Stemmen uit het verleden

Terwijl Mous ‘hallucineerde in het hier en nu had hij ook absoluut overzicht over zijn verleden en de geschiedenis. “Al schrijvend zag ik mijn hele leven voorbijtrekken met alle betekenislagen die daarin verborgen lagen. Ik zat in de machinekamer van mijn eigen verbeelding en liet gebeuren wat gebeuren moest. Het absolute had bezit genomen van mijn geest en maakte aan elke twijfel een einde. Eindelijk was ik bevrijd. Ik had het syndroom van Jeanne d’ Arc. Of je nu daadwerkelijk stemmen hoort of niet, als je direct gehoor geeft aan de stem van God of andere demonen, beland je in het gekkenhuis of op het slagveld…” Mous getuigde hoe het Absolute zich aan hem voltrok. God sprak door hem, en wie zou in zo’n geval het woord van God niet vastleggen en publiceren? “Ik hoorde geen stemmen, maar diep in mijzelf was iets als vanzelf gaan schrijven. God zelf daalde neer in mijn taal. Zijn woord was vlees geworden en ging in mijn lichaam wonen. Mijn schrijven, dat urenlang ononderbroken doorging, was geen verwoording van een voorafgaande ervaring van het goddelijke, zoals een mysticus verslag doet van een toestand van sprakeloosheid, maar een onmiddellijke ervaring van iets goddelijks, dat gestalte kreeg in het schrijven zelf, een proces waarbij in mijn beleving God zich direct openbaarde.” Mous merkt terecht op dat het hier niet gaat om ‘echte stemmen horen’. God sprak via hem, maar niet als stem van buiten gericht op de persoon van Mous, maar eerder leek het alsof God Mous gebruikte als spreekbuis of ‘apostel’. Mous was letterlijk ‘geïnspireerd’ door God of het Absolute. Zijn schrijven was geen verslag achteraf, maar een onmiddellijke expressie van het heilige.

Aldus Wouter Kusters in zijn boek Filosofie van de waanzin, dat vandaag wordt gepresenteerd in Antwerpen. Vorig jaar stuurde hij mij de tekst van het hoofdstuk Boodschappers toe, waarin hij uitgebreid citeert uit mijn bijdrage aan het boek Tegen de tijdgeest, terugzien op een psychose (2011). Dat verhaal heb ik tientallen jaren na mijn psychose geschreven. De oorspronkelijke tekst, die ik in 1966 in de aanloop van mijn psychose op papier heb gezet, is verloren gegaan. Dat orakelende betoog werd destijds gelezen door mijn zus Cornelie, die vorige week is overleden. Met haar heb ik veel gesproken in de dagen en nachten voorafgaande aan mijn opname. Zij verklaarde onlangs nog tegen mij dat zij mijn geschrift uit 1966 een nogal verwarrende tekst had gevonden. Bovendien had zij de indruk dat ik met ‘heel veel woorden ontweek wat ik eigenlijk niet voelde of niet in staat was te voelen.’ Zij vond het vooral een tragisch verhaal, een gemiste ontmoeting met de werkelijkheid, maar vooral ook met wat ik in wezen had willen zeggen.

In het hoofdstuk, dat Wouter Kusters mij toestuurde, analyseert en vergelijkt hij tekstverslagen van psychotici die een boodschap willen verkondigen, of op zijn minst iets te zeggen hebben over de werkelijkheid waarin wij denken te leven. Hoewel hij duidelijk een slag om de arm neemt als het gaat om de betrouwbaarheid of waarde van deze teksten is er  een verschil in het moment waarop de tekst geschreven werd in relatie tot de werkelijke psychose. Ik schreef mijn tekst dus als een reconstructie, vele jaren na dato. In hoeverre heeft mijn geheugen de feiten vertekend? Die vraag heb ik mij vaak gesteld. Daarnaast heb ik mij afgevraagd of mijn opname destijds niet averechts heeft gewerkt? Ook Cornelie hoorde ik onlangs nog iets dergelijks beweren. Binnenkort zou ik naar haar toe gaan om met haar te spreken over mijn boek Modernisme in Lourdes, Gerard Reve en de secularisering, dat ze met veel belangstelling gelezen had. Ze wilde me daar graag nog iets over zeggen. Het heeft niet meer zo mogen zijn.

