In het Bloemendaalse bos

single cover2 (2)

Het hoofdstuk Van taal tot taal uit mijn boek Modernisme in Lourdes, Gerard Reve en de secularisering verscheen eerder in het tijdschrift Tirade (december 2010). Het verhaal gaat over Reve als vertaler van toneelteksten, en met name over het stuk Kleine Alice (Tiny Alice) van Edward Albee. Hoofdfiguur is het stuk is een lekenbroeder, Julian genaamd, die zes jaar van zijn leven in een psychiatrische inrichting heeft gezeten. Hij was gek geworden, omdat hij zich niet kon verenigen met het godsbeeld van de mensen om hem heen.

In de bundel Beeldenstrijd, die in 1968 verscheen en waaraan ook Reve een bijdrage leverde, deed Ton Lutz verslag van zijn eigen ervaringen bij het regisseren van dit stuk. Daarbij schetst hij ook een beeld van wat de schrijver kan hebben bezield.

‘Albee is in dit stuk bezig om van zijn geloof af te vallen òf hij is bezig rooms te worden. Als zodanig zou je het stuk kunnen beschrijven als auto-psychografisch’.

Reve las de Engelse tekst in mei 1965, liggend aan de over van de Oudegaaster Brekken. Op de avond van 20 december 1965 zag ik zelf het toneelstuk Kleine Alice in de Stadschouwburg in Amsterdam. Ik ging er naartoe met een aantal klasgenoten samen met mijn godsdienstleraar pater Jos Vrijburg S.J. Kort daarvoor, woensdagmiddag 17 november 1965 werd ik namens het Ignatiuscollege afgevaardigd naar de declamatie-wedstrijd in het Spinozalyceum die jaarlijks werd georganiseerd voor alle middelbare scholen in Amsterdam. Ik nam deel met het gedicht Scheppinkje van Leo Vroman. In de pauze droeg Henk van Ulsen ballades voor van François Villon in de vertaling van Ernst van Altena. Diezelfde Van Altena, en niet Reve, heeft Kleine Alice uiteindelijk in het Nederlands vertaald.

Reve was in die tijd op tournee in het land voor het geven van lezingen. Zo deed hij niet alleen Wassenaar aan, maar ook het Spinozalyceum in Amsterdam, zoals hij aan Josine M. liet weten in een brief van 30 november 1965:

‘De volgende dag, voor het Spinozalyceum, ging het ook heel goed, behalve dat de rector over zijn zenuwen heen was, &, zo progressief als hij wilde zijn, toch dacht dat elk ogenblik, de hemel kon instorten, geloof ik. Leraren & leerlingen vereerden mij weer, nou ja weten ze veel.’

De hemel stortte niet in die dag en de wereld evenmin, maar mijn eigen leven zou weldra een andere wending nemen. Het toneelstuk Kleine Alice heeft daarbij een wonderlijke rol gespeeld. Alle lijnen lijken in dit stuk samen te komen. Maar dat wist ik nog niet, die middag, toen niet Reve, maar ikzelf op het podium stond in het Spinozalyceum.

De hoofdprijs was niet voor mij weggelegd. Die ging naar Martine Bijl, de zingende doktersdochter uit Amsterdam Zuid, die dat jaar Willem Duys was ontdekt. Ze was even oud als ik, maar in mijn beleving was zij een vedette, die chansons zong van Anne Sylvestre en Barbara. Vooral haar vertolking van Barbara’s Au bois du Saint Amand vond ik destijds heel mooi. Ernst van Altena – alweer hij – had het prachtig vertaald met als nieuwe titel: In het Bloemendaalse bos. Als leerling van het Spinozalyceum speelde Martine Bijl die middag een thuiswedstrijd met het gedicht Fanfarecorps van Vasalis. Mijn vader zat in de zaal en complimenteerde mij nog na afloop met mijn voordracht. De rit naar huis was de laatste keer dat hij in zijn autootje reed, een blauwe Fiat 600. In de nacht van 3 op 4 december kreeg hij een beroerte, de eerste koerier van een snel naderende dood.

Toch leek ook dit dramatisch gebeuren mij niet echt van mijn stuk te brengen. Integendeel, het ging eerder langs me heen, het raakte mij niet echt. Die opvoering van Kleine Alice daarentegen staat me nog helder voor de geest. Het stuk maakte destijds grote indruk op mij. Toen ik weer buiten stond, was ik een ander mens. In de pauze zag ik wederom Martine Bijl. Ze was even onbereikbaar als daarvoor. Achteraf heb ik nog over Kleine Alice nagepraat met mijn klasgenoten en ik heb er zelfs een geïmproviseerde lezing over gehouden op een speciaal belegde avond op school, waarbij ik volledig in trance raakte.

