Het verlies van het midden

 ‘Mooi is wat op volmaakte manier naar zichzelf verwijst, en op zichzelf lijkt, een voorwaarde die door geen enkel voorwerp beter wordt vervuld dan door de bol.’ (…) ‘Wat moet er van de bol terechtkomen in een tijd zonder koningen. Wat moet er van koningen terechtkomen in een tijd zonder bol.’ (…) ‘De menselijke ruimte ontstaat door inenting met de dood’ (…) ‘Zijn we verwant aan het midden of zijn we eraan vreemd?’

Het zijn zomaar wat zinnen, weggeplukt uit het boek Sferen (1999) van Peter Sloterdijk. Dit boek leest als een geschiedenis van de wereld, dat wil zeggen: de historische teloorgang het wereldbeeld van de bol. Ons hedendaagse bewustzijn zou je kunnen kenschetsen als een permanente staat van heimwee naar de bol. Het midden van de bol. De bol die ooit alles omsloot en waarin het centrum samenviel met de wereldziel. Het begrip ‘wereldziel’ heeft van Plato tot Schelling de westerse filosofie beheerst. Maar dat wereldbeeld is stilaan verdwenen. Het heimwee naar het monosferische wereldbeeld ontstond gaandeweg in de moderne tijd, en met name in wat in het discours van het katholieke antimodernisme ‘het verlies van het midden’ is gaan heten.

Verlust der Mitte, zo heette ook het boek van de conservatieve cultuurcriticus Hans Sedlmayer. Vanuit het perspectief van onze tijd ligt dat monosferische wereldbeeld een wereldtijdperk achter ons. De bol is dood. God is dood.  We zijn het heimwee naar de bol gaan voelen door een nieuwe metafysische interpretatie van de ruimte. Het heimwee naar de bol ging op een wonderlijke manier samenvallen met het heimwee naar de moederschoot. De zee, de zee. We hebben heimwee naar de zee, de oerzee die zonder ophouden dezelfde wezens voortbrengt, verbaasd te leven en onophoudelijk dezelfde woorden sprekend die als schelpen aanspoelen op hetzelfde strand.

Heimwee is het verlies van het vroeger, het vruchtwater, de tijd die er ooit was toen alles nog wees naar het midden van de bol. Dat gevoel heeft iets mateloos. Als het zich eenmaal aandient verwijdt het zich zonder ophouden. Het spreidt zich uit als een zwerm spreeuwen in de lucht, als een druppel olie op de oceaan. Toen ik zo’n jaar of veertien was fantaseerde wel eens dat ik een oliedruppel was. Ik had ergens gelezen dat moleculaire structuur van olie zodanig was dat één druppel olie zich vrijwel eindeloos op het oppervlak van de zee kon uitspreiden. De moleculen onttakelden zich dan in hele lange ketens die zo een vliesdun olietapijt op het water konden vormen.

Dat leek me prachtig, mezelf als een oliedruppel uitspreiden over de oceaan. Later bedacht ik dat dit oceanisch verlangen een puberale, orgastische fantasie moet zijn geweest en tegelijk op een diep gevoeld heimwee moest duiden. Een basaal terugverlangen, niet alleen naar de prilste kindertijd, maar ook naar de zee. Mogelijk duidt het ook op een heimwee naar het embryo. De zee staat immers voor de moeder, maar de moeder staat ook voor de zee. Ooit is iets wat een mens zou worden uit de zee gekropen en opgekrabbeld op het strand. Voortaan leefde hij van de lucht. Water werd zuurstof en het laatste wat een mens ontdekt is het eerste water waarin hij zwom.

Hoe dan ook, toen de eerste golfslag van de pubertijd zich aandiende op de levenszee werd mijn verlangen gewekt om terug te keren. Je zou dit mijn ‘oceanisch gevoel’ kunnen noemen. Mijn heimwee naar de zee.  De term ‘oceanisch gevoel’ werd bedacht door Roman Rolland en overgenomen door Freud. Volgens het psychoanalytisch woordenboek betekent het letterlijk: ‘een onlosmakelijke verbondenheid, een intens gevoel van saamhorigheid met de buitenwereld in haar geheel’. Die buitenwereld kun je ook metafysisch opvatten. Volgens Rolland zou dit oceanische gevoel aan de basis liggen van de religie en de religieuze ervaring. Uiteindelijk verlangt ieder mens terug naar de zee. Waar je vandaan komt, daar wil je ook weer terugkeren. Het leven is een spel van cirkels. Life is a circle game.