Het overlijden van Cornelie laat een grote leegte bij mij achter, want het was een hele dierbare zuster en bovendien een hele bijzondere vrouw. Maar het werpt mij ook terug in mijn eigen verleden. Mijn psychose van 1966 is – hoe dan ook –  een rijke ervaring geweest, maar heeft wel een lange slagschaduw over mijn leven geworpen. Ik beklaag me niet, integendeel. Maar die intense ervaring destijds heeft wel mijn hele denken en voelen in mijn verdere leven bepaald. Wederom zie ik mezelf nu in de spiegel. Als er iemand wist wat er toen in mij omging was zij het. Er was nog zoveel wat ik haar had willen vragen. Bijvoorbeeld: heeft mijn opname in 1966 mij goed wel gedaan? Was die opname eigenlijk wel nodig? Tegenwoordig zou men eerder geprobeerd hebben een en ander binnen de ambulante geestelijke gezondheidszorg weer in goede banen te leiden. Toch waren er wellicht ook goede redenen destijds om mij uit huis weg te halen. Mijn vader was ernstig ziek, hij had zes weken daar voor een beroerte gehad en zou vier maanden later overlijden. Thuisblijven was dus niet makkelijk. Bovendien zat ik voor mijn eindexamen. Het was dus redelijk om te denken dat een opname mij een tijdje van allerlei sores zou kunnen verlossen.

Eerlijk gezegd denk ik ook, dat er wellicht ongelukken waren gebeurd, als ik niet opgenomen was. Toch is het zo dat mijn psychose pas in Heiloo definitief doorbrak, terwijl ik daar pas psychofarmaca kreeg toegediend. Ook van enkele psychiaters, die ik nadien gesproken heb, kreeg ik te horen dat mijn psychose destijds toch een betrekkelijk licht geval moet zijn geweest. Ik ben ook niet behandeld met elektroshocks of een insulinekuur, maar kreeg ook een lichtere behandeling: een slaapkuur. Wel had ik nog jaren daarna terugvalverschijnselen. Ook kan ik mij herinneren (dit staat niet in het boek Tegen de tijdgeest) dat ik door toedoen van grote hoeveelheden psychofarmaca tijdens mijn opname soms last had van epileptische aanvallen. Dat waren bijverschijnselen van de zware medicijnen, zo werd mij destijds medegedeeld. Wat was de invloed van die medicijnen? Wekten ze niet juist averechts?

Ook herinner ik mij dat een medepatiënt op mijn afdeling mij vertelde dat er op een nacht zes mensen aan mijn bed hebben gestaan om mij te reanimeren. Ik was in een diepe coma geraakt, mijn bloeddruk was uitzonderlijk laag en ik gaf nauwelijks nog een teken van leven. Het vreemde is echter dat ik in mijn medisch dossier uit Heiloo, dat ik in 2009 Heiloo heb mogen inzien, niets van dit ‘incident’ terug heb kunnen vinden. Wat mijn behandeling met grote doseringen antipsychotica zoals Sordinol en Trilafon aan blijvende bijeffecten in mijn brein teweeg heeft gebracht, heb ik nooit kunnen achterhalen. Ik heb wel eens gezocht in de psychiatrische en farmaceutische vakliteratuur, die ik hierover te pakken kon krijgen, maar veel heb ik niet kunnen vinden. Het medicijn Sordinol is inmiddels wel uit de handel genomen, zo heb ik begrepen. Kortom, het blijft voor mij onduidelijk hoe mijn opname genezend is geweest of de ziekte juist heeft verergerd.

