Herinneringen aan Sikke Doele

Op 29 juni 2002 overleed Sikke Doele. Toen ik het hoorde was ik met een bus vol Friese kunstenaars op weg naar de Documenta in Kassel.  Onderweg had ik nog net tijd om een condoleance-advertentie door te geven aan de LC.

Schermafbeelding 2014-02-10 om 21.28.33

Later dat dat jaar, in november, werd er een herdenkingsbijeenkomst georganiseerd in Schouwburg De Harmonie. Gisteren, bij het opruimen van mijn ladekasten, vond ik de tekst terug van het verhaal dat ik voor die gelegenheid geschreven heb.

***

De beste kritiek op een kunstwerk is een ander kunstwerk. Deze woorden van Baudelaire 
schoten mij te binnen toen mij gevraagd werd iets te zeggen over de kunstcriticus Sikke 
Doele. De kritieken van Baudelaire worden vandaag de dag niet meer gelezen. Ze hebben de 
tand des tijds niet overleefd. Niet omdat ze niet goed waren. Integendeel. Maar ze haddden 
betrekking op werk van kunstenaars van de 19de eeuwse salons, namen die nu grotendeels 
geen bekendheid meer genieten. Wellicht is de kunstkritiek van Sikke dat zelfde lot 
beschoren. In de meer dan drie decennia dat hij zijn recensies schreef voor de Leeuwarder 
Courant ging het immers over kunstenaars die over honderd jaar voor het merendeel 
vergeten zullen zijn. Wereldberoemd in Friesland, maar te klein voor de geschiedenis.

Alleen al om die reden zou het vanavond misschien in de eerste plaats over de poëzie en het 
proza van Sikke moeten gaan. Als er iets van hem overleeft zullen het niet de woorden zijn 
die hij wijdde aan de zoveelste expositie in Galerie de Estrik in Surhuisterveen of de 
Middelste Dam in Mildam. Zoals prins Claus tientallen molens heeft moeten openen, zo heeft 
Sikke honderden, misschien wel duizenden tentoonstellingen bezocht en besproken. 
Niettemin heb ik hem nooit kunnen betrappen op iets wat ook maar in de verte leek op een 
Prins Claus-syndroom. Er zijn tijden geweest dat Sikke vrijwel alles bezocht en van 
commentaar voorzag. Elke uitstalling van kunst in welke uithoek van deze provincie dan ook 
kreeg aandacht in zijn Friese Galerij, een gewoonte die pas in het begin van de jaren negentig 
werd losgelaten.

Die drang naar volledigheid hoorde destijds niet alleen bij de krant waarvoor hij schreef. Het 
hoorde ook een beetje bij Sikke. Geen detail dat hem ontging geen kunstwerk dat hem te min 
was. Later begon hij ook grote artikelen te schrijven over tentoonstellingen in het land of 
elders in Europa. Maar altijd met diezelfde aandacht en zorgvuldigheid die hij ook had voor 
het kleine en nabije. Hoe vaak moet hij niet over poëzie hebben gedroomd als hij schreef over 
kunst? En toch, als Sikke iets was binnen het brede veld van interesses dat hem bezig hield, 
poëzie, literatuur, jazz, fotografie, politiek activisme, de teloorgang van de binnenstad, dan 
was hij toch allereerst kunstcriticus en daarna pas al dat andere. Hij was voor alles een kind 
van zijn tijd dat zijn hart had verpand aan de beeldende kunst. Zijn vroegste liefde die hij tot 
het laatst toe trouw is gebleven. Als kunstcriticus, zo besefte hij, hoor je met beide benen in 
het hier en nu te staan. Je moet van je eigen tijd zijn. Alsof hij ook die woorden van 
Baudelaire als geen ander had verstaan. Il faut être de son temps.

AA Doele Sikke Halbes 20020701 LC in memoriam

Naast een kind van zijn tijd was hij ook een kind van de jaren zestig. Sinds dit roerige tijdvak 
bij menigeen onder verdenking is komen te staan, lijkt het geen aanbeveling om iemand als 
zodanig te typeren. Maar Sikke had iets met the sixties in de goede zin van het woord. Een 
kritische houding en een sterke maatschappelijke betrokkenheid gingen bij hem altijd samen 
met een milde distantie en een groot vermogen tot relativeren. ‘Sikke bracht de sfeer van de 
jaren zestig bij de krant,’ zo typeerde Asing Walthaus de komst van deze langharige 
rebel op de redactie van de krant in 1966. Het was een tijd waarin de regenteske sfeer van de 
Friese notabelen het publieke domein beheerste. De tijd ook dat een burgemeester een 
kunstenaar nog de wacht aan kon zeggen als hij vond dat zijn oren te groot waren uitgebeeld 
in een portret. Een tijd waarin hoofdredacteuren smalende commentaren weidden aan 
werkschuwe artiesten die op kosten van de gemeenschap de zoldervloeren van de Friese 
gemeentehuizen deden kraken onder het gewicht van nutteloze kunst uit de contraprestatie.

