Filosofie van de omgevallen boekenkast

In zijn beroemde Inleiding tot het Nieuwe 
Testament, die schatkamer van gegevens omtrent de 
structuur en met name het taaleigen van de heilige 
boeken, zet hij, een eerlijk man, op een van de eerste 
bladzijden als een axioom voorop: punt één, ‘Es gibt 
keine Wunder’. – De tweede keer, dat ik het boek, 
waar ik zoveel uit had geleerd, weer wilde doornemen, 
deed ik het bij die passage dicht, voorgoed. Es gibt nur Wunder.

Aldus Frits van der Meer in zijn boek Geloof en Eredienst (1973).  In deze paar woorden ligt het gehele drama van de secularisering vervat. Er bestaan geen wonderen meer, omdat wij er niet meer in kunnen geloven. In zijn boek Metabletica (1956) wijdt Jan Hendrik van den Berg een heel hoofdstuk aan het verdwijnen van het wonder. Sinds Descartes God tussen haakjes heeft geplaatst is God langzaam uit de natuur verdwenen. Een wonder werd daardoor iets bovennatuurlijks, een gebeuren dat strijdig is met de natuurwetten. Er heeft zich een merkwaardige omkering voltrokken sinds de continuïteit van de wiskunde en de natuurwetten belangrijker is geworden dan de discontinuïteit van de alledaagse ervaring van de werkelijkheid. Sindsdien is het proces gestart dat Max Weber ‘de onttovering van de wereld‘ heeft genoemd. ‘Hoe hebben we de zee kunnen legen!’, riep de lantaarnopsteker van Nietzsche, toen hij de dood van God definitief had vastgesteld. Het wonder verdween met het verdwijnen van God. Die verandering vinden we nu doodnormaal, maar het is in feite de meeste ingrijpende verandering die de mens ooit is overkomen. Sterker nog, heet heeft de mens zelf veranderd.

Het is ook de vraag of die verandering nog ooit is terug te draaien. Was het zoiets als een ongeluk, waarvan de gevolgen te herstellen zijn, of was het een onontkoombare ontwikkeling. Jan Hendrik van de Berg vond dat het een ongeluk was, en zijn hele werk was erop gericht om de gevolgen van dat ongeluk te herstellen. Daarbij liet jij zich inspireren door de filosoof Husserl, die het probleem van de moderne tijd uiteen had gezet in zijn boek Die Krisis der europäischen Wissenschaften und die transzentale Phänomenologie (1936). Wetenschap en techniek nemen het steeds meer over van de mens, en God en het wonder staan voorgoed buitenspel. Daarmee verdwijnen ook de existentiële vragen, want er zijn geen vragen meer over de eerste en de laatst dingen. En bij gebrek aan dergelijke vragen neemt de functionele rationaliteit steeds meer de overhand. De hedendaagse triomf van het neoliberalisme komt uiteindelijk voort uit de problematiek die Husserl aan de orde stelde. De mens is fundamenteel veranderd sinds het verdwijnen van God. Wie vraagt er nu nog naar het wezen van de mens?

De theoloog Bultmann, naar wie Frits van der Meer verwees in zijn verzuchting over het verdwijnen van het wonder, ging in de tegenaanval. Hij wilde redden wat er te redden viel. Zo ging hij de religie zuiveren van elke vorm van mythisch taalgebruik. Alleen dan zou de moderne mens de christelijke boodschap weer kunnen begrijpen. Alleen de kern van de verkondiging mocht overblijven, dat wil zeggen: het kèrygma. Het ging er niet om de oude mythes uit de wereld te helpen, maar om ze zo te interpreteren dat hun eigenlijke intentie zichtbaar werd. De Bijbel moest gezuiverd worden van het mythologisch wereldbeeld van eeuwen geleden, waarin het kèrygma was ontstaan, maar dat betekende niet dat we op de ene plaats op de kèrygma stuiten en op de andere de mythe. Je kon de Bijbel  dan ook niet bij de tijd brengen door er bladzijden uit te scheuren, zoals Reve gekscherend had beweerd.