In mijn medisch dossier bevonden zich ook nog enkele bladzijden met handgeschreven en moeilijk leesbare aantekeningen van een gesprek, dat de psychiater, dokter Wijffels, destijds met Cornelie heeft gehad. Uit dit verslag komt een beeld naar voren van het katholieke gezin, waarin ik opgroeide, met twee ouders die beiden de zestig al gepasseerd waren. Mijn vader wordt gekenschetst als een gesloten man die niet of nauwelijks contact had met zijn kinderen en zeker niet met mij. Een groter contrast met mijn moeder leek nauwelijks denkbaar. Zij zou ‘een uitgesproken gevoelsmens’ zijn geweest, een open en heel beweeglijke vrouw, die zich nogal overbezorgd gedroeg tegenover haar kinderen en met haar beschermend gedrag mijn isolement binnen het gezin eerder versterkte dan verminderde.. Ten slotte kom ikzelf in beeld als de lang verwachte zoon, stamhouder en Benjamin tussen vier aanmerkelijk oudere en ook zeer mondige zusters die allen inmiddels werkzaam waren in de gezondheidszorg of het maatschappelijk werk.

Niet alleen tussen mijn vader en mij, maar ook tussen hem en zijn dochters had er geen grotere kloof kunnen bestaan. Twee van mijn vier zusters waren actief binnen de Pax Christi-beweging. Twee gingen in de verpleging en twee kozen voor het maatschappelijk werk. Ik ben de enige van het gezin die weinig van die sociale bewogenheid heb meegekregen. Progressieve ideeën vanuit de sociale wetenschappen en de geestelijke gezondheidszorg kwamen bij ons thuis binnen in een milieu dat in veel opzichten nog het stempel droeg van het Rijke Roomse Leven van voor de oorlog. Het was een vrome wereld die op het punt stond om voorgoed te verdwijnen. Mijn moeder bestierde het gezin, maar mijn vader was de pater familias. In onderstaand verhaal heb ik mijn vader proberen te beschrijven. De tekst verscheen eerder op dit blog op 7 december 2009 onder de titel Een katholiek uit Friesland.

IMAGE0003

Het is augustus 1959. We zijn op vakantie in Zuid-Limburg, waar we logeren in pension Linckens in Valkenburg: mijn ouders, mijn zusters Trees en Lucie, en ik. Mijn vader wilde een dagje naar Heerlen. De deur van dit huis is ooit door mijn vader met eigen handen gemaakt. We liepen er die dag zomaar langs, maar ik verdenk mijn vader er wel van, dat hij ons dit meesterwerk uit zijn jonge jaren graag wilde laten zien. Hij was er trots op dat hij ooit als timmerman was begonnen. Als katholiek uit Friesland had hij nooit zoveel op met de Friezen. Zijn hele leven bleef hij heimwee houden naar naar Zuid-Limburg. Mijn vader had iets met het zuiden. Hoe zuidelijker, hoe mooier. Zo kwam je niet alleen dichter bij de zon, maar ook dichter bij God.

As âld Pastoar fan Bakhúzen haw ik de Mousen tige heech. Ferskate haw ik dope, trouwe en begrave meien. Derby faak de Mous famylelegende, fan de drege reis ut Poalen nei Fryslân, neist de Bibel lein. Ik kin harren as warbere technisy en fabrieksdirekteuren, fromme Paters, werûnder ferneamde missionarissen, hillige susters en betûfde tsjerkebestjoerders, as sjonger en karnavalsprinsen. Fleurige Fryske doarpsminsken. “In echte Mous hat in fin mear as in bears.

Aldus liet Pastoor Van der Wal uit Bolsward mij een paar jaar geleden weten. Het waren vriendelijke woorden als opmaat voor een betoog dat minder vriendelijk was bedoeld. Ik had het gewaagd te beweren dat hij als rooms bekeerling fanatieker was dan menig katholiek die het geloof van huis uit had meegekregen. Maar los daarvan, met deze typering van de Mousen wist Pastoor Van de Wal bij mij een snaar te raken. Hij doelde op de mythe die ook door mijn vader met zorg in ere werd gehouden. Voor de Mousen had Friesland van oorsprong iets Bijbels, het was het beloofde land. Oorspronkelijk waren ze Joden geweest, die rond 1800 – vanwege de pogroms  in Polen – naar het westen vluchtten en zo uiteindelijk in Friesland zijn beland. De Mousen hebben zich in die tijd niet alleen tot het katholicisme, maar ook tot het Fries bekeerd.

