Heimwee naar het sacrale

Na lang zoeken in mijn boekenkast vond ik gisteren het boekje terug dat ik al jaren kwijt was: Het geloof in de moderne kunst. Met deze redevoering aanvaardde Evert van Uitert in het najaar van 1986 het ambt van hoogleraar in de kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Destijds sloeg dit betoog in als een bom. Heel de vaderlandse kunstwereld stond even op zijn kop. Deze aanval op een kwalijk soort mysticisme bij hedendaagse kunsthistorici – waarbij Rudi Fuchs als kop van jut werd gebruikt – werd door velen als een vloek in de eigen kerk opgevat.

De moderne kunst werd door Van Uitert letterlijk gekenschetst als een bloeiende kerk, een geloofsgemeenschap met eigen rituelen, met geheimen die alleen zijn bedoeld voor ingewijden en niet in de laatste plaats: met een kwaliteitsoordeel dat voortdurend gemystificeerd moet worden. De positie van de kunsthistoricus in deze mystieke gemeenschap is uiterst problematisch. Wetenschap verdraagt zich immers slecht met het geloof in het irrationele. En de ratio is in het hedendaagse kunstbedrijf vaak ver te zoeken. De sociologische kritiek van Bourdieu op de ongrijpbare alchemie van de hedendaagse ‘professionele smaakspecialisten’ werd door het betoog van Van Uitert van een kunstinhoudelijk fundament voorzien.

Toen ik deze tekst gisteren herlas, werd ik getroffen door de helderheid van het betoog dat na al die jaren nog niets aan actualiteit heeft ingeboet. De scherpe kritiek van Van Uitert heeft echter niets veranderd. De hedendaagse geloofsgemeenschap van de – inmiddels post-postmoderne  – kunst is nog even hermetisch gesloten als destijds. Er worden geheimen uitgewisseld in onleesbare vakbladen. Curatoren bedenken nog altijd de meest cryptische tentoonstellingsconcepten. Kunstenaars hullen zich in esoterische bewoordingen die vooral niets mogen verduidelijken. Kortom, kunst is geloof en geloven doe je bij uitstek in de kerk van de kunst.

De globalisering mag dan het decor van de kunstwereld ingrijpend veranderd hebben, de kerk van de beeldende kunst bloeit als nooit te voren. Hoe je het ook wendt of keert, kunst is een vorm van religie. Dat is ze ooit geworden in de tijd van de Romantiek en dat is ze vandaag de dag nog altijd. We zijn gegijzeld door wat Maarten Doorman de ‘Romantische orde’ heeft genoemd. We zijn nog altijd op zoek naar een natuurlijk evenwicht, waar ook de eerste Romantici naar verlangden: de juiste balans tussen de instrumentele rede en een verbondenheid met de aarde. Met dat ideaal voor ogen hpden we ons vast aan het ideaal dat de kunst volledig vrij en autonoom moet zijn binnen haar eigen, quasi religieuze domein, waarin zij voor burgers met goede smaak schoonheid en troost kan bieden.

Deze onvernietigbare religieuze kern van de in oorsprong romantische kunst is in de twintigste eeuw met de komst van abstractie, de formalisering en de conceptualisering  alleen nog maar krachtiger geworden. De romantische ironie heeft daar niets aan kunnen veranderen. Integendeel, die doortrapte vorm van legitimering heeft de religieuze kern van de kunst juist resistent gemaakt tegen elke vorm van ontmythologisering. Wie de mythe wil onttakelen draagt alleen maar bij aan het voortbestaan van de mythe. Wie de mythe van de kunst ironiseert is in wezen een fanatiek gelovige van het mystieke geheim dat ‘kunst’ heet. We zitten gevangen in een complot waardoor kunst letterlijk een geheim-taal is geworden. En wat erger is, we hebben de sleutel  achter ons weggegooid, waarmee we de code van deze geheimtaal konden kraken. Het is te laat. Het gaat niet meer. Kunst is onaantastbaar geworden. Het geheim van de kunst heerst soeverein in zijn eigen privédomein.

Maar niet getreurd, want kunst biedt troost als nooit tevoren, zoals ooit Christus dat gedaan gedaan. Van alle treffende voorbeelden van religieuze overgave in de kunst, die Van Uitert aan het licht brengt, vond ik een schilderij van Ary Scheffer nog het meest treffend. Christus consolator, Christus de trooster. Dit diep sentimentele, romantische schilderij dat grote indruk maakte op Vincent van Gogh, hangt tegenwoordig als bruikleen in het Van Gogh Museum. Het is een icoon van de Romantiek, maar tegelijk ook een religieus fundament van de moderne kunst. De Romantiek heeft de religie omgesmeed tot een esthetische vorm van mystiek die voortleeft tot in de kunst van vandaag.