Kèrygma en mythe waren intrinsiek met elkaar verbonden, als waterstof en zuurstof in de formule H2O.  Zonder die zuiveringsoperatie zou het christendom reddeloos verloren zijn. Dat betekende in feite een existentiële vertaling van het christendom in immanente termen. Het hedendaagse denken van de wetenschap zou het christendom uiteindelijk geheel objectiveren en daarmee van zijn waarde ontdoen. Het is een dodelijk dilemma. Zoals een vlucht in de ontmythologisering uiteindelijk doodloopt, zo is er ook geen weg meer terug. Die weg terug leidt namelijk naar de onomstotelijke zekerheid van de Middeleeuwen. In christelijke termen betekent dat de terugkeer naar een meer thomistische theologie, zoals ook in de jaren zestig nog werd bepleit door de Franse theoloog Maritain. Die weg terug liep onherroepelijk uit op een anachronisme, op een vals compromis tussen moderniteit en traditie.

Waarom begin ik hier weer over? Ik geloof niet in wonderen en ik heb ook geen last van het verdwijnen ervan. Toch lees ik telkens weer boeken die gaan over die ene, onmogelijke vraag: Hoe is het mogelijk dat het wonder uit de wereld is verdwenen? Vaak krijg ik het verwijt te horen dat ik een ‘omgevallen boekenkast’ ben. Ik heb gewoon teveel gelezen en stapel informatie op elkaar zoals je boeken op elkaar stapelt of zoals een ober dat doet met borden. Als je dat teveel doet gaat de stapel wankelen en valt uiteindelijk alles om. Dat beeld schijnen mijn teksten bij menigeen op te roepen. Onlangs kreeg ik een ander geluid te horen. Iemand zei tegen me, dat ik het vermogen bezit om op grond van een grote parate kennis geheel onverwachte verbanden te leggen tussen feiten en gegevens die uit zeer uiteenlopende terreinen afkomstig zijn. Die laatste opmerking is meer complimenteus. De eerste heeft iets venijnigs. De waarheid zal – zoals zo vaak – wel ergens in het midden liggen.  Daar gaat mij het nu niet om. Wat mij verbaast is dat ik bij anderen zulke verschillende beelden kan oproepen. Dat is trouwens altijd al zo geweest. Sommige mensen vinden mij best sympathiek. Anderen daarentegen vinden mij een arrogante blaaskaak. Hoe komt dat toch?

Het kan natuurlijk iets met vooringenomenheid te maken hebben. Je ziet wat je wilt zien. Het oordeel dat je velt ligt niet in de waarneming maar in het kader van waaruit je waarneemt. Met internet is het niet anders. Er wordt veel geschreven over de negatieve effecten van internet. Maar daartegenover kun je evenveel beschouwingen zetten van mensen die vaak op grond dezelfde of vergelijkbare argumenten tot positieve conclusie komen. Ik denk ook hier dat het denkkader bepalend is voor de waarneming. Sterker nog, er zijn mensen die zeggen dat een nieuwe medium bepalend kan zijn voor de vorming van een nieuw wereldbeeld. Nieuwe media creëren een nieuw wereldbeeld, waarin iets van het wonder weer terugkeert.

Die betekenisvolle samenhang van informatie, daar gaat het mij om. Hoe komt die tot stand? Het is een vermogen van het menselijk brein om samenhangen aan te leggen in zeer uiteenlopende feiten en gegevens. Dat is een associatief vermogen waarbij – neem ik aan – de fantasie een grote rol spel. Heeft een computer ook fantasie? Dat betwijfel ik. Een computer kan eindeloos opties veronderstellen, zoals een schaakcomputer in no time alle mogelijk zetten vanuit een bepaalde positie op het bord kan uitrekenen, maar een computer kan niet grillige gedachtesprongen maken, een ‘leeuwensprong’ zoals Freud dat noemde, of een associatie of verbintenis leggen buiten het gangbare kader om.

Einstein was waarschijnlijk een geniaal ‘beeld-denker’ met een sterk ontwikkelde rechterhersenhelft. Hij kon onvoorspelbare gedachtesprongen maken en heel uiteenlopende patronen met elkaar in verband brengen. Bovendien had hij de eigenaardige eigenschappen dat hij stereometrische figuren moeiteloos in zijn verbeelding kon laten roteren. Links, rechts, boven en onder … dat maakte voor hem niet uit. Hij zag de ruimtelijke structuur los van de ruimtelijke positie. Denken en fantaseren heeft dus iets te maken met het abstraheren van de waarneming. Je moet kunnen denken in beeldende, logische of grammaticale structuren die los staan van richting, coördinaten in ruimte en tijd.