Soms vraag ik me wel eens af of de jaren zestig in Friesland ooit echt hebben bestaan. Ais je in 
die tijd een kind van je tijd wilde zijn, moest je toch vooral elders zijn, dat wil zeggen overal 
behalve hier. Pas later immers kwamen de verhalen, toen in de slipstream van Gerard Reve 
de grote trek van langharige artistiekelingen uit de Randstad op gang kwam. Sikke kon 
geïrriteerd reageren als je zoiets beweerde. De jaren zestig waren volgens hem ook hier in 
Friesland, en zeker in Leeuwarden, wel degelijk aanwezig geweest. De eerste 
samenscholingen van jonge, opstandige kunstenaars, of alles wat daar voor door wilde gaan, 
waren zelfs mede door Sikke georganiseerd. Ze kwamen bijeen in het begin van de jaren 
zestig midden in dat benauwde Friesland van regenten en notabelen, van boeren, burgers en buitenlui. Jongens in zwarte coltruien en meisjes met de pony van Gréco zochten elkaar op 
in rokerige lokalen, waar gesproken werd over Boris Vian en de bas van Charles Mingus. 
Tijdens de zondagse jazzmiddagen in de Bar de Paris bijvoorbeeld, midden in het Saint 
Germain de Prés van de Friese hoofdstad, De Oude Doelesteeg, een wonderlijke naam, die 
nu – vier decennia later – met weinig moeite in de Sikke Doelesteeg kan worden omgedoopt.

Toen Peter Karstkarel in 1980 een overzichtsartikel publiceerde over de naoorlogse kunst in 
deze provincie, reageerde Sikke als door een adder gebeten, toen aan de dit vergeten 
hoofdstuk van de Friese avant-garde totaal geen aandacht werd besteed. Zo was nota bene 
Beeg ’62 vergeten, een groepering die in die dagen als jonge Titaanljes met hun hoofd boven 
de wereld zweefde, maar niettemin uiterst actief was. Ze vormden een dadaïstisch getinte 
vereniging, waarvan Sikke destijds secretaris en zijn broer Piter later de penningmeesters 
was. Een groep die heel wat Fries talent had voorgebracht. Exposeren deden ze in een 
leegstaand pand in de Heerestraat nummer 29, maar ze voerden ook absurdistische 
toneelstukken op en hielden wonderlijke acties op straat. Zo werden voorbijgangers op de 
Nieuwestad naar hun mening gevraagd over de Cubacrisis, waarna ze ongeacht de aard van 
het antwoord getrakteerd werden op een daverend applaus. We schrijven dan 1962, precies 
veertig jaar terug. Nog maar een paar maanden tevoren had Wim T. Schippers een 
limonadeflesje leeggegoten in de Noordzee bij Petten. In Parijs dwaalden de situationisten 
doelloos door de stad, bij elke straathoek discussiërend over de richting waarin de wandeling 
vervolgd zou moeten worden. Er hing iets rebels in de lucht in die dagen waarin de kunst in 
Europa opnieuw bij nul leek te beginnen. Die ijle lucht van vrijheid heeft Sikke als geen ander 
opgesnoven.

Niet dat hij die rebelse periode van acties en Provo idealiseerde of romantiseerde. 
Integendeel, hij moest er met het klimmen der jaren niet zo veel meer van hebben. Zijn 
ideologische veren schudde hij een voor een af, maar een paar wilde haren bleef hij altijd 
behouden. Zo kon hij geamuseerd toezien op zijn Friese leeftijdsgenoten, die destijds vooral 
braaf en burgerrijk waren geweest, of square zoals dat heette in die dagen, en pas op een veel 
later tijdstip deze opstandige periode opnieuw ontdekten. Als te laat gearriveerde 
feestgangers, allesbehalve een kind van hun tijd. Alleen Sikke had het allemaal echt beleefd. 
Zo kon hij de Friese tijdgenoot worden van een generatie kunstenaars die in het decennium 
daarna vooral van elders kwam en om zich hier te nestelen in kleine huisjes aan de dijk. In 
een land waar het leven voor een kunstenaar – ondanks alles – goed was. Een land waar 
weldra, zoals Martin van Amerongen schreef, achter elke graspol een kunstenaar woonde.

