1968

Op maandag 3 juni 1968 ging ik op weg naar Parijs, met de eerste trein die weer reed, want er waren al wekenlang treinstakingen door de studentenopstand. Ik verbleef eerst een week in Parijs, daarna twee weken in de Provence, en tenslotte nog een week in Parijs. Beide keren in Parijs overnachtte ik in het Bois de Boulogne, op een mooie camping gelegen aan de Seine. Ik stond daar vrijwel alleen met mijn tentje, omdat er nauwelijks toeristen waren. In Parijs was de studentenopstand net voorbij en het toerisme lag bijna helemaal plat. Er werd ook nog volop gestaakt, en in het Odeon-theater vonden dagelijks discussies plaats over hoe het verder moest moest met Frankrijk. De post werkte wonderlijk genoeg normaal, zodat al mijn brieven aankwamen. Mijn moeder schreef me een brief terug vanuit Huissen, waar ze op bezoek was bij haar drie zusters. Mijn vader was twee jaar daarvoor overleden en nu toerde ze het hele land door. Ze was toen 63 jaar, drie jaar jonger dan ik nu.

Mijn moeder schreef een brief altijd in één keer, ogenschijnlijk zonder er bij na te denken. In tegenstelling tot mijn vader, die heel lang kon nadenken voordat er een woord uitkwam. Dan zag ik zijn vulpen aarzelend heen en weer bewegen boven het papier. Vaak streepte hij ook dingen door. Mijn moeder deed dat nooit. Haar handschrift oogde ook veel vrijer. Als kind werd ze door de schoolmeester wel eens ‘een verwaaid nest’ genoemd, en eigenlijk is ze dat haar leven lang gebleven. Ik heb de slordigheid van mijn moeder geërfd. Naarmate ik ouder word is mijn handschrift steeds meer op dat van mijn moeder gaan lijken. Vaak kan ik het zelf niet eens meer lezen. Mijn geest wordt met het klimmen der jaren allengs een warboel en de motoriek van mijn handschrift getuigt daarvan. Nog even en niemand kan het meer lezen. Dan word ik net als mijn moeder dement. Fading away, dat is waar het leven toe leidt. Alles is ijdelheid en niets beklijft. Maar daarom niet getreurd. Zoals mijn moeder altijd zei: ‘Schep vreugde in het leven, anders krijg je de mot in de maag.’

Toen ik na vier weken weer thuis kwam uit Parijs, leek Amsterdam opeens heel klein. Jacques Dutronc had een hit met Paris s’eveille. Dat plaatje heb ik toen meteen gekocht. Het is de enige single die ik ooit heb aangeschaft, behalve Yesterday van de Beatles natuurlijk. Later hoorde ik Ivo Niehe een persiflage zingen op dit chanson: ….Les travestis vont se raser… Les homophiles sont masturbés …. Paris ‘s éveille…. Heiligschennis natuurlijk. Ivo Niehe zat evenals ik op het St. Ignatiuscollege, net als Antoine Bodar, ook zo’n roomse gluiperd. Maar die schooltijd bij de paters lag in 1968 al weer een jaar achter me. Mijn studie Bouwkunde aan de TH in Delft had ik na een half jaar afgebroken. Nederlandse taal en Letterkunde, dat leek me wel wat. Ook die studie zou op niks uitlopen, maar dat wist ik toen nog niet. Je moet doen wat je hart je ingeeft, zei mijn moeder altijd.

brief1

brief2

 

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)