Meer nog dan de Joden waren de Friezen in hun ogen een uitverkoren volk. Zo werden de Mousen – zoals het vaak met bekeerlingen gaat – niet alleen de meest fanatieke Friezen, maar ook roomser dan de Paus. Voor mijn voorouders kende het geloof geen enkele twijfel of compromis. Zo ontstond een strenge en vrome levenshouding, waarin alleen een directe relatie tot God telt. De mens zelf had geen enkele verdienste. Al zijn gaven en talenten waren genade geweest van bovenaf. De plotselinge bekering van de Mousen paste ook naadloos in het plan dat God met de mens had. Het maakte deel uit van het heilsgebeuren. Zo kon dit deemoedige geloof ook weldra omslaan in een bedenkelijke vorm van hoogmoed. In mijn familie deed zelfs het verhaal de ronde, dat uit het geslacht der Mousen ooit de antichrist zou voortkomen.

Er zou een vloek rusten op de Mousen die van generatie op generatie werd overgedragen, als een bijzondere erfzonde van dit uitverkoren geslacht. Ik heb het idee dat dit soort verhalen in meerdere Friese families voorkomt of voorgekomen is. Wat de Mousen betreft, heb ik het altijd met een korreltje zout genomen. Het hoorde bij de familielegende. Bij de Mousen kwam ook godsdienstwaanzin voor. Vandaar dat ik altijd op mijn hoede ben geweest voor dit soort redeneringen. Toch het valt niet te ontkennen dat het katholieke geloof van mijn vader niet alleen messianistische trekjes vertoonde, maar ook niet vrij was van calvinistische invloeden.

Ook de Friezen in het algemeen hebben van oudsher een nogal verticaal gerichte band met God, de enige ook die ze tot knielen weet te bewegen. ‘De Friezen zijn religieus’ schreef J.B. Charles ooit in zijn boek Volg het spoor terug. ‘De roomsen onder hen behoren tot de sympathiekste roomsen in Nederland, terwijl de combinatie van Friese taal en calvinist bijzonder onaangenaam valt: plechtiger, expressiearmer, zelfverzekerder, ‘liberaler’, commerciëler en geborneerder Nederlanders bestaan er niet’. Over dat laatste kun je natuurlijk van mening verschillen, maar zeker is dat de roomse Friezen, geïsoleerd als ze eeuwenlang zijn geweest binnen hun benarde enclaves als Bakhuizen, Blauwhuis en Witmarsum, een grote geloofsijver hebben ontwikkeld.

Bij de volkstelling van 1947 bleek in de categorie 65 jaar en ouder maar liefst zeven procent van de Amsterdamse bevolking in Friesland geboren te zijn. Dat meldt Goffe Jensma in zijn boek ‘Het rode tasje van Salverda.’ De Friese emigratie had desastreuze gevolgen gehad. In de periode 1860 tot 1920 verlieten in totaal 150.000 mensen Friesland. It heitelân verpauperde, niet alleen door de landbouwcrises, maar ook vooral door de ontvolking van het platteland. Mijn vader was een van de laatsten die uit Friesland wegtrok. Dat moet in 1918 zijn geweest. ‘Hij is daar veel te lang blijven hangen,’ zei mijn moeder altijd, ‘hij had door moeten leren, want hij had een heldere kop’.

Wat mijn vader met zijn ogen zag, kon hij met zijn handen maken. Hij kon ook alles repareren wat stuk was. Als puber al bouwde hij zendertjes en zat hij altijd met radiolampen te knutselen. De eerste decennia van de vorige eeuw vormden de pionierstijd van de telecommunicatie. Toen mijn vader uit Friesland wegging was hij 21 jaar. ‘Ik ben nog van de vorige eeuw,’ zei hij vaak. En inderdaad, hij was nog van een de oude stempel. Een Pietje Precies ook met respect voor het degelijke handwerk van een echte ambachtsman. In 1914 verliet mijn vader de ambachtschool in Sneek, maar in Friesland was geen droog brood te verdienen. Vier jaar later pas belandde hij in Limburg, waar zijn oom Jozef Mous die zich later zou opwerken tot directeur van de Staatsmijnen.

