Dromen met open ogen

‘Tenslotte dromen wij dat wij, krachtens besluit van onze Geest, dingen doen die wij wakend niet zouden 
durven. Ik zou daarom wel gaarne willen weten of er soms in de Geest twee soorten van besluiten bestaan: gefantaseerde en 
vrije? Wil men echter de dwaasheid niet zover drijven dan zal 
men noodzakelijk moeten toegeven, dat dit besluit van de 
Geest dat men voor vrij houdt, zich niet onderscheidt van de 
verbeelding of herinnering en niets anders is dan die beaming 
die in elke voorstelling als zodanig ligt opgesloten. Derhalve ontspringen deze besluiten van de Geest 
even noodzakelijk in de Geest als de voorstellingen van de 
werkelijk bestaande dingen. Zij, die wanen dat zij krachtens 
vrij besluit van de Geest spreken, zwijgen of wat dan ook 
doen, dromen dus met open ogen.’

Aldus Spinoza in zijn Ethica (derde deel, stelling 2). Alles wat Spinoza over de vrije wil heeft geschreven is op uiterst rationele wijze verwoord, alsof het gaat om een wiskundig probleem dat binnen de geest zelf is op te lossen. Telkens weer vergelijkt Spinoza ons bewustzijn met de droom. Wat is het verschil? Wij weten dat we ons van onszelf bewust zijn, maar we kunnen ook dromen dat we dromen. Waar komen ze vandaan onze dromen, onze herinneringen en gedachten? Die verwondering heeft elke filosoof gehad: Augustinus, Sartre, Wittgenstein noem maar op…. en niemand heeft ooit het antwoord gevonden. Met de komst van het postmodernisme is de wereld raadselachtig geworden. Er is geen waarheid meer. Er zijn alleen nog perspectieven. Dat zei Nietzsche ook al, maar boude beweringen hebben soms honderd jaar nodig om door te dringen tot de goegemeente.

De werkelijkheid krijgt steeds meer het karakter van een droom. De droom kent geen tijd, geen twijfel, geen contradicties, geen naastenliefde…In het domein van de droom heersen de lust en de drift. We leven dan ook in een obscene tijd. De grens tussen het publieke en private domein vervaagt steeds meer. Tegelijk wordt alles transparant en blijft niets onzichtbaar voor een overal aanwezige, anonieme macht. Deze ‘Big Brother-maatschappij’ biedt voor de kunst alleen nog ruimte voor zwaar versleutelde, esthetische boodschappen die als lege codes circuleren in een systeem van vlottende tekens. Dit is de tijd van de schijn. We zijn de weg kwijt, maar we willen het niet weten. Sterker nog, we weten niet eens meer wat ‘de weg’ ooit is geweest. Zelfs ‘de vrije wil’ is verdwenen. ‘Wij zijn ons brein’ en in het fatale spektakel dat ons bestaan is geworden beleven we de terugkeer van het monisme. Het wordt weer tijd om Spinoza te lezen.

Lang geleden zag ik in de Stadsschouwburg van Amsterdam het toneelstuk Spinoza van Dimitri Frenkel Frank. In de slotscène staat Spinoza alleen op het toneel met een vergrootglas in de hand. Berooid en gelouterd, uitgestoten door de joodse gemeenschap en de gemeente Amsterdam vanwege zijn vermeende godslasterlijke ideeën, maakt hij de balans op. Hij steekt zijn vinger tussen de bladeren van een struik en haalt er iets uit. Een lieveheersbeestje. Hij bekijkt het nauwkeurig, stelt het gerust dat het niet zal verbranden en alvorens het weg te blazen neemt hij zich voor lenzen te gaan slijpen en ook het glas in zijn hoofd te zullen scherpen tot er geen geheimen meer zijn. ‘God we sluiten een nieuw verbond’. En dan gebeurt er iets merkwaardigs. Uit een luidspreker ergens achter het toneel wordt – gehuld in de stem van Spinoza – God hoorbaar die zegt: ‘Wat stel je voor Spinoza?’.

Zo gaat dat dus niet. Dit is niet helder, laat staan evident, om van schoonheid maar te zwijgen. Het is een theatereffect. De milde filosoof Spinoza, die meer dan wie ook de betekenis kende van wat ooit de ‘amor intellectualis dei’ is genoemd, had vermoedelijk ook nooit zijn goedkeuring gehecht aan deze ‘deus ex machina’. Misschien had hij de voorkeur gegeven aan een hologram van de regenboog, dat alvorens het doek gaat vallen langzaam zichtbaar wordt in de onbestemde ruimte tussen het verlichte toneel en de duistere zaal. Helderheid is niet alleen nodig in het denken, maar vooral ook in de schemerzone de zich moet bevinden tussen de nog steeds gescheiden compartimenten van de esthetica en de ratio.