Mijn vermoeden dat er een kringloop van het verlangen bestaat – met de zee als oorsprong en vervulling – werd bevestigd toen ik het boek las van Sándor Ferenczi: Het oceanisch gevoel (1924). Ferenczi, die door Freud als zijn meest briljante leerling werd beschouwd, trekt in dit boek – op uiterst speculatieve, maar ook fascinerende wijze – allerlei parallellen tussen de ontwikkeling van het biologisch leven op deze planeet en het ontstaan van menselijke seksleven. Het biologisch leven op aarde heeft een spectaculaire ontwikkeling doorgemaakt toen de vis-achtigen – door het droogvallen van de zeeën – het land opkropen. Je ziet dan opeens dat hun kieuwen zich langs de evolutionaire wetten van Darwin ontwikkelen tot instrumenten voor kruipen en lopen.

Zo ontstaan de eerste kruipende wezens, eerst met ‘achterpootaandrijving’ en daarna met ‘vierpootaandrijving’. De ademhaling, die voorheen middels kieuwen gebeurde, krijgt dan een nieuw respiratief systeem, waarbij de zuurstof niet langer aan het water maar aan de lucht moet worden onttrokken. Deze dramatische veranderingen voltrekken zich telkens weer als een soort echo uit een ver verleden in de embryonale ontwikkeling van de foetus, waarin de transformatie van vis via amfibie, reptiel naar zoogdier nog stap voor stap valt af lezen. Deze parallellen waren voor een deel gebaseerd op – zoals we nu weten – uiterst dubieuze tekeningen van de negentiende-eeuwse bioloog en filosoof Ernst Haeckel. Ook de geboorte zelf – met zijn eerste oerschreeuw die de longen open moet scheuren – was vogels Ferenczi een soort basale herhaling van het traumatisch vertrek uit de zee.

Heimwee naar de zee ligt dus diep verankerd in het menselijk organisme. Vanuit die gedachte ziet Ferenczi een reeks van parallellen niet alleen in het embryo, maar ook in de geslachtsdaad, de roes, het slapen en zelfs het stervensproces. De mens wordt gekenmerkt naar het streven naar herstel van het zee-bestaan in het vochtige en voedselrijke lichaam-inwendige van de moeder. Op grond van ‘het principe van de symbolische omkering’, dat Freud had ontdekt in zijn droomduiding, zou dus de moeder als symbool of partieel surrogaat of de zee optreden en niet omgekeerd.

De psychoanalyse had geleerd dat alle biologische en psychische processen zijn gemotiveerd en gedetermineerd en zo ontstond de hypothese van het heimwee naar de zee – ‘de thalassale regressiedrang’ – dat als een soort ‘moedermal’ niet alleen het driftleven van de mens bepaalt, maar in feite als een onderliggende drijfveer in al het menselijk voelen, denken en handelen te herkennen valt. Het vruchtwater van het embryo staat in feite voor een – in de moederschoot geïntrojecteerde – zee, waarin het tere en uiterst kwetsbare embryo zich letterlijk als een vis in het water voelt.

De traumatische ervaringen uit onze oertijd van deze soort zijn niet alleen nog in de mens zelf aanwezig, ze vormen ook een belangrijke motor in de evolutie. Wat wij ‘overerving’ noemen is in feite afschuiven van onverwerkte traumatisch onlust naar het nageslacht. Seks bedrijven is een tot opperste lust verheven traumatische verwerking van heimwee naar de zee. De reukzin, die bij seks zo’n cruciale rol speelt, is nog altijd uiterst gevoelig voor maritieme geuren. Niets voor niets ruikt de vagina naar vis. Ferenczi beschrijft heel specifiek hoe de onze wijze van seks beoefenen zich mogelijk evolutionair ontwikkeld heeft na het verlaten van de zee. Vissen, die begiftigd waren mate een speerachtige uitstulping, beginnen het wijfje letterlijk te doorboren, waardoor bij het wijfje zich een vagina-achtige schacht voor de bevruchting ontwikkelde en de biologisch polariteit van de seksen een feit is.

Deze speerachtige uitstulping is nog altijd te zien bij de narwal. Recent onderzoek heeft aangetoond dat hun ‘zeesperen’ niet als wapen dienen maar als uiterst gevoelig tastorgaan dat met heel ontelbare gevoelssensoren is uitgerust, een soort hypergevoelige ‘penis avant la lettre’ dus. De speer van de narwal is dus de doeloorzaak bij uitstek van ons seksleven. Ferenczi wijst ook op de foetushouding die de mens nog altijd aanneemt tijdens de slaap, waaruit niet alleen het verlangen naar de moederschoot tot uiting komt, maar ook het heimwee naar de oceanische ervaring van de zee.