Sikke schreef over de kunst van die generatie als vanuit een gedeelde ervaring. Hij volgde 
hun ontwikkeling en begreep hun mentaliteit. Hij deed dat niet vanuit een defensieve 
houding tegenover nieuwlichterij, zoals dat in de kritieken van zijn voorgangers wel eens 
doorklonk. En anders wel bij al die streekvedetten uit ’t Boun fan Fryske keunstners, die zich 
konden wentelen in gekoesterde miskenning. Sikke stelde zich onbevangen op, niet alleen 
tegenover de oude garde die hij respecteerde, maar ook ten aanzien van nieuwkomers die 
hem intrigeerden. En niet te vergeten tegenover de nieuwe lichting van eigen bodem. De 
Bende van de Blauwe hand, Paul Panhuysen en Harmen Abma. Maar ook Sjoerd de Vries, 
Willem van Althuis, lds Willemsma en allen die daarop volgden. Hij schreef over iedereen en 
altijd ter zake, telkens weer formulerend op basis van eigen waarneming.

Hij was een 
criticus met een brede scoop en met een breed register van gevoelens. Onpartijdig en 
gewetensvol. In alle stormen die de Friese kunstenaarswereld door de jaren heen in 
beroering brachten wist Sikke altijd feilloos zijn positie te kiezen. Kunstenaars zijn soms rare 
mensen, met extreme opvattingen en emoties die zeer hoog op kunnen lopen. Maar of het nu 
om de BBK van Martine Bakker ging, het FRIA van Chris Fokma, of het Platform van John 
Leenen, Sikke vormde zijn eigen mening op basis van hoor en wederhoor. Hij was een 
ooggetuige die zich van niemand wilde verwijderen, maar zich ook aan niemand leek te 
verbinden. Voor iedereen had hij respect en voor niemand teveel ontzag. Hooguit een beetje 
voor Thom Mercuur, maar dat zij hem bij deze vergeven.

In die positie was Sikke in menig opzicht het geweten voor de beeldende kunst in deze 
provincie. Inhoudelijk werd aan zijn oordeel waarde gehecht. Je kon je mening toetsen aan 
alles wat hij schreef Het gaf niet of je het altijd met hem eens was, Sikke was een betrouwbaar 
ijkpunt, maar ook een toegankelijk aanspreekpunt, een vast baken dat voor velen een richting 
aangaf. In die zin is een goed kunstcriticus voor een krant van veel groter belang dan door 
menigeen wordt gedacht. Een criticus heeft niet alleen een functie voor zijn lezers, hij is ook 
een belangrijke factor voor de kwaliteit van een kunstklimaat, vooral in een regio als 
Friesland waar er niet zo veel betrouwbare toetstenen voor artistieke kwaliteit voor handen 
zijn. Hij sprak, en dat is misschien wel zijn grootste verdienste, in de taal van de kunstenaars 
zelf.

De kwaliteit van kunstkritiek is ons zorg allen aangaat, een zorg die je misschien niet 
alleen aan een krant mag overlaten. Pas de laatste jaren dringt ook bij de overheid besef door 
dat kunstkritiek een sleutelfunctie vervult in het culturele klimaat. Een kwetsbare schakel die 
je moet koesteren en stimuleren. Een landelijke prijs voor de kunstkritiek werd pàs vijf jaar 
geleden ingesteld. Subsidiemogelijkheden voor bijzondere publicaties van critici zijn zelfs van nog recenter 
datum. In Friesland is zorg voor de kwaliteit van de kunstkritiek vaak nog een blinde vlek 
Alleen alom die reden heeft de dood van Sikke een grote leegte achtergelaten, een leegte die 
bij menigeen zorgen baart voor de toekomst. Vanuit die optiek zou een Sikke Doeleprijs voor 
de Friese kunstkritiek een goed initiatief kunnen zijn. Een stimulans voor ieder die in deze 
provincie schrijft over kunst in de breedste zin van het woord. Een waardig eerbetoon ook 
aan alles wat Sikke voor de kunst in Friesland heeft betekend.