Spinoza was een monistisch rationalist. Hij koos het verstand en niet het gevoel als uitgangspunt, maar de liefde kwam bij hem wel aan het slot van elke redenering. Het menselijk verstand is geen schel licht dat op de dingen valt, maar het smeulend vuur van ons denken wordt telkens weer aangewakkerd door de aanhoudende wind van onze gevoelsaandoeningen. De glasheldere formuleringen van Spinoza hebben voor de hedendaagse lezer bijna iets lachwekkends. Uit esthetisch oogpunt vertroebelt wat uit verstandelijk oogpunt helder wordt. Het is alsof het glas van de lens beslaat als het toppunt van doorzichtigheid bereikt wordt. Begrippen als helderheid en evidentie zijn tegenwoordig ook niet zo in de mode en zeker niet op het terrein van de esthetica. Wat echt mooi is, is vandaag de dag onbenoembaar, nooit helemaal aanwezig, hooguit op het punt zich te onthullen. Schoonheid kan niet worden omschreven of gedefinieerd, het kan alleen worden opgeroepen. Het esthetische is er niet, het verschijnt. Het zit achter de dingen die zich aandienen als onaffe verschijnselen.

Het komplot van de wereld is in duigen gevallen, maar in het probleem van Spinoza – de schijnbare onmacht van het verstand tegenover de verleidelijke macht van de verbeelding – lijkt alles te gaan samenspannen. Het obscurantisme ligt op de loer en de kunst komt opnieuw in beeld als een laatste schouwtoneel, waarbij de hele trukendoos, die eigen is aan het theater, wordt opengetrokken. Vandaag de dag is elk kunstwerk misschien niet meer dan een poging om aan een beklemmend dilemma te ontsnappen, enerzijds de constatering dat we de dingen nooit meer kunnen zien zoals ze zijn en anderzijds het besef dat we de gave verloren hebben om de dingen te zien zoals ze niet zijn.

Neem nou het verschijnsel telekinese. Volgens mij is dat heel simpel te verklaren. Alleen kunnen we dat niet meer omdat we een affectief vermogen tot begrip verloren hebben sinds de tijd dat het verstand de boventoon is gaan voeren. Dat gebeurde voor het eerst in de eeuw van Spinoza, Pascal, Descartes en Newton. We weten wat Newton dacht toen hij in zijn tuin een appel uit de boom zag vallen, maar ook dat hij in zijn bibliotheek een hele kast vol boeken had met alchemistische wijsheden uit de Middeleeuwen. Hij kende al die obscure boeken. Hij wist dat nog slechts een paar eeuwen tevoren Willem van Auvergne naast de natuurwetenschap een vreemde vorm van magie had bedreven. Die Willem van Auvergne sprak in de dertiende eeuw nog over de ‘sensus naturae’, een natuurlijk vermogen tot waarnemen buiten de wetten van de natuurwetenschap om.

Toen vond men het verschijnsel nog heel gewoon, dat iedereen vandaag de dag nog kent, maar waar niemand een verklaring voor heeft, dat je iemands nabijheid voelt in het donker, dat je ogen voelt priemen in je rug, dat iemand zich omdraait als je hem onbewust en toch aandachtig van achteren zit aan te staren. Dat soort dingen dus, maar ook iets dat sinds mensenheugenis bij soldaten en veldheren bekend was, maar wij in onze tijd van computergestuurde oorlogen geen weet meer van hebben: dat de gieren schijnen te weten dat er een veldslag op komst is. Dat soort kennis zijn wij voorgoed vergeten. Naarmate de mechanisering van het wereldbeeld om zich heen greep is dat ‘verzonken kennis’ geworden.

