Herinneringen aan Luciano Harms

venlo0001

Luciano Harns overleed op 11 april 1995. Vijfentwintig jaar lang was hij verbonden geweest aan Schouwburg De Lawei in Drachten. Ooit begonnen als acteur bij de Noorder Comapgnie eindigde hij bij De Galerij van De Lawei, waar hij met veel verve de kunst beheerde en tentoonstellingen maakte. Kunstenaars hielden van Luciano en Luciano hield van kunst. Hij had een bewogen leven achter de rug dat ooit begonnen was in Argentinië.

Luciano was een kleurrijk mens met veel humor. Hij was een onverbeterlijk liefhebber van een alledaagse kunstvorm die tegenwoordig helaas wat in onbruik raakt: de practical joke. Een etentje bij ons thuis wist hij op te vrolijken door een reeks grappen en grollen die met behulp van artikelen uit plaatselijke feestwinkel in werking werden gezet. Zo bleek er opeens een vlieg in de koffie te drijven die in een suikerklontje verstopt had gezeten. Het brandgat het tafelkleed, waar Luciano met ontzetting op wees, bleek nep te zijn en zelfs het geluid van een scheetkussen bleef ons tussen de gangen van dit diner niet bespaard.

Marijke was uit op wraak en had een week later voor de opening een tentoonstelling in De Lawei een hard gekookt ei meegenomen dat zij bij het zien van Luciano plotseling in zijn richting wierp: ‘Hier Luciano, vangen!’ Waarop de als altijd smaakvol geklede beheerder van De Lawei verschrikt probeerde dit ei te vangen om zo verschoond blijven van fluim eigeel op zijn rood geruite colbert dat hij kort tevoren in een boetiek in Amsterdam had aangeschaft. Van schrik liet hij een blad met lege glazen vallen en de scherven daarvan belandden samen met het hardgekookte ei in een plastic zak die bij nader inzien van Johan van Aken bleek te zijn, maar dat kwam pas later aan het licht, toen deze, thuis gekomen, vol verwondering tussen zijn eigen spullen het ei tussen de glasscherven gewaar werd.

Begin jaren negentig werd bij Luciano de ziekte aids geconstateerd en moest hij stoppen met werken. In 1994 nam hij officieel afscheid bij De Lawei. Iedereen was er. Luciano kreeg zelfs een lintje. Die bijeenkomst verliep dramatisch, want Luciano wilde eigenlijk helemaal niet afscheid nemen. Vaak was hij nog bij openingen in de Lawei te zien, rijdend in zijn scooter. Luciano werd 51 jaar.

De dag na zijn overlijden belde Tjitte Kamminga mij op. Luciano had gewild dat ik zou spreken op zijn begrafenis. Jan Loman zou ook het woord voeren. Luciano werd begraven in een kist die beschilderd was door Geert Schaap. De begrafenis vond plaats op het kerkhof in Bakkeveen. Dat was een bedevaartsoord voor Luciano, omdat hij jaarlijks hier het graf van Hendrik Werkman bezocht. Honderden mensen waren erbij die dag. Het was de zaterdag voor Pasen. Stille zaterdag.

***

Als mij niet was verteld dat hij het zelf zo heeft gewild, dan had ik hier niet gestaan. Ik had het liefst net als 
u in stilte afscheid genomen. Geen toespraken, geen overbodige 
woorden. Alleen nog één keer zijn gezicht zien. Wat bloemen 
leggen op het graf en dan stilletjes door de achterdeur verdwijnen. Ik zou het liefst niet spreken. Alleen even zwaaien 
in gedachten, zoals ik dat zo vaak heb gedaan als ik hem zag 
zitten in zijn scooter. Ik zou het liefst – zoals hij dat dan 
deed – alleen wat getoeterd hebben. Heel eventjes maar. Elk 
woord leek immers teveel. “Hoe gaat het?”, kon je zo moeilijk 
vragen. Zelfs “Tot ziens” kreeg een beetje een dubbele bodem. 
Misschien wàs er geen ‘tot ziens’ meer. Geen volgende keer. 
Geen nieuwe tentoonstelling, waar we elkaar zouden treffen bij 
de opening. Elke keer weer schoten woorden tekort. Maar zelf 
zat hij daar niet zo mee. Hij was er altijd, ook als hij er 
eigenlijk ,niet meer hoorde te zijn. Die ene keer bijvoorbeeld toen er niets meer te openen viel. Zijn afscheid bij De Lawei had veel weg van een voortijdige begrafenis waar de overledene 
zelf aanwezig was. Het leek een generale repetitie te zijn. 
Een laatste oefening in gezamenlijk afscheid nemen. Vandaag is 
het dan eindelijk zover. Dit is geen generale meer, maar de 
première. Alleen nu spelen we geen toneel. De hoofdrolspeler 
zal ook niet meer zelf op het podium verschijnen. Er is hier 
geen souffleur, geen tekst, er zijn geen passende woorden 
meer. Geen rol waarin ik mij nog voor u kan verschuilen. 
Luciano is er niet meer.