Mousen hebben iets met Friesland, maar ook met de tegenpool daarvan, het zuiden, Limburg en ook  Spanje. Het protestantse noorden en het katholieke zuiden ontmoeten elkaar in mijn familie. Mijn vader verlangde nooit naar Friesland terug, maar wel naar Limburg. Het land dat zoveel op Gaasterland leek, met zijn glooiend landschap, waar – zoals de dichter Jan Engelman ooit had beweerd, – God zelf zijn had op de aarde te ruste had gelegd. Maar mijn vader is nooit terug gegaan. Ik heb nog een foto, waarop hij is te zien terwijl hij telefoonleidingen aanlegt ergens langs een spoorlijn in Nederland. Later kwam mijn vader bij de afdeling huistelefonie in Amsterdam en daar is hij tot zijn pensionering werkzaam gebleven.

durk manus mous

Aanvankelijk werkte hij in het hele land. Zo legde hij een telefooninstallatie aan in Paleis Soestdijk, waarvoor hij nog een herinneringmedaille kreeg, die thuis altijd in een la tussen de sokken lag. Zo kwam hij bij de AKU in Arnhem terecht, waar hij mijn moeder leerde kennen, een ‘Arnhems meisje’ dat daar als telefoniste werkzaam was. ‘Pas op, het is een afgelikte beer!’ zeiden haar collega’s, maar mijn moeder zette door. Dat moet eind jaren twintig zijn geweest. Ze trouwden en in 1931 en gingen in Den Haag wonen, waar ook de eerste dochter werd geboren. In 1936 verhuisden ze naar Amsterdam, waar nog drie dochters zouden volgen, telkens met een tussenpoos van exact vier jaar.

Eerst kwamen mijn ouders in de Indische buurt te wonen die toen pas was gebouwd. Op het Sumatraplein, boven een kapper, waar mijn vader zich later nog vaak liet knippen. Mijn moeder vond die buurt maar niets. Toen de verkiezingen in zicht kwamen, hingen er opeens allemaal communistische pamfletten voor de ramen. Ze wilde naar de nieuwbouw in de Watergraafsmeer. Daar kamen ze uiteindelijk ook terecht, eerst nog even in de Ptolemaeusstraat, maar snel daarna in de Van der Waalsstraat, een lange straat aan de rand van de stad met uitzicht over de weilanden, de Kruislaan daarachter en de toren van Diemen aan de horizon. In dat huis hebben ze ook oorlogsjaren beleefd.

Bij het begin van hongerwinter werden de vier dochters bij de Friese familie in Bakhuizen ondergebracht. Mijn moeder vertelde wel eens verhalen over die angstige reis met de nachtboot naar Lemmer en de moeizame terugtocht daarna. Want ze koos ervoor om bij mijn vader te blijven. Sociaal onhandig als hij was, had hij het waarschijnlijk ook niet gered, alleen in die laatste maanden van de oorlog, toen je alles samen met je buren moest delen, wilde je overleven. Vanuit het bovenraam van het huis met het uitzicht op de weilanden, hebben mijn ouders in mei 1945 de voedselpakketten van de geallieerden als manna uit de hemel zien vallen. En toen kwam ik, op 1 december 1947. Eindelijk een zoon, een nieuwe stamhouder, want dat was mijn vader ook.

Een ziel krijgt bij de geboorte een woonplaats en een naam. Mijn geboorte leidde tot enig rumoer in de Friese familie, toen bleek da mijn moeder de nieuwe stamhouder niet Manus Durk wilde noemen, zoals de familietraditie dat eiste. Mijn vader heette Durk Manus, mijn pake Manus Durk en mijn oerpake weer Durk Manus… ad infinitum. De weigering van mijn moeder werd door de Friese familie opgevat als een revolte tegen het geslacht der Mousen. Er volgden meerdere bemiddelingspogingen, maar telkens zonder resultaat. Uiteindelijk werd de sfeer wat onaangenaam en opende mijn moeder de post uit Friesland niet meer. Sterker nog, ze wierp die brieven ongeopend in de kachel, zonder dat mijn vader daar weet van had. Het werd uiteindelijk Hubertus Johannes, omdat mijn vader hechtte aan een typisch Limburgse naam.