Een verandering van wereldbeeld heeft mogelijk alles te maken met de verandering van een soort ‘oer-format’ waarin mensen denken en fantaseren. Een nieuw medium creëert zo’n ‘oer-format’. De boekdrukkunst bijvoorbeeld heeft de manier van denken en fantaseren ingrijpend veranderd. Mensen gingen voortaan meer letterlijk denken, dat wil zeggen: precies zoals het er staat. Iedereen kon voortaan checken hoe het in de oorspronkelijk bron geschreven stond. ‘Terug naar de bron’ is dan ook het adagium van de humanisten die Bijbelteksten met elkaar gingen vergelijken. Ze konden zich daarbij beroepen op een gedrukte editie van de bijbel die bovendien voor iedereen leesbaar in de volkstaal was vertaald.

Zonder boekdrukkunst was er geen Luther geweest. Het Bijbelwoord veranderde door de boekdrukkunst. Zoals tegenwoordig ook de taal veranderd door internet. We worden weer beeld-denkers. . De structuur en het beeld zijn voortaan belangrijker dan de letterlijke tekst. De ‘generatie Einstein‘ slaat de feiten over. Die kun je immers altijd opzoeken. Het gaat nu om het herkennen van patronen en het maken van nieuwe verbindingen. Tegenwoordig is alle feitenkennis met een beetje googelen binnen vijf minuten boven water te halen.

Het woord is helemaal niet in verval, zoals Rudolf Steiner ooit beweerde, maar wordt op andere manieren extern opgeslagen in de geheugenlocaties van elektronische netwerken. De ‘generatie Einstein’ leest nauwelijks boeken meer, omdat ze dat dom en overbodig vinden. En geef ze eens ongelijk. Een mens kan nog niet eens 10 procent onthouden van wat hij leest in een boek. Het geheugen wordt dus door het lezen belast met zinloze input van informatie. De belezen mens gaat uiteindelijk gebukt onder een overload van kennis-bits waar hij niets aan heeft. Eruditie wordt dus een kwaliteit die hoort bij een voorbije geletterde cultuur.

Maar is dat zo erg? Daar komt ook iets nieuws voor in de plaats. Sterker nog, oude geletterdheid belemmert de creatieve geest. Het maakt je behoudend en ontneemt je de broodnodige onbevangenheid voor het nieuwe. Bovendien leven we niet in een beeldcultuur waarin het woord verdwijnt, maar in een multimediale e-cultuur, waarin talloze nieuwe dwarsverbanden ontstaan tussen woord en beeld. Anders gezegd: tussen de beide hersenhelften. Dit levert een nieuw soort intelligentie op, een nieuw soort eruditie en een nieuw soort inventiviteit. maar wat belangrijker is: de ‘digitalisering van het wereldbeeld’ is een diep ingrijpend proces waarbij de cultuur terugkeert  naar de premoderne fase van voor de uitvinding van de boekdrukkunst. Kort gezegd: we worden weer wat meer katholiek en wat minder protestants. We gaan weer in wonderen geloven.

Een boodschap kan tegenwoordig alleen nog een rol spelen als hij in de media wordt gecommuniceerd. Onze manier van denken vindt ook steeds meer zijn uitdrukking in de alomtegenwoordige massamedia: “Wij zijn in de media, de media zijn in ons.” De virtuele werkelijkheid van de media gaat steeds meer lijken op de een ervaring die de werkelijkheid overstijgt. In een ijle bovenlaag van de realiteit lijkt zo een nieuw soort ruimte ontstaan, die soms doet denken aan de spirituele ruimte die de middeleeuwse mens deelde met de gemeenschap der heiligen. De werking van de massamedia roept in de verte herinneringen op aan het mystieke lichaam van Christus, dat niet alleen in elk mens aanwezig zou zijn, maar ook het aardse bestaan zou verbinden met een bovenwereldlijke ruimte. Aan het nieuwe hemelgewelf worden soms vreemde patronen zichtbaar die tegelijk ook vertrouwde trekken vertonen.

Vier jaar geleden schreef  de mediafilosoof Arjen Mulder in De Gids een artikel over Marshall McLuhan, die zich op 25 maart 1937 – een Witte Donderdag –  tot het katholicisme bekeerde. Dat laatste is een feit dat vaak verzwegen wordt. Die bekering had alles te maken met de media-filosofie van McLuhan. Hij voelde zich meer thuis in het niet-lineaire grammatische denken van de kerkvaders en vroege middeleeuwen, in tegenstelling tot het lineaire karakter van het dialectische en retorisch denken. Het grammatische denken vormt gedachtemozaïeken.