Een half uur lang liep ik heen en weer op het podium in de aula van het St- Ignatiuscollege. Een stroom van woorden kwam uit mijn mond – woorden over een god die geen God meer was, maar ook over Yesterday van de Beatles, woorden over alles en over niets, over heden, verleden, toekomst en het licht van de zwarte zon – totdat mij het woord werd ontnomen door John Smal, de voorzitter die avond. Het was woensdagavond, 12 januari 1966, slechts vier dagen voor mijn spoedopname in het psychiatrisch ziekenhuis in Heiloo.  John Smal ben ik sindsdien uit het oog verloren. Ik heb van hem in 48 jaar geen taal of teken meer vernomen. John stond op school destijds hoog in aanzien. Hij wist zijn zaakjes goed voor het voetlicht te brengen, zowel in het gesproken als het geschreven woord. Ik heb wel eens gedacht dat hij de politiek in zou gaan. Hij schreef destijds mooie verhalen, zoals het verhaal Do’nt worry about me dat is opgenomen in de jubileumbloemlezing Vijftig Jaar Harpoen 19616-1966, met een illustratie van mijn hand.

4 april, 1980(3)0001

Mijn illustratie bij het verhaal Don’t worry about me van John Smal, 1965

Gisteren reageerde John op mijn blog Melancholie en Groggelgijn:

‘Dat de Mammoet al vóór 1968 op het Ignatiuscollege rondwaarde, is niet verwonderlijk. De school was een proeftuin. De pater directeur van de HBS (de naam is mij ontschoten) was een van de pioniers.’

Ik heb hem meteen het volgende mailtje toegestuurd:

Beste John,

Ik zag dat je reageerde op mijn weblog. Ik neem aan dat jij de John Smal bent met wie ik samen op het Ignatiusollege heb gezeten, en ook in de redactie van de Harpoen.

Ik hoop dat het goed met je gaat.

Jij was hoofdredacteur van de Harpoen  en daarnaast ook voorzitter van de leerlingenraad (of zoiets) die de maandelijkse academie-avond organiseerde.

Wonderlijk, in de afgelopen week heb ik vele oud-ignatianen teruggezien, niet alleen bij een klassenreünie van klas 1 B, maar ook bij een lezing in de boekhandel van Huib Schreurs in Amsterdam.

Ik wilde je iets vragen. Op woensdagavond 12 januari 1966 heb ik een improvisatie gehouden op de academie-avond in de aula van het IG. Dat was vier dagen voor mijn spoedopname in het psychiatrisch ziekenhuis in Heiloo. Die improvisatie liep toen enigszins uit de hand. Ik had 5 minuten spreektijd, maar ik heb toen zowat een half uur lang orerend heen en weer gelopen op het podium. Uiteindelijk heb jij toen als voorzitter van de avond een eind gemaakt aan deze vertoning.

Mijn vraag is:

Kun jij je nog iets herinneren van mijn verhaal van die avond? Waarschijnlijk was er geen touw aan vast te knopen. Ikzelf weet er heel weinig meer van en zou er graag iets over vernemen.

Een wonderlijke vraag misschien zomaar out of the blue, maar ik hoop dat ik je er niet teveel mee overval.

Hartelijke groet,

Huub Mous

Schermafbeelding 2014-05-11 om 22.32.57

John Smal in 1964

Gisteravond laat kreeg ik een lange mail terug van John, met daarin de volgende passage die ik – met zijn goedvinden – hier citeer:

‘Terug naar je vraag. Ik kan me jouw improvisatie niet meer herinneren, noch mijn optreden als voorzitter bij die gelegenheid. Die academie stond los van de leerlingenraad. Johannes Chrysostomos heette de academie der welsprekendheid. In die tijd nodigden we ook al de meisjes van Fons Vitae uit. Ik kan mij wel twee andere corrigerende ingrepen herinneren. De emoties liepen hoog op bij een discussie over de Palestijnse zaak. En ik heb Frans Wiggermann (die mijn beste vriend toen was) een keer de deur gewezen omdat hij de orde ondermijnde. En hij pikte dat!’

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)