Ferenczi trekt zijn theorie zelfs tot het uiterste door. De embryonale houding keert niet alleen terug in de slaap maar ook bij de dood. Primitieven begraven hun doden in een embryonale hurkzit en bij ook bij stervenden is vaak de embryonale houding te herkennen, zoals bij de door lava overvallen slachtoffers bij de ondergang van Pompeï. Het doel van het leven, zo stelt Ferenczi letterlijk, is de biologische dood, want het levenloze was er eerder dan het leven. Heimwee naar de dood is in feite de oerkracht van de levensdrift. Daarbij komt hij op een gedachtegang die zo rond 1900 wel meer voorkomt. Dood en leven zijn geen tegenpolen, maar nauw met elkaar verweven in de meest letterlijke zin. Ook Ernst Mach speelde met die gedachte. Niet voor niets verwijst Ferenczi naar in dit verband naar de woorden van Nietzsche: ‘Alle organische materie is uit anorganische ontstaan, het is dode organische materie. Lijk en mens.’

De grens tussen het dode en levende is vaag en zelfs in biologische zin nooit scherp te trekken. De anorganische en organische wereld vormen in feite een permanent op en neer golven van levensmoed en stervenswil. Op de oceaan van het leven drijft het heimwee naar de dood. Vandaar ook dat doodsangst, volgens Ferenczi, niet zelden gepaard gaat met de opperste seksuele opwinding, de zogeheten ‘angstlust’ die zelfs tot een ejaculatie kan leiden zoals bekend is bij gehangenen en gekruisigden. Eros en Thanatos zijn twee keerzijden van dezelfde medaille. Het verlangen naar lichamelijke vereniging is een omweg naar het sterven. De seksuele extase is de kleine dood. De grote dood is het ultieme verlangen dat uitmondt in de zee: vruchtwater en lijkvocht tegelijk. Leven en dood, eb en vloed, ze komen samen allemaal in de oceaan van aarde en maan.

Ik heb altijd vermoed dat ik al sinds mijn geboorte in hevige mate met heimwee belast ben. Dat is ook niet zo verwonderlijk als je bedenkt, dat ik een maand te laat geboren ben. Mijn moeder was al vier weken overtijd toen de eerste weeën zich aandienden. Mijn geboortetrauma moet dus immens zijn geweest. Of misschien juist niet. Misschien heeft mijn symbiose met het vruchtwater te lang geduurd en is er juist te weinig sprake geweest van een breuk. Voer voor psychologen wellicht, maar zelf zal ik er nooit achter komen. Bestaat er eigenlijk zoiets als een prenataal bewustzijn? Bewaar ik daar nog herinneringen aan? Kan ik diep in mijn geheugen terugkeren naar het vruchtwater, waarin ik ooit als foetus heb rondgedreven? Is er een weg terug naar de zee? Retour a la mer. Retour a la mère…

Volgens de meeste psychoanalytici is de mystieke ervaring niets anders dan een regressie naar de vroegkinderlijke ervaring van symbiose met de moeder, een gewaarwording van ‘disclosure’ alsof het organisme weer even een geheel vormt met de bron waar het uit voortkomt, wat een schijnbare ontsluiting van het bewustzijn teweegbrengt. Kortom: het oceanisch gevoel. Het zou een ziekelijk fenomeen zijn dat duidt op onvolwassenheid en een onvolgroeid gevoelsleven, een narcistische state of mind die een goed functioneren in de weg staat.

Maar is dat ook zo? Het is een bekend gegeven dat stervenden bij voorkeur de foetushouding aannemen. De door de lava vereeuwigde lijken uit Pompeï ogen als ongeborenen die bevroren zijn in de tijd. Ook bij het inslapen nemen veel mensen die houding aan. Alsof de slaap iets van doen heeft met het tijdloze zweven in het vruchtwater. Idioten hebben die kennis van zich zelf. Ze hebben de wijsheid van het lichaam niet verloren. Sterker nog, ze keren terug naar de warme, moederlijke zee, elke keer weer – zoals in het gedicht van Vasalis – als een idioot in bad wordt gestopt.

En elke week wordt hij opnieuw geboren
en wreed gescheiden van het veilig water-leven,
en elke week is hem het lot beschoren
opnieuw een bange idioot te zijn gebleven.

Een idioot denkt niet. Hij ondergaat gewoon wat hem overkomt. Het volledig opgaan in het heden, zonder de splitsing van het woord dat losbreekt uit de tijd. Het bad is de gedroomde werkelijkheid die de dichter herinnert aan het eigen verlangen om tot een hereniging te komen met een volledig geleefd moment met een open horizon. De idioot, dat zijn wij allemaal, verbannen uit het paradijs van het eeuwige nu, en telkens weer aarzelend tussen heimwee naar een verloren moederschoot en het verlangen naar een beloofd vaderland. Maar de idioot in bad heeft daar geen weet van. Of juist wel. Elke week wordt hij opnieuw geboren en huilt hij even.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)