‘McLuhan had zijn kennis van katholieke zaken opgedaan tijdens zijn promotieonderzoek naar de geschriften van de zestiende-eeuwse pamflettist Thomas Nashe, die, 
naar hij ontdekt had, alleen te begrijpen waren binnen het kader van 
de gehele kennistraditie vanaf de presocratici tot en met de Renaissance, inclusief alle roomse kerkvaders uit de lange Middeleeuwen. 
Deze traditie was gewijd aan het lezen, interpreteren, verwerken en 
toepassen van tekst, waarbij onderscheid werd gemaakt tussen drie 
vormen van kennis: de grammatica, de dialectica en de retorica die tezamen het ‘klassieke trivium’ vormden. ‘

Hoe kon het grammatische denken zo domineren in de periode tussen Augustinus en Erasmus? zo vraagt Arjen Mulder zich af. Het had alles te maken met de schriftcultuur die door de boekdrukkunst verdreven werd. De geschreven teksten werden overgeschreven waarbij altijd geïnterpreteerd werd en nieuwe varianten ontstonden. Met de boekdrukkunst was dat afgelopen. ‘Het merkwaardige aan McLuhan’s bekering is dat hij op puur rationele gronden besloot dat hij in de katholieke Kerk thuishoorde en zijn tijd niet langer moest verdoen met vaag protestantisme en gnosticisme.’ Het multi-interpretabele karakter van de geopenbaarde waarheid werd door de Katholieke Kerk op geniale wijze opgelost door het ultieme eindoordeel over te laten aan een onfeilbare paus die aan alle discussie einde maakte. McLuhan zat nu alleen nog met één probleem. Hij geloofde niet in God. Daarom besloot hij volgens Arjen Mulder tot een praktische oplossing:

‘Hij had van katholieke vrienden gehoord dat hij, omdat hij niet in de Heer geloofde, alleen tot God 
de Vader mocht bidden en niet tot de drie-eenheid. Hij bad daarop 
twee tot drie jaar lang meermalen per dag tot God de Vader en zei daarbij weinig meer dan: ‘Show me’, of in een andere versie van het 
verhaal: ‘Lord, please, send me a sign.’ McLuhan: ‘Ik wilde nergens 
een bewijs voor. Ik wist niet wat mij getoond zou worden want ik ge 
loofde nergens in. Het werd mij heel plotseling te zien gegeven. Het 
gebeurde niet op een manier die ik op enigerlei wijze had voorzien. 
Het kwam onmiddellijk als direct bewijs, en zonder dat er enige twijfel bestond over de vraag of het wel een goddelijke ingreep was. Er was 
geen sprake van een trauma of persoonlijke behoefte. Ik heb nooit 
enigerlei behoefte gehad aan een godsdienst, geen persoonlijke of 
emotionele crisis. Ik wilde gewoon weten wat waar was en dat kreeg ik 
te horen. Wham! De volgende dag werd ik katholiek. ‘

Ook Augustinus wilde een teken van God alvorens zich tot het katholicisme bekeerde. Zo’n teken was eigenlijk het wonder, het onmogelijke, een signaal dat alleen van God afkomstig kon zijn. Augustinus werd op zijn wenken bediend toen hij in een tuin in Milaan de stem van een kind hoorde roepen:  ‘Tolle lege, tolle lege’, een kinderspelletje uit die tijd. De woorden betekenen letterlijk: ‘Neem en lees.’ Augustinus nam de Bijbel en sloeg hem op goed geluk open. De passage dij hij toen voor zich kreeg ontroerde hem diep, waardoor de definitieve doorbraak on zijn bekeringsproces tot stand kwam. Ikzelf heb nooit zo’n ervaring gehad. Wel heb ik een keer een vergelijkbare wens als McLuhan geuit. Dat gebeurde op het Joodse kerkhof in Praag, waar je als bezoeker een wens mag achterlaten, die je dan onder een steentje op een van de graven kunt leggen. Ik heb toen letterlijk gevraagd: ‘Show me e secret.’ Dat was op Eerste Paasdag in 1991, inmiddels al weer bijna 23 jaar geleden. Ik kan me niet herinneren dat mij sindsdien ooit een goddelijk geheim geopenbaard is. Maar wat niet is kan nog komen natuurlijk. Ondertussen blijf ik boeken stapelen…. totdat de stapel omvalt. Dan zal het wonder voorgoed verdwenen zijn. Niettemin blijf ik geloven in de terugkeer van de betovering.

 

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)