Zo is ook telekinese sindsdien een probleem geworden voor het verstand. Wij begrijpen niet meer dat je materie in beweging kunt brengen door het aanwenden van subtiele krachten van de geest. Het fenomeen is nog nooit bewezen binnen een herhaalbare proefsituatie. In de jaren zestig werd op tv een parapsychologisch experiment uitgevoerd, waar iedereen mee kon doen. Ik kan me dat nog goed herinneren. Men had een installatie gebouwd, waarin pingpongballen van bovenaf naar beneden vielen. Tijdens hun val vonden ze obstakels op hun weg, die volgens een regelmatig patroon waren aangebracht. Het leek wel een beetje op zo’n tombola die bij de Lotto wel gebruikt wordt. Volgens de wetten van de kansberekening zouden de pingpongballen na afloop een vast patroon moeten vormen, namelijk een zogeheten gaussoïde die wiskundig weergegeven wordt door de formule:

 Untitled

De grafische weergave van deze wiskundige functie heeft de vorm een symmetrische heuvel met een ronde piek in het midden. De meeste pingpongballen zouden in het midden terechtkomen en aan beide uiteinden relatief minder. Als alle kijkers bewust zouden gaan denken dat de pingpongballen tijdens hun val naar links moesten uitwijken, dan zou de gaussoïde na afloop een onregelmatigheid gaan vertonen. Als deze onregelmatigheid de marge van de kansberekening zou overschrijden zou het fenomeen telekinese hiermee onomstotelijk bewezen zijn. Het experiment, waaraan honderdduizenden mensen deelnamen, leverde inderdaad een afwijking van de gaussoïde op, maar net niet voldoende om van een onomstotelijk bewijs te kunnen spreken.

Ik heb altijd gemeend dat ik over telekinetische gaven beschik. Er zijn momenten in mijn leven geweest, dat ik stellig de indruk had dat ik op afstand krachten kon uitoefenen over de materie. Het kan natuurlijk aan een uitzonderlijke en tijdelijke geestestoestand gelegen hebben, maar dat neemt niet weg dat ik verschijnselen heb meegemaakt die ik nog altijd niet verklaren kan. Zo heb ik eens tijdens een grijze winterdag in 1966, lopend op het strand van Egmond aan Zee, de zon achter de wolken tevoorschijn geroepen. U zult het geloven of niet, maar terstond kwam de zon. Op afroep zogezegd. Hij brak door het wolkendek heen, ging heel even volop stralen en verdween weer even snel als hij gekomen was.

Ra ra hoe kan dat? Voor de verklaring van telekinese is een nieuw paradigma nodig dat de psychische met de fysische krachten verbindt. Ga er maar aan staan. Dat duurt nog wel een paar honderd jaar voor die missing link is gevonden, al biedt de kwantumfysica op microniveau een aardige aanzet. Maar wat op microniveau gebeurt tussen de waarnemer en het waargenomene verklaart nog niet wat op fenomenologisch niveau zich afspeelt in de alledaagse werkelijkheid. Er gaapt een diepe kloof tussen de inzichten van de moderne natuurkunde en ons gezond verstand. We lopen met ons gevoel nog rond in de Middeleeuwen, terwijl ons verstand dingen begrijpt die we eigenlijk geen plaats kunnen geven in onze ervaring en duiding van het bestaan als zodanig. We verkeren in een staat van existentiële  vervreemding. Kortom, we leven in een spookhuis dat veel wegheeft van een droom.

Eind jaren tachtig zag ik op de Duitse tv de film Stalker van Tarkovsky. Deze film, die in 1979 uitkwam, gaat over de zoektocht van een wetenschapper en een schrijver, vergezeld door de gids ‘stalker’, in een ‘verboden zone’. Ze trekken met een jeep het afgesloten gebied binnen. Daar gebeuren de vreemdste dingen. Er zijn wonderlijke krachten aan het werk. Centraal in deze zone staat ‘de kamer van het verlangen’. Bij betreding van die kamer zouden alle wensen, die je doet, in vervulling gaan. Ze durven de kamer niet in te gaan en keren uiteindelijk terug. Bij de vooraankondiging werd vermeld dat de film destijds dicht bij Tsjernobyl was opgenomen. Dat blijkt achteraf niet te kloppen. De film is opgenomen in Estland, nabij de stad Tallin. Wikipedia vermeldt hierover het volgende: ‘Vermoedelijk heeft het nucleaire ongeluk in 1957 in de Majak opwerkingscentrale, resulterend in duizenden vierkante kilometers verlaten ‘Zone’ in de omgeving van de reactor deze film beïnvloed. Zeven jaar na deze film – op 26 april 1986 – voltrok zich de ramp in de kerncentrale van Tsjernobyl. Ook daar ontstond na afloop een verboden zone.’

