Het katholieke geheugenverlies

Slide1

‘Een andere factor die tot radicale ontkerkelijking heeft bijgedragen is wat je zou kunnen noemen de liturgische schipbreuk. Sedert het zogenaamde ‘afschaffen van het Latijn’ en de introductie van de hervormde mistekst in 1966, de zogenaamde ‘Ordo Novus’, is men massaal weggebleven. Dit omdat in de praktijk de priester in de liturgie van de zondagsdienst zich vaak niet eens hield aan de geautoriseerde nieuwe mistekst, maar zelf teksten invoerde die door vaagheid een grootscheeps gevoel van vervreemding en irritatie bij de gelovigen teweeg brachten terwijl er uiteraard geen wervende werking vanuit ging; omdat de kostbare traditie van de Latijnse liturgie, speciaal de gregoriaanse gezangen over boord gekieperd werden en werden vervangen door ‘die liedjes’. Een Huub Oosterhuis, die notabene het katholieke eucharistische geloof spottend aanduidde als de ‘truc der trucen’ werd als een favoriete maker van liturgie beschouwd, tot verontwaardiging van veel overtuigde katholieken.’

Aldus Olaf van Boetzelaer op de opiniepagina van de Volkskrant van maandag j.l.. Hij is hoogleraar internationale politiek en geschiedenis in Manilla. Van Boetzelaer houdt een pleidooi tot herinvoering van de Tridentijnse liturgie in de Rooms-katholieke Kerk. Katholieken zouden zich niet langer moeten schamen voor hun eigen rijke traditie en keert zich tegen de pessimistische geest van het ‘ad limina rapport’ dat de bisschoppen onlangs uitbrachten na hun bezoek aan de Paus. Het staat er slecht voor met het katholicisme in Nederland. ‘Ging in 1961 84 procent van de Nederlandse katholieken iedere zondag ter kerke, thans bedraagt dit nog maar een schamele 6 procent. In Vlaanderen is de situatie identiek’, zo stelt Van Boetzelaer. De oorzaak hiervan is volgens hem de vernieuwingsbeweging van de jaren zestig, die door het aggioramento van Paus Johannes XXIII op gang is gekomen. Hij pleit voor een hernieuwde, verticale geloofsbelevenis en een herstel van het oude godsdienstonderwijs. Bisschoppen zouden niet langer de dialoog moeten opzoeken en bruggen willen bouwen, maar dienen ‘hun gezag in woord en daad aan te wenden om de zuiverheid van het geloof en de overdracht ervan te waarborgen.’ Het betoog vindt zijn gebruikelijke kop van Jut in Huub Oosterhuis…. ‘die notabene het katholieke eucharistische geloof spottend aanduidde als de ‘truc der trucen’. (de integrale tekst is te lezen op de site van De Volkskrant)

Kortom, ferme taal in een brief waarin het lijkt of de tijd vijftig jaar heeft stilgestaan. De polarisatie binnen de katholieke kerk in Nederland begon immers in het midden van de jaren zestig toen de resultaten van het Tweede Vaticaanse Concilie tot grote onenigheid leidden en uiteindelijk – na een ruk naar rechts binnen het Vaticaan en een reeks omstreden bisschopsbenoemingen –  tot een vrijwel volledige leegloop van de kerken hebben geleid. De twee kampen, die zich toen formeerden, bestaan nog tot op de dag van vandaag. Alleen is van het progressieve kamp na een halve eeuw weinig tot niets meer over. In 1985 organiseerden de progressieven zich in de zogeheten ‘Acht-mei-beweging’ die ontstond naar aanleiding van het bezoek van Paus Johannes-Paulus II dat jaar aan Nederland bracht. De huidige paus Franciscus kreeg onlangs laten weten dat een bezoek aan Nederland er voorlopig niet in zit. En gelijk heeft hij. Stonden er in 1985 nog maar anderhalve man een paardenkop aan de Maliebaan in Utrecht om de paus toe te juichen, nu zal er waarschijnlijk vrijwel niemand meer langs de weg staan. Het katholicisme in Nederland is dood, morsdood, om over de progressieve vleugel maar te zwijgen. Er schijnt nog zoiets te bestaan als een Mariënburgvereniging van kritische katholieken, maar ook daar hoor je ook heel weinig meer van.

beeld    Hoe is het ooit zo ver kunnen komen en waarom was het juist Nederland waar het progressieve katholicisme als eerste ten onder ging? Daarvoor is een veel bredere analyse nodig dan het eenzijdige betoog van Van Boetzelaer. Ik verwijs daarvoor graag naar mijn onlangs verschenen boek Modernisme in Lourdes, Gerard Reve en de secularisering. Vorige week constateerde Kees ’t Hart in zijn recensie van dit boek in De Groene Amsterdammer het volgende: ‘Het blijft overigens eigenaardig dat er voor zover ik weet geen afvallige literatuur uit de rooms-katholieke hoek is.’ Nee vind je het gek? Als je zo’n verhaal van professor Van Boetzelaer leest, dan weet je weer precies waarom je vijftig jaar geleden al dacht dat de Rooms-katholieke Kerk een failliete boel is. Als een kerk onmachtig is om zichzelf aan te passen aan de eigen tijd en bovendien de huidige stand van de wetenschap als het gaat om seksualiteit en homoseksualiteit glashard blijft ontkennen, dan weet je dat je daar niets meer te zoeken hebt. Dan doe je ook geen verslag van het proces van geloofsafval dat je zelf hebt doorgemaakt. Je bent blij dat je die muffe manier van denken tijdig achter je hebt gelaten.