Na het herlezen van de tekst van Van Uitert realiseerde ik mij dat het vooral Joden zijn geweest die deze mystieke kern van de moderne kunst van een theoretisch fundament hebben voorzien. Zo rond 1900 boden het katholicisme en de antroposofie een arsenaal van mystieke ideeën waaruit men vrijelijk kon putten, maar het is toch vooral het gnostische jodendom geweest dat als inspiratiebron voor de moderne kunst heeft gediend.

In het hart van de moderniteit heerst de stilte, de leegte, het gat van de tragisch afwezige God, die zich heeft teruggetrokken om de nieuwe wereld mogelijk te maken. De formalistische theorie van de moderne kunst is met name door Joodse denkers in de steigers gezet. Clement Greenberg, Meyer Schapiro en Hans Jaffé waren ieder op hun eigen wijze schatplichtig aan de Joodse mystiek van de gebroken wereld die de sporen draagt van een afwezige God.

Maar naast de afwezige God is de notie van het sublieme bepalend geweest voor het ontstaan van de moderne kunst. In de vernietigende kracht die elk begrip te boven gaat komt de laatste as van de schoonheid boven. Het genotvolle afgrijzen, de fascinerende huivering voor het onbevattelijke. Was de romantische kunst erop gericht het oneindige in de eindige vorm van het kunstwerk te vangen en daarmee te bevriezen, de moderne kunst plaatste het eindige kunstwerk als een daad terug in de tijd om daarmee het oneindige open te breken. Het sacrale dat uit de wereld was verdwenen, wilde de kunst nu zelf aanwezig stellen. In een onttoverde werd de kunst betoverend

Het ideaal van de Romantiek lag in de omkering van de verticale as die de hemel verbond met de aarde. Caspar David Friedrich nam afscheid van de natuur als oorzaak van rampen en calamiteiten en als bron van chaos en ellende. Hij ontdekte de natuur als meditatief toevluchtsoord voor het ervaren van troost en contemplatie. Die troost was in wezen een christelijke troost. Niet voor niets staan er kruisbeelden op de onherbergzame bergtoppen van Friedrich. Je kunt er nog niet skiën of langlaufen en er zijn nog geen driesterrenhotels. Maar in deze natuur kon je wel je diepste gevoelens kwijt. Sterker nog, deze natuur wás gevoel. Natuur werd een beeldscherm voor de projectie van pseudo-religieuze gewaarwordingen. Natuur werd namaak-mystiek in de bergen.

Voortaan schilderden schilders de tranen van de natuur. Romantiek is de melancholie van de tweede traan, de traan die zich bewust wordt van zijn eigen verdriet. Er was iets voorgoed stuk. De ruïnes en scheepswrakken op de schilderijen van Friedrich getuigen ervan.  Precies op het grensvlak van die transitie ontstond de moderne notie van sublieme, het heilige, het sacrale van de natuur als goddelijk, eeuwig wordende. Zo werd ook de kunst  eeuwig wordend en daarmee in wezen goddelijk. Kunst werd de ‘naturende natuur’ van Spinoza, maar nu als sentimentele hofleverancier van het sacrale. De religieuze ervaring van een binnenwereld veranderde in de psychologische beleving van een buitenwereld. De oneindigheid van de hemel verscheen nu aan de horizon van de wereld zelf. Het kunstwerk werd een schemering, een op handen zijnde onthulling. Da geht die Sonne unter!

Maar deze suggestie van de oneindigheid in de eindige vorm het kunstwerk was slechts mogelijk op kosten van een soort veralgemeend christelijk geloof. Zo ontstond letterlijk ‘het geloof in de moderne kunst’. De kunstenaar werd een priester in dienst van de mensheid als geheel. Aan hem werd de taak toebedeeld om breuken te dichten. De breuk tussen gevoel en verstand, tussen hemel en aarde, tussen het eindige en het oneindige.

Die religieuze kern heeft de moderne kunst keer op keer willen onttakelen, maar die onderneming is uiteindelijk niet gelukt. Met het verlaten van de mimesis kwam de moderne kunst opnieuw voor een dilemma te staan. Of zij moest zich verliezen in formaliteiten die zich geheel van de werkelijkheid los zongen. Of zij diende zich te verdrinken in een zee van banaliteiten die uiteindelijk niet meer van de werkelijkheid zelf te onderscheiden was. Tussen die twee uitersten bleek geen middenweg mogelijk. De poging om de werkelijkheid open te breken, was in feite een poging om boven de mens uit te stijgen.

Moderne kunst was dan ook allesbehalve een humane kunst. Zij was eerder een onmenselijke kunst. Een kunst die het bovenmenselijke heeft willen dienen door een onmenselijke fascinatie voor het sublieme. Zo leefde de religie voort in een pseudo-religie. Zelfs in de meest radicale ontmythologisering van de kunst bleef het verlangen naar transcendentie in tact. Ondanks het heimwee naar het sacrale lijkt er geen weg meer te zijn die terugvoert. Kunst werd het gestolde verlangen naar iets wat niet meer kan bestaan. In die onmogelijke spagaat zit de kunst nog altijd gevangen.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)