Aan het slot van de film Stalker is de skyline van een kerncentrale te zien. Een meisje (gespeeld door de dochter van Tarkovsky) toont wat telekinese is. Puur door mentale kracht worden glazen van een tafel geschoven. Dit soort parapsychologische experimenten werden in Rusland daadwerkelijk uitgevoerd ten tijde van de Koude Oorlog. Het tragische van de film Stalker is dat vrijwel alle medewerkers aan de film – inclusief Tarkovsky zelf – een vroege dood stierven, vanwege de giftige stoffen, waaraan ze waren blootgesteld tijdens de opnamen die plaats vonden op het terrein van een verlaten chemische fabriek.

In datzelfde jaar 1986 – het jaar ook dat Tarkovsky overleed – deed Kees Vollemans in zijn essay  In de schaduw van de schilderkunst enige vergaande uitspraken over een verboden zone van de esthetica, waarmee hij een bijdrage leverde aan het obscurantisme dat in de postmoderne filosofie van de jaren tachtig is komen bovendrijven. De verboden zone lag volgens Vollemans achter het oppervlak van het schilderij. Dit vlak kan op twee manieren worden beschreven; als een scherm met zijn eigen picturale ruimte, of als een tooi met een verleidelijk effect en een kwaadaardige aantrekkingskracht. Om het onderscheid tussen het ‘scherm-’ en het ‘tooi-karakter’ te verduidelijken worden metaforen aangewend die in letterlijke zin verwijzen naar eigenschappen van ruimten. De virtuele, perspectivische ruimte van het scherm vindt zijn tegenpool in de platgeslagen, topologische ruimte van de tooi.

Zo wordt ‘de tooi’ een verboden zone, waar je niet in kunt. Men kan er zeker van zijn dat daarachter zich altijd iets verbergt. Iets intrigerends, geheimzinnigs wat ongrijpbaar is en niet te vatten. De spanning in het vertoog wordt nu opgevoerd tot een ongekende hoogte. Er volgt een duistere vergelijking met de demonen van Goya, die geen projecties waren uit het koortsige brein van de schilder, maar ‘duistere verlokkingen die de muren zelf hem aanboden”. Soutine, Foutrier en Chabot worden vervolgens op één hoop gegooid, omdat zij het schilderij letterlijk als een huid hebben opgevat, waarmee tegelijk zou zijn aangetoond dat je geen metaforen gebruikt door te beweren dat het beeldvlak van de schilder niet zo maar plat is, maar ‘vol schaduwen, spelonken, raadsels en toespelingen’.

Ook kunst heeft kennelijk een verboden zone, een gebied waar je niet in kunt en dat een herinnering oproept aan wat we te zien krijgen in de film Stalker van Tarkovsky. De verboden zone is een ruimte, maar wat is ‘ruimte’ in dit verband?. Verwijst dit woord ‘ruimte’ nog naar iets? Of is het alleen maar een metafoor? Kan het woord ‘ruimte’ überhaupt verwijzen naar iets wat ‘buiten’ ons is? Of komt elke betekenis van dit woord voort uit een fantasme in ons brein? Als het waar is, dat we voor de woorden ten zeerste op onze hoede moeten zijn om niet in grote dwalingen te vervallen, dan is voor metaforen een verdubbelde waakzaamheid op zijn plaats. Het woord ‘ruimte’ is een gevaarlijk woord, omdat het weldra als metafoor gaat fungeren voor iets wat aan de controle van de ratio ontsnapt.

Ook metaforen behoren tot de verbeelding, maar ze zijn niet ongrijpbaar voor het verstand. Er bestaat geen enkele verboden zone, waar het verstand niet binnen mag, ook niet op het terrein van de esthetica. Alle diepzinnigheden die over een metafoor kunnen worden opgemerkt, kunnen niet weerleggen dat een metafoor een hulpconstructie blijft die in de verbeelding wordt opgebouwd om het verstand tegemoet te komen. Maar verstand en verbeelding kunnen niet straffeloos worden ontkoppeld. De imaginatio en de ratio – zo heeft Spinoza laten zien – zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Of – om een optische metafoor te gebruiken – verstand en verbeelding zijn twee gepolariseerde lenzen die evenwijdig afgesteld de geheimzinnige ‘schittering’ van het esthetisch effect kunnen wegnemen, waardoor alles glashelder wordt. Haaks op elkaar leveren verstand en verbeelding alleen duisternis op.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)