Sikke was een zachtmoedig mens, een karakter dat zeldzaam is in deze wereld en 
tegenwoordig steeds zeldzamer lijkt te worden. Misschien is die aangeboren eigenschap niet 
de meest ideale predispositie voor een kunstcriticus. Daarvoor moet je immers je pen kunnen 
dopen in vitriool. Scherp zijn, cynisch of zelfs sarcastisch als het moet. Zachtmoedigen zoeken 
doorgaans de nuance, de grijstinten in plaats van het felle contrast. Sikke schreef ook vaak 
milde kritieken, wat hem ook wel eens werd verweten En toch, wat je vaak ziet bij 
zachtmoedigen, je moet ze niet tergen. Ze hebben een grens, die verder ligt dan bij gewone 
stervelingen, maar als die eenmaal wordt overschreden kan dat tot uiterst felle reacties leiden. Dan jagen ze de tollenaars uit de tempel of de regenten in de gordijnen. Ook Sikke kon 
als het moest opeens fel uithalen naar iets wat hem niet zinde, de labbekakkerigheid van het 
Fries Museum bijvoorbeeld, waar het maar niet wilde lukken met een afdeling voor 
beeldende kunst. Een rücksichtsloze bescheidenheid, dat is de karaktertrek die hem door de 
jaren heen misschien het meest typeerde.

Soms, en dan was hij op zijn best, leek ook slechte kunst hem kwaad te kunnen maken. Dan 
schreef op een toon die dodelijk zijn doel trof, omdat iedereen begreep dat als Sikke uit zijn 
slof schoot, het ook echt menens moest zijn. Over een artistieke miskleun in de openbare 
ruimte zoals de middenstandskitsch bij Hotel Tjaarda in Oranjewoud. Sikke werd niet 
gevreesd, zoals zijn voorganger Eduard Kools destijds met priemende ogen en snijdende 
woorden zijn oordeel kon vellen over de grenzen van kwaliteit. Maar hij werd wel 
gerespecteerd, door iedereen, jong en oud, allochtoon en allochtoon, beroemd of onbekend, 
kunstenaar of kunstminnaar. En dat is wat weinigen – ik denk niemand – in de Friese 
kunstwereld hem nadeed.

Hedendaagse kunstkritiek wordt doorgaans niet gekenmerkt door uitzonderlijk helder 
taalgebruik. Menig criticus bezondigt zich tegenwoordig aan wollige formuleringen. Die 
verbale navelstaarderij heeft de hedendaagse kunst voor menigeen in een kwaad daglicht 
gezet. Kunst wordt zo als kijken de kleren van de keizer, een illusie die slechts door de schijn 
van lege woorden in stand wordt gehouden. In dat opzicht was Sikke juist géén kind van zijn 
tijd. In zijn recensies was hij altijd glashelder en zuinig met woorden, sprokkelend met rake 
formuleringen, zelden uithalend in een breed gebaar of een vergezicht, maar altijd precies, 
trouw aan de feiten en met oog voor detail. Als hij een tentoonstelling niet kon waarderen 
kwam hij met duidelijke argumenten, gaf aan wat dwars zat en zo mogelijk ook bij welk werk. Generaliseren was hem een gruwel. Elke kritiek leek voor hem toetsbaar te moeten zijn. 
Alsof hij de lezer telkens weer over zijn schouders voelde meekijken.

Hij had ook een fascinatie voor getallen, dingen die exact zijn en die je kon meten. Ooit 
vertelde hij me dat hij avondenlang met een loep gefascineerd had zitten staren in een atlas 
van Europa, waarin alle verschuivingen van grenzen in de vorige eeuw zichtbaar waren 
gemaakt. Grenzen hoorden duurzaam te zijn en niet veranderlijk. Als er weer eens een nieuw 
boek uit was waarin alle Friese kunstenaars stonden vermeld, begon hij altijd meteen te 
turven, waarvan dan uitgebreid verslag werd gedaan in de krant. Hoeveel vrouwen en 
hoeveel mannen, hoeveel nieuwkomers en hoeveel kunstenaars er vertrokken waren of 
overleden. In dat opzicht deed hij mij wel eens aan Nico Scheepmaker denken, die als 
journalist ook altijd oog had voor het curieuze karakter van het exacte detail, en zelfs 
voetbalwedstrijd beschreef door een spel al turvend te volgen hoeveel keer hij iets goed of 
fout deed met die bal.