Zo kruisen noord en zuid zich uiteindelijk ook in mijn naam. Hubertus, de Limburgse patroon van de jacht, de heilige die zich bekeerde, toen hij het kruis zag verschijnen in het gewei van een hert. En Mous, de naam van van een geslacht van Poolse Joden, die zich ooit hadden bekeerd toen zij in Friesland vestigden. Katholieker kon het niet, en zo was het ook bij ons thuis. Biecht, bedevaart en processies maakten deel uit van het dagelijks leven. Op oudejaarsavond ging iedereen een kwartier voor twaalf op de knieën om gezamenlijk de rozenkrans te bidden. Op elke slaapkamer een wijwatervat en in de slaapkamer van mijn ouders hing een immens groot kruisbeeld.

Beneden in de huiskamer stond een Heilig Hartbeeld op een console aan de muur, net boven de telefoon. De benedenburen, die al behoorlijk op leeftijd waren en altijd kwamen klagen als we teveel rumoer maakten, kwamen nog wel eens telefoneren. Dat kostte immers niets, omdat mijn vader bij de PTT werkte, totdat het de spuigaten uitliep en hij door zijn chef op het matje werd geroepen. Assertief is mijn vader nooit geweest. Hij had een zacht karakter en deed geen vlieg kwaad. Letterlijk  zelfs, want als ik op het punt stond een mug dood te slaan, kreeg ik te horen dat zelf het kleinste dier door God geschapen is. Nee, echt op hem lijken doe ik niet. Als kind zat ik vaak met mijn neus in de boeken, maar mijn vader las nooit een boek. Ik ben een sloddervos met twee linkerhanden en ik had ook niets met techniek. De zoon, waar hij zo lang naar had verlangd, moet hij zich anders hebben voorgesteld. Omgekeerd was mijn vader voor mij niet wat je noemt het ideale rolmodel. Ik trok meer naar mijn moeder. Diep in mijn hart was ik bang, dat ik later steeds meer op mijn vader zou gaan lijken. Dat gesloten, Friese karakter van hem was een doembeeld voor mij.

Eigenlijk heb ik mijn vader nooit goed gekend. Hij zei ook nooit zo veel en het verschil in leeftijd was groot. We scheelden exact een halve eeuw. Bovendien viel mijn pubertijd samen met een van de moeilijkste perioden van zijn leven. Die laatste jaren bij de PTT, als hoofdopzichter bij de afdeling huistelefonie heeft mijn vader het zwaar gehad. Voor de promotie tot hoofd van zijn afdeling werd hij gepasseerd door een collega, mijnheer Bal, die hij altijd als een ‘slijmbal’ had beschouwd, hoewel hij dat woord zelf nooit in de mond nam. Daarna is het nooit meer echt goed gekomen. Hij werd een beetje een mopperkont en zat niet zo vaak meer ‘boven’ bij de zender met zijn soldeerbout, tussen al die lampen, draden, zekeringetjes en weerstandjes. In 1962 ging hij met pensioen.

Bij zijn afscheid hield hij een speech over de ontwikkeling van de telecommunicatie, die niet alleen de wereld tijdens zijn leven ingrijpend had veranderd, maar ook de mensen dichter bij elkaar had gebracht. Hij sprak over de ouderwetse degelijkheid die snel verdween in een tijd van massaproductie en wegwerpartikelen. Van de lof die hem was toegezwaaid wilde hij niets weten. ‘Als ik zal roemen’, zei hij, ‘zal ik roemen op mijn zwakheden’, want hij had altijd al iets met Paulus gehad. Ik had hem nog nooit zo lang achter elkaar horen spreken. Heel even gloeide het vuur in hem op, het oude geloof van de Mousen. Alleen God kan een mens redden, want geen enkel mensenleven kent enige verdienste. Zelfs het geloof was geen verdienste, maar een genade die je ontvangt. Zoiets had hij gezegd als slotwoord aan zijn collega’s. Vier jaar later was hij dood.

