De rok van het universum

‘Een verrassende bijkomstigheid van Einsteins theorie is het effect van zeer heftige gebeurtenissen – van sterexplosies tot een versnelling van het heelal zelf – op het geheel van ruimte en tijd: er treden trillingen in op zoals wanneer er een tik op een drilpudding wordt gegeven. En het zijn die rillingen in de ruimte zelf, waarnaar kosmologen op zoek zijn als ze speuren naar de kosmische inflatie. Zulke gravitatiegolven vervormen de ruimte waardoor de kosmische achtergrondstraling beweegt. Aan de intensiteit van die straling is dat niet goed te zien, maar aan de trillingsrichting des te meer.’

Aldus Martijn van Calmthout in een artikel genaamd Grote klapper, in de wetenschapskatern van de Volkskrant van zaterdag j.l.. Het bewijs voor de snelle inflatie van het universum direct na de oerknal – een soort ‘overkoken van het heelal’, zo begrijp ik – lijkt vorige week geleverd. De bedenkers van de inflatietheorie  – Andrei Linde en Alan Guth – kunnen de Nobelprijs tegemoet zien. De ‘smoking gun’ is gevonden. Maar als ik probeer te begrijpen wat er nu precies gevonden is, dan gaat het duizelen is mijn hoofd.

In het artikel wordt het allemaal heel helder uitgelegd en toch snap ik er geen biet van. Het gaat me allemaal te snel. Het is net of je een schaakspel moet spelen en er steeds nieuwe stukken op het bord verschijnen. ‘De B-modepolarisatie van de kosmische achtergrond ruis?’ Ja ja, denk ik dan, gooi het maar in mijn pet. Ook al die fraaie diagrammen, die bij het artikel staan afgebeeld, maken het voor mij niet simpeler. Integendeel. Ik voel mij nietig ‘als een broodkruimel op de rok van het universum’, zoals Lucebert ooit dichtte.

Toen Einstein in 1954, ziek en verzwakt – nog geen jaar voordat hij zelf zou sterven – een condoleancebrief moest schrijven aan de weduwe van zijn oude vriend Michel Besso, kwamen er woorden in hem op die hij als natuurkundige nauwelijks verantwoorden kon. ‘De dood betekent niets’, zo schreef Einstein:

‘This signifies nothing, for us believing physicists the distinction between past, present, and future is only an illusion, even if a stubborn one.’ ( zie: hier)

Met andere woorden: wees niet bedroefd, de tijd is slechts een illusie. Maar als de tijd een illusie is, dan is deze wereld dat ook. Het hele universum met zijn oerknal, inflatie, lichtjaren en oneindige uitdijing in de tijdruimte,  de ‘B-mode polarisatie van de kosmische achtergrondruis’, dat alles zou slechts een illusie zijn van onze geest. Wij zien de snaren trillen van het heelal en horen de echo’s van de de eerste akkoorden van een nog onbekende symfonie. Er is geen tijd, er is geen ruimte, er zijn geen deeltjes, hoe klein ook. Er zijn alleen maar trillingen, tonen in een vreemde partituur, dingen die gebeuren. Gebeurtenissen in het niets. Zelfs het leven is slechts een rimpeling in een stille vijver van tijd.

4 april, 1980(3)0001

Cornelie in Harderwijk, 17 mei 1977 rond 15.oo uur

Wat is tijd? ‘Als je het niet vraagt weet ik het, en als je het vraagt weet ik het niet,’ schreef Augustinus in zijn Belijdenissen. Hij verbaasde zich over het gemak, waarmee wij tijd meten, alsof het een soort continue uitgestrektheid is, terwijl iedereen toch weet, dat de tijd  telkens weer uiteenvalt in drie delen: heden verleden en toekomst.

Hoe groot of hoe klein je de tijdspanne ook neemt, dat je meten wil – een eeuw, een decennium, een jaar, een maand, een week, een dag, een uur, een seconde of een fractie daarvan- telkens weer stuit je op die driedeling. In welke uitgestrektheid zou je de tijd dan de maat moeten nemen? Het is een hopeloze onderneming, en toch doen we telkens weer alsof er niets aan de hand is.  Ook onze beleving van tijd wordt voortdurend de maat genomen. We spreken over ‘de lange jaren vijftig’, ‘een dag die voorbij vliegt’, ‘de tijd die stil lijkt te staan’ of ‘een eeuwigheid lijkt te duren’. Hoe kan dat, als de tijd onmeetbaar is, omdat hij altijd in drieën uiteen valt?

Om het zichzelf wat makkelijker te maken, neemt Augustinus het voorbeeld van een lied, dat je uit het hoofd moet leren. Maar dan gaat het helemaal mis. Als je het lied vooraf bekijkt, kun je een inschatting maken van de tijd, die het gaat duren, als je het zingt. Maar als je bezig bent met zingen, dan gaat de verwachting aan wat nog komen moet voortdurend over in de herinnering aan wat voorbij is. Als je luistert naar de muziek, blijkt bovendien, dat je die drie delen – heden, verleden en toekomst – nooit helemaal los van elkaar kunt zien. In de muziek klinken de klanken, die al voorbij zijn gegaan, dóór in wat je hoort in het tegenwoordige.

Sterker nog, die interactie tussen het voorbije en het actuele is juist het meest eigene van de muziek. Het rare van muziek is, dat het zich voortdurend afspeelt in het heden, maar ondenkbaar is zonder de actuele herinnering aan klanken die zojuist geklonken hebben. Sterker nog, elke klank, die je hoort, roept tegelijk een verwachting op die – al dan niet –  in het heden gehonoreerd wordt. Muziek is in feite een functie van niet gehonoreerde verwachtingen, die bovendien voortdurend doorkruist worden door herinneringen aan voorbije klanken. Maar wat is dan het ‘nu-moment’ nog, waarin de muziek zich manifesteert? Dat ‘heden’ bestaat misschien niet eens. Misschien is het wel een illusie van ons brein, om te denken dat de tijd zich afspeelt in een eeuwig nu dat ondeelbaar is. Augiustinus schrijft:

Zo ben ik gaan denken dat de tijd niets anders is dan uitgestrektheid. Maar waarvan, dat weet ik niet. Het zou me verbazen, als het geen uitgestrektheid is was van de geest en van hem alleen.

Die ene zin is de meest raadselachtige van het hele boek Belijdenissen. De tijd zou een uitgestrektheid zijn van de geest zelf. Als dat waar is, dan zijn wij het zelf, die de illusie van de tijd in stand houden. Het idee, dat tijd een uitgestrektheid is, komt voort uit een zinsbegoocheling. De geest zelf genereert de illusie van de tijd. De muziek, die we horen, was er al, en alles wat komt is al geweest. Wij denken dat wij het zelf zijn, die voorbijgaan in een stroom, of dat de tijd door ons heen stroomt, terwijl wij stil staan. Maar geen van beide is het geval. We maken deel uit van het grote tapijt dat wordt uitgerold. En toch zijn wij gedoemd om de tijd te beleven als iets dat almaar voorbijgaat. Het leven gaat voorbij. Het leven is een illusie.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)