld in een simpel taalspel waar Wittgenstein zo goed in was. Ook het boek De god Denkbaar Denkbaar de god is een feite een taalkundig onderzoek naar de (on)mogelijkheid van het bestaan van God. WFH gaat er voor even vanuit – dat wil zeggen: voor zolang de de roman duurt – dat het bestaan van God denkbaar is. Sterker nog God is letterlijk ‘Denkbaar’ en is teruggekeerd op aarde. Wat gebeurt er dan? De roman is één groot gedachte-experiment dat de grenzen van de taal opzoekt. Vandaar ook dat deze roman meer aftrek vindt bij taalkundig georiënteerde filosofen dan bij theologen of andere vorsers van de religie. Zonder de lectuur van Wittgenstein had WFH deze roman niet kunnen schrijven. In een interview met Fons Elders dat verscheen in het boek Filosofie als science fiction (1968) komt WFH hier ook rond voor uit.

Fons Elders: Had u De god Denkbaar Denkbaar De god kunnen schrijven zonder Wittgensteins Tractatus gelezen te hebben?

WFH: Nee, nee, nee, ik had Wittgenstein al eind veertig, begin vijftig gelezen, dat wil zeggen alleen de Tractatus. Die voortdurend terugkerende woordspeling van ‘hij was denkbaar,want god was denkbaar’ had ik zonder Wittgenstein niet bedacht. Dat is waar. Dan wou ik u nog dit zeggen dat de filosofen, en daar mee heb ik speciaal het oog op mensen als Heidegger en Gadamer, steeds meer gaan zoeken naar problemen, die de wetenschap niet kan oplossen. Dat hebben ze gedaan om zichzelf te handhaven. Ze pretenderen dus dat je als het ware twee klassen van problemen hebt, filosofische problemen en wetenschappelijke problemen.’

WFH wilde zich graag bezig houden met problemen die er toe doen, dat wil zeggen: problemen die in principe oplosbaar zijn. De godsvraag behoort daar niet toe. Wonderlijk genoeg had hij toch een heel boek nodig om deze stelling te onderbouwen en het werd zelfs een van zijn mooiste boeken. In een roman hoeven vragen ook niet oplosbaar te zijn. Literatuur gaat over het leven zelf dat vragen oproept. Hoe dan ook, De god Denkbaar Denkbaar de god leest als een science-fiction roman in de meest letterlijk zin van het woord: op het scherp van de snede tussen science en fiction. Je zou zeggen, dan beland je in het grensgebied an het onwerkelijke, van de mystiek, het vage terrein waar je niet over kunt spreken en dus het zwijgen geboden is. De zwijgende God van de mystiek zou het laatste constructie kunnen zijn, waarmee de ondenkbare god Denkbaar ook inderdaad denkbaar wordt, maar WFH trapt daar niet in. Er is geen binnenkant in de taal, maar ook geen buitenkant. Taal is gebruik en God is een fata morgana. De via negativa van de mystiek is voor WFH geen optie. Of zoals hij het in zijn boek Wittgenstein (1990) verwoordt:

‘Mystiek aangelegde Wittgenstein-lezers plegen te smullen van dit geheimzinnige iets, dat niet uit gesproken kan worden, niet kan worden gedacht en dat zich toch toont. Ik geloof uit onbegrip. Wel zegt Wittgenstein: ‘Er bestaan stellig onuitsprekelijke zaken. Dit toont zich, het is het mystieke.’ (Tractatus 6.522) Maar mocht Wittgenstein een mysticus geweest zijn, dan verschilt hij toch in minstens één fundamenteel opzicht van andere mystici (neoplatonisten, Bergson, of wat men maar wil), namelijk dat bij hem het mystieke onuitsprekelijk is, dat wil zeggen ondenkbaar. Er zijn geen woorden voor, maar ook niets anders.’

And the rest is silence. Stilte, het mooiste woord dat denkbaar is. Een woord – zoals Bataille beweert – dat in het woord direct de opheffing van het geluid is, dat het woord is: ‘Van alle woorden is dit het meest perverse en meest poëtische: het is zelfs het blijk van zijn dood.’ Het lijkt me niet ondenkbaar dat een aandachtige automobilist, die vastzit in in de file bij Everdingen en luistert naar de gesproken versie van De god Denkbaar Denkbaar de god, opeens bevangen wordt door een diep verlangen naar stilte. Naar dat ene woord dat geen woord meer is, zelfs niet het woord ’stilte’. Zelfs de ondenkbaarheid van God – in de meest fraaie volzinnen geformuleerd – laat de stilte niet neerdalen. Stilte is ondenkbaar. Denkbaar is geen stilte. Ook niet in het boek De god Denkbaar Denkbaar de god is de stilte ondenkbaar. Zijn eigen geheim weet Denkbaar dan ook niet te bemachtigen. Uiteindelijk gaat hij zelfs ten onder. Een wijze raad had hij ook al vroeg in de wind geslagen:

“Wat gaat het jou aan? O Denkbaar, bedenk, goddelijk is alleen het tatoeëren en dubbel coderen. Met geheimen heeft geen god iets uit te staan, want alle attributen zijn zijn eigendom en alles is denkbaar, maar Denkbaar is god.”

 

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)