IMAGE00015

Die laatste jaren waren misschien niet de mooiste uit van zijn leven, maar ze mochten er wel zijn. Wij zijn toen nog vier keer op reis geweest naar Spanje tot Gibraltar aan toe. In de ogen van mijn vader was Spanje een paradijs op aarde waar je met een Fiat 600D precies in een maand helemaal doorheen kon rijden. Die kleine auto had hij in 1961 gekocht, een jaar voordat hij met pensioen zou gaan. Daarna was het elke zomer raak, en ik moest mee, al was maar om als tolk onderweg te fungeren en de kaart te lezen. ‘Fiat lux!’ placht mijn vader te zeggen als ik na enige dwaalwegen weer eens het rechte pad op de kaart had teruggevonden. We reden door de binnenlanden van Spanje dat toen nog veel primitiever was dan nu. In die dagen zag het Iberisch schiereiland eruit als Afrika, uiterst armoedig, maar zeer schilderachtig. Je trof er dorpjes aan, waar in geen eeuwen iets veranderd was. Soms waren de wegen uiterst slecht begaanbaar. In de gids van de ANWB werden ze dan ‘ontraden’. Maar mijn vader had er een sport van gemaakt om juist de streken op te zoeken, waar je eigenlijk nauwelijks kon komen.

In de zomer van 1965 deed de Fiat van mijn vader ook Castilië aan. Zo belandden we het ommuurde Avila en ook in Toledo. In deze bebouwde rots lijkt heel Spanje te worden samengevat in een decor dat is ingeklemd in een bocht van de Taag en aan het einde der tijden herinnert. In die stad lang heb ik een dag lang rondgedwaald, helemaal alleen, zelfs tijdens de siësta tien alleen nog de honden en de toeristen op straat te vinden waren. Ik ben er nog in het atelier van El Greco geweest, maar ook in de kathedraal, in de moskeeën en synagogen. Ik heb gezocht naar de onderaardse gangen, warrover ik gelezen het in Het vijfde zegel van Simon Vestdijk. Gangen waardoor je weg kon vluchten naar de Taag. Ik heb rondgelopen in het kapotgeschoten Alcazar, waar nog foto’s hingen van de belegering tijdens de Spaanse burgeroorlog. En die stad tenslotte heb ik een zwaard gekocht, want daar is Toledo is beroemd om is. Zo herinner ik mij die hete dagen in Spanje, opgesloten als ik mij voelde in de wereld van mijn vader, waarvan ik meende dat het mijn voorland was. Om te ontvluchten ging ik lezen, zodat de dagelijkse herinneringen uit die tijd bedolven zijn geraakt onder een dikke laag van literatuur.

De naoorlogse literatuur heb ik verslonden in die tijd van grote veranderingen, niet alleen in de wereld om mij heen, maar vooral ook in mijzelf. Ik had de leeftijd bereikt waarop ik de gave ging verliezen om de dingen te zien zoals ze niet zijn, maar me ook hardnekkig bleef verzetten tegen het onvolwassen verlangen volwassen te zijn. Ik las niet alleen De mens in opstand van Camus, maar ook Dagboek van een dief van Genet en verder alles wat ik te pakken kon krijgen, auteurs uit de tijd van de zwarte Romantiek, de godloochenaars die de poorten van de hel wilden openen. Ik stuitte op een kwaad waarvan ik het bestaan niet voor mogelijk had gehouden. Zo had ik op die zomerdag op een Spaanse camping de bodem van mijn ziel herkend in de woorden van een ander, blasfemische woorden van één van die zonen van Kaïn die mij voorgoed verdreven uit de Hof van Eden die mijn jeugd tot dan toe was geweest. Ik las hoe Markies de Sade een aanslag op de schepping beraamde, de loop van de sterren wilde verstoren, het heelal zou verpulveren tot stof. Een rotschop voor de kosmos, als een aanval van miljoenen atoombommen. Het toppunt van sadisme zou een God moeten zijn, die zelfs in zijn afwezigheid woede oproept.