Het is dit ‘vertrek zonder afscheid’ dat vaak gepaard gaat een vorm van genadig geheugenverlies. Ik noem het ‘de katholieke amnesie’. Het is het onvermogen om de eigen traditie terug te roepen in de herinnering, dat niet alleen bij afvallige katholieken is waar te nemen, maar ook bij de conservatieven die nog in de Kerk zijn achtergebleven. Zij herinneren zich immers niet meer de misstanden waardoor het  Tweede Vaticaanse Concilie destijds hoognodig was. Het katholieke geloof was in de jaren vijftig een ongezond geloof geworden, dat niet langer te rijmen viel met de inzichten van de moderne menswetenschap. De vraag die het betoog van professor Van Boetzelaer bij mij oproept is dan ook eerder deze.

Hoe is het mogelijk dat een zo ontwikkeld man als hij vergeten is wat er in katholiek Nederland is gebeurd? Eigenlijk geldt dit voor een generatie van katholieke intellectuelen die niet alleen in de jaren zestig de boot hebben gemist, maar zich ook nooit echt hebben willen verdiepen in een veel bredere crisis die zich in de vorige eeuw heeft voltrokken binnen de theologie. Het definitieve afscheid van een middeleeuws transcendentie-begrip trof vooral de katholieke geloofspraktijk waarin men al te lang krampachtig had vastgehouden aan een ‘spirituele binnenruimte’, met als gevolg dat de liturgie was ontaard in een alchimistische vorm van tovenarij die zelfs priesters niet meer konden vatten, laat staan geloofwaardig in praktijk brengen. Dit door magie en mysterie geperverteerde katholicisme, dat zich ontwikkeld had tot extreme vormen van paus-idolatrie, Mariaverering en lichaamsverzaking, was een reus op lemen voeten geworden. Geen wonder dat die reus plotseling omviel. Wie in die kerk het Credo opnieuw wil laten klinken, zal eerst goed moeten nagaan waarom het destijds zo spoorslags verdwenen is.

Onlangs las ik het boek Open brief over geloof en eredienst 1973). van Frits van der Meer. Dat betoog komt in grote lijnen overeen met wat professor Van Boetzelaar nu beweert, maar was wel veel beter onderbouwd. En de laatste dagen las ik het boek Het gelovige innerlijk van Jan Hendrik van den Berg. Dat is een geschiedenis de geestelijke ‘binnenruimte’ en de teloorgang daarvan in de moderne tijd. Jan Hendrik van den Berg schreef deze tekst al in 1968 ten het deel uitmaakte van zijn boek De metabletica van de materie, maar in 1981 is de tekst opnieuw als apart boek uitgebracht, omdat hij goed aansloot bij het debat over de secularisatie die in de twee decennia daarvoor in Nederland zijn beslag had gekregen.

Van den Berg vulde zijn boek toen aan met nieuw hoofdstuk, waarin hij  – als niet-katholiek – expliciet inging op de ontwikkelingen binnen de Rooms-katholieke Kerk zoals die zich in de jaren zestig en zeventig in Nederland hadden voltrokken. Maar ook hij was doof voor de charismatische stem van de tijdgeest die in die woelige jaren niet door de Rooms-katholieke Kerk werd verwoord, maar door een nieuwe, opstandige generatie die niet alleen de opstand, maar ook de mystiek opnieuw had uitgevonden. ‘We shall overcome‘ was hun strijdlied, maar die tegendraadse woorden werden in Rome niet gehoord. Verwijzend naar een gedicht van Huub Oosterhuis sluit Van den Berg dan af met een verzuchting die ook uit de pen van Frits van der Meer had kunnen vloeien, en anders wel uit die van professor Olaf van Boetzelaer, een halve eeuw na dato. Het zijn twee uitersten die elkaar raken. Vernieuwing en restauratie in een vergelijkbare verblinding voor het verleden. Tegenstrijdige stemmen die in feite hetzelfde beweren en wat uiteindelijk verwoord wordt in één gedicht:

Wenend wil ik uitleggen
wat ik zo dikwijls doe:
brood breken en vreemde
dingen daarbij zeggen

hoe hartstochtelijk hoop ik
dat het ergens op slaat
dat men in die vergulde geheimen
zijn eigen lot verstaat

zo bijvoorbeeld dat brood leven
dat leven dood beduidt.
maar wat ik ook zeg, dat oeroud
evangelie komt er niet uit.

(Uit: Huub Oosterhuis, Hand op mijn hoofd, 1965)

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)