Misschien was het juist het ongrijpbare, dat zo eigen is aan de beeldende kunst, wat hem het 
meest fascineerde. Het overschrijden van een grens dat als momentum niet valt aan te 
duiden. Die op handen zijnde onthulling, die zich in een kunstwerk nooit voltrekt. Wie weet 
was dat het wel, wat hem heimelijk deed verlangen naar poëzie, weg van die dwingende 
noodzaak om precies te moeten beschrijven wat je met je eigen ogen kunt zien, terwijl je er 
gaandeweg achterkomt dat je daar nooit geheel in zult slagen. Misschien was hij daarin wel 
het meest Fries, altijd worstelend om te ontkomen aan het keurslijf van de nuchtere feiten. 
Aan de strakke horizon die in Friesland zo vaak een meetlat legt langs elk gevoel. Sikke 
verlangde naar woorden die zich ooit van de feiten los konden zingen, naar de vrijheid van 
de jazz die kon breken met wetten en regels. Een verlangen ook naar die van oudsher 
zingende taal van Friesland, die alleen in de lyriek zijn ware bestemming lijkt te vinden. En 
toch, zijn scrupuleuze eerbied voor het feitelijke en aantoonbare kenmerkte Sikke niet alleen 
als kunstcriticus, maar ook als journalist. Nieuws werd altijd gecheckt of zo nodig 
dubbel gecheckt, een journalistieke routine, die standaard hoort te zijn, maar dat 
tegenwoordig lang niet altijd meer is.

Sikke was en bleef journalist, niet van negen tot vijf achter het bureau van zijn redactie, maar 
letterlijk dag en nacht. Zo kon het gebeuren dat je hem tegenkwam ver van huis bij een 
tentoonstelling diep in de provincie, maar ook in de kleine uurtjes van de nacht afzakkend in 
een kroeg. Maar in welke hoedanigheid je hem ook trof, de journalist in hem sliep nooit. Hij 
wist alles van iedereen, meer misschien ook dan hij hoorde te weten. Een keer, toen ik hem 
nog niet zo goed kende, heb ik even gedacht dacht ik dat me dat lelijk op zou breken. Het 
was op een avond in het Oranjebierhuis, ergens aan het eind jaren van de zeventig. Ik was 
aan de praat geraakt met een aantal kunstenaars. Rond onze tafel hing iets vreemds in de 
lucht, iets rebels waar Sikke als geen ander een antenne voor had en wat die avond heimelijk 
naar een uitweg zocht. Sikke zat achter ons in een ander gezelschap. Hij spitste voortdurend 
de oren om toch een flard van ons gesprek, dat steeds opruiender van toon werd, op te 
kunnen vangen. Waarschijnlijk zaten wij aan de kant van zijn verkeerde oor, want soms 
draaide hij zijn nek bijna 180 graden om.

Naarmate de stemming aan onze tafel hitsiger werd en de rondjes bier in steeds hoger tempo 
werden aangevoerd begonnen de oren van Sikke bijna letterlijk langer en langer te worden. 
Langzaam verloor ik mijn controle. Ik begon te vloeken en te tieren en uiteindelijk te zingen, 
eerst nog zach*s maar daarna steeds luider. Op de wijs van Les Flamandes van Jacques BreI 
luchtte ik mijn hart over alles wat mij dwars zat in dat benauwde Friesland van notabelen en 
regenten, van boeren, burgers en buitenlui, die lustvijandige taalfanaten, die alleen hun 
heitelän als een God aanbidden, met knieën te stijf om te knielen, fout in elke oorlog en 
xenofoob daartussenin. Deze steeds openlijker wordende aanklacht draaide er op uit dat ik 
plotseling opsprong van tafel, en onder het uitroepen van de kreet ‘Fryslân Boppe!’ aan alle 
aanwezigen om me heen de nazigroet bracht. De dienstdoende kroegbaas heeft mij toen in de 
kraag gevat en volkomen terecht op niet zachtzinnige wijze de zaak uitgewerkt.

De volgende dag belde Sïkke mij op. Of ik soms ruzie had op mijn werk? Ik heb er nooit meer 
wat over gehoord, laat staan een regel over gelezen in de krant. Sikke was een journalist met 
stijl, een integer vakman, die alle geheimen van het spel, maar ook de erecodes kende. Elk 
woord werd gecheckt, zelfs woorden die hij diep in de nacht met eigen oren had 
opgevangen. Hij was een kind van zijn tijd. Een Fries die mij als geen ander heeft geleerd dat Friezen ook heel aardig kunnen zijn.

23.00 UUR:  UDATE VAN JOSSE DE HAAN

De Stamboom van Sikke Doele (Frozen moonlight yn myn kannen, pagina 275)

4 april, 1980(3)0001

.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)