‘God is het enige wezen,’ schreef Sade ‘dat, om te heersen, het zelfs niet nodig heeft om te bestaan.’ Toen dat summum van absurditeit tot mij doordrong, heb ik God uit het diepst van mijn hart vervloekt en hem uit het niets ter verantwoording geroepen voor al het kwaad dat hij in de wereld heeft achtergelaten. Ik wilde een steen naar de hemel gooien en vloeken: “Godisdoodverdomme!” Waarom had niemand mij dat verteld? Waarom moest ik daar uitgerekend hier achterkomen, ver van huis rijdend in een te kleine auto, alsof mijn hele jeugd werd samengeperst in dit benauwde koekblik op wielen. Zo werd ik woedend op God, omdat hij niet bleek te bestaan, in plaats van kwaad te worden op mijn vader die in mijn ogen geen vader kon zijn. In dit kale, Spaanse landschap lag de bodem van de hel, zoals Genet het in de slotzin van zijn Dagboek van een dief had verwoord: ’Het innerlijk bagno dat ik in mij ontdek nadat ik dat gebied in mijzelf heb doorkruist dat ik Spanje noem.’

Het was geen geruisloos proces van vervreemding geweest, dat mij geestelijk deed ontsporen, maar een plotselinge ervaring dat de wereld  op slot zat. Van de een op de ander dag ging er iets mis. Ik weet het nog goed, het was ook weer een zondag, de dag nadat ik met mijn ouders was thuisgekomen van de laatste vakantie samen met mijn ouders. Op 23 augustus 1965 werd ik ‘s ochtends wakker met een gevoel dat iets raars aan de hand was met mijzelf, alsof er een opeens glazen stolp om me heen zat, waarachter de wereld voorgoed onbereikbaar was geworden. Daarna kreeg ik leverinjecties van de huisarts, maar het hielp niet. Ik leefde voort als een zombie en alles ging zijn gewone gang. Ik ging ook weer school en maakte het eerste trimester af zonder al te veel problemen of signalen dat er iets mis was.

In november werd ik zelfs namens het Ignatiuscollege afgevaardigd naar een declamatiewedstijd in het Spinozalyceum, die jaarlijks werd georganiseerd voor alle middelbare scholen in Amsterdam. De week daarop – maar dat wist ik toen niet –  zou Gerard Reve een lezing houden voor de leerlingen van datzelfde Spinozalyceum. Die lezing was goed verlopen, zo meldde hij een paar dagen later in een brief aan Josine M. : ‘Behalve dan dat de rector over zijn zenuwen heen was & zo progressief als hij wilde zijn. Toch dacht dat elk ogenblik de hemel kon instorten, geloof ik.‘ De hemel stortte niet in die dag en de wereld evenmin, maar mijn leven zou weldra een andere wending nemen.

De hoofdprijs van de declamatiewedstrijd was niet voor mij weggelegd. Die ging naar Martine Bijl, de zingende doktersdochter uit Amsterdam Zuid, die dat jaar Willem Duys was ontdekt. Ze was even oud als ik, maar in mijn beleving was zij een vedette, die chansons zong van Anne Sylvestre en Barbara. Als leerling van het Spinozalyceum speelde zij die middag een thuiswedstrijd met het gedicht Fanfarecorps van Vasalis. Mijn vader zat in de zaal en complimenteerde mij nog na afloop met mijn voordracht. De rit naar huis was de laatste keer dat hij in zijn autootje reed.

In de nacht van 3 op 4 december kreeg hij een beroerte. Toch leek ook dit dramatisch gebeuren mij niet echt van mijn stuk te brengen. Integendeel, het ging eerder langs me heen, het raakte mij niet echt. Op de avond van 20 december 1965 zag ik het stuk Kleine Alice van Edward Albee in de Stadsschouwburg in Amsterdam. Ik ging er naartoe met een aantal klasgenoten samen met mijn godsdienstleraar pater Jos Vrijburg S.J. Die opvoering van Kleine Alice staat me nog helder voor de geest. In de pauze zag ik wederom Martine Bijl. Ze was even onbereikbaar als daarvoor. Achteraf heb ik nog nagepraat met mijn klasgenoten en ik heb zelfs nog een geïmproviseerde lezing over Kleine Alice gehouden op een speciaal belegde avond op school, waarbij ik volledig in trance raakte. Dat was woensdagavond 12 januari 1966, slechts vier dagen voor mijn spoedopname. Daarna ben ik gaan dwalen door de stad en heb ik nauwelijks meer geslapen. Ik hoorde geen stemmen, maar de stemmen namen bezit van mij. Ik begon – zo meende ik – de waarheid te spreken.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)