Ook na zijn officiële afscheid bleef Luciano tentoonstellingen 
bezoeken. Zo heb ik hem langzaam uit zijn eigen leven zien 
wegrijden. Alsof zijn scooter op een flauwe helling stond en 
de rem het niet meer deed. Hoe moet dat voor hem zelf zijn ge
weest. Alsmaar horen, zien en zwijgen tot de laatste tentoon 
stelling geopend is verklaard. Alsmaar wachten tot de laatste 
spreker klaar is. Alsmaar applaus voor een ander. Op een keer 
toeterde hij toen ik zelf klaar was met spreken. Eén keertje 
maar, bij wijze van bescheiden waardering. Misschien was het 
leven voor hem zelf wel één grote tentoonstelling geworden. Of 
een toneelstuk wie zal het zeggen. Het leven is kort, maar de 
kunst duurt lang. Maar is dat wel zo? Is het omgekeerde niet 
even waar? Wat is de kunst zonder het leven? Wat is het leven 
zonder de kunst? Is er een punt waar het een op houdt en het 
ander nog door kan gaan. Hoe het ook zij, voor Luciano leek er 
geen enkel verschil te bestaan. Voor hem betekende het leven 
voor de kunst tegelijk ook de kunst om verder te leven, zelfs 
met de dood in de ogen. Hij was meer dan zomaar een levenskunstenaar. Dat woord klinkt immers zo hol. Zo bon vivant. Je 
hoort haast de echo van het toneel. Nee, voor Luciano was het 
leven zèlf kunst en de kunst meer dan toneel alleen. Hij stond 
voor en achter de schermen. Hij rolde de loper uit, veegde de 
vloer aan, draaide lampen in, en deed het licht op. Het liefst 
ging hij ook nog zelf rond met de drankjes en de hapjes, 
grappen makend als een Engelse butler die de hele wereld heeft 
gezien. Hij had een hart zo groot als een podium. Waar hij ook 
was, vroeg of laat brak de zon door. Vroeg of laat brak de 
spanning in een bevrijdende lach. Vroeg of laat zou het alle
maal voorbij kunnen zijn. Nu is het voorbij. Luciano is er niet meer.’

Ik had hem nog graag één keer gezien. Niet in die scooter, 
maar gewoon aan het werk. In de laatste dagen voor de 
opening van een tentoonstelling, als alles klaar moest 
zijn. Als de tijd dringt, de schilderijen moeten uitgezet, 
opgehangen, de muren nog gewit. Luciano was dan op zijn 
best. Als een kind kon hij zich verheugen op het naderende 
feest van de opening. In zijn koffertje, beplakt met stickers, zat ook altijd wel een feestartikel. Een grap en 
een grol, liefst op de rand van de goede smaak, en als het 
even kon daar net over heen. Hij kon lachen door zijn tranen 
heen. Don’t cry for me, Argentina. Hij was een clown als bet 
zo uitkwam. Maar wat was Luciano eigenlijk niet? Ooit was bij 
diplomaat, later weer acteur. Hij zag de oorlog in Vietnam, 
maar ook de rookbommen als genodigde bij het huwelijk van Beatrix en 
Claus. En dan weer stortte hij bijna neer met een vliegtuig 
boven Frankrijk. Zijn leven ging niet wat je noemt 
geruisloos voorbij. Het begon altijd opnieuw met weer een 
andere vertoning. Wat had er eigenlijk nog meer kunnen 
gebeuren? Ja, aids … ook dat nog! Je wist ook nooit precies wat hij nog allemaal in zijn koffertje had zitten. De pit 
van een zonnebloem, een ei van goud, of’ een groene 
waterpistool. Ook als alle kunstwerken op hun plek hingen, 
als alle kunstjes waren vertoond, dan was hij er altijd nog 
zelf, onvoorspelbaar als het leven, overal voelbaar 
aanwezig, zelfs na sluitingstijd. Hij zou een kunstenaar 
zijn geweest als het allemaal anders was gelopen. 
Misschien was hij iets tussen een klein kind en een heel groot mens. Te groot voor Drachten, te klein voor de wereld. 
Maar wie of wat hij ook was, Luciano is er niet meer.

Alleen 
zijn warmte is er nog, hier in ons hart, een warmte die je 
blijft voelen, ook als de zon met zijn schitterend licht 
achter de wolken verdwijnt. Dag lieve Luciano.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)