Dromen in de Kerstnacht

Weer een zootje ongeregeld vannacht. Flarden hangen als losse eindjes aan elkaar, maar er is geen patroon in te herkennen. Het lijkt of mijn dromen atrofiëren, zoals dat zo fraai heet. Ze verliezen langzaam vorm en structuur. Elke ochtend word ik wakker met een vaag spinsel in mijn hoofd, maar na een eerste kop thee is daar vrijwel niets meer van over. Ik maak ook niks mee overdag. Wat lezen en af en toe achter de computer hangen, dat is geen dramatisch en risicovol bestaan. Als ik helemaal suf word, ga ik schaamteloos even op bed liggen. Maar zelfs dan droom ik niet. Mijn onbewuste heeft kennelijk ook vrijaf genomen. Er valt niets meer te vermalen. Geen Tagesresten die ‘s nachts nog een keer door de gehaktmolen moeten. Als dit zo doorgaat eindigt de elektrochemische activiteit in mijn brein binnenkort in een totale hersendood. Mijn innerlijk leven wordt langzaamaan een stille vijver, maar zonder enige diepgang.

Eigenlijk heb ik daar altijd al naar verlangd. En toch, als het eenmaal zover is, gaat er ook weer iets kriebelen van binnen. Ik heb zo af en toe een kick nodig. Sterker nog, ik ben verslaafd aan kicks. En tegelijk bestaat er niets mooiers in de wereld dan een leeg hoofd waarin elke gedachte is uitgedoofd. Ook dromen zoals blijkt. Gisteren was een volmaakte dag. De dag voor Kerst. De stad vol mensen voor Serious Request. Ik herinner mij opeens dat ik iemand probeerde te bellen vannacht. Mijn telefoon deed het niet. Welke knop ik ook indrukte, er kwam geen verbinding. Uiteindelijk nam ik een rauwe wortel en stak die in de hoorn. Het werkte. ‘Hallo?’ sprak een stem en ik werd wakker.

Dromen hebben vaak een beladen symbolische betekenis, maar soms ook niet. Dan lijkt het of ze geen enkele betekenis hebben en zomaar als los zand aan elkaar hangen. Eigenlijk vind ik dat het meest fascinerende aan het verschijnsel dromen: die tegenstelling tussen extreme symboliek en het toppunt van betekenisloosheid. Het is of de uitersten elkaar raken in het domein van droom. Het onbewuste kent talloze opposities maar rijgt ook alles aan elkaar. Soms ontstaan daaruit hele diepzinnige inzichten over de oorsprong van de wereld, vaak echter is het gewoon een vergaarbak van onzin waar je ’s nachts mee wordt lastig gevallen. Misschien leert ons de droom wel dat wij onze hang naar symboliek moeten overwinnen. Dromen vragen om duiding, zeker sinds Freud zijn Traumdeutung schreef, maar een droom heeft wellicht nooit de intentie gehad om betekenis over te brengen, voor zover dromen überhaupt een intentie kunnen hebben. Dromen zijn er gewoon. Ze dienen zich aan als strangers in the night. En wat vreemd is dient ook vooral vreemd te blijven.

Het ‘overwinnen van het symbolische’ was ook het hoofdkenmerk van de moderne kunst. Met die hopeloze onderneming is de mens bijna een eeuw lang bezig geweest. De mens is een homo symbolicus. We snakken naar symboliek, vooral als anderen ons dat verlangen willen ontnemen. Wat dat betreft was Mondriaan een gruwel, een ontsporing van het calvinisme, een radicale reactie ook op de uitwassen van het symbolisme. Mondriaan was symboolblind. Hij had het land aan verbeelden, al was hij dan in eerste instantie schatplichtig aan de ‘beeldende wiskunde’ van de ex-katholiek Mathieu Schoenmakers. Hoe dan ook, Mondriaan wilde béélden, niet vér-beelden. Hij wilde de taal van het heelal voortbrengen die boven de zichtbare werkelijkheid uitgaat. Zo leek Mondriaan in de abstracte kunt een moderne schuilplaats voor de religie te creëren.

Op het hoogtepunt van het modernisme had de kunst de pretentie om niet meer het zichtbare weer te geven, maar het schone te ontdekken en voort te brengen, dat boven de schoonheid van de natuur uitgaat. Het strenge gedachtegoed van Calvijn is bij veel nazaten van Mondriaan diep in de genen ingedaald. Het modernisme sloot in de vorige eeuw een geheim verbond met de ernst van het Bijbelse woord en de vrome hang naar eenvoud en soberheid. Zo is het calvinisme in de loop der tijd een soortnaam geworden voor een vorm van soberheid die intrinsiek verweven is met het modernisme. Calvinisten redeneren bij voorkeur rationeel, wettisch en formalistisch. Ze denken graag in essenties en niet zozeer in constructies. Sierlijk ornamenten en mystieke symbolen zijn vanuit deze optiek al gauw troebel en exuberant en allesbehalve nuchter en pragmatisch. De hang naar het irrationele herinnert menig calvinist aan roomse superstitiën.

Kunst en religie zijn twee domeinen van het symbool. Ze hebben dezelfde oorsprong als de muzen, de mythen en de magische tekens in de grotten van Lascaux en leken in de eeuw van het modernisme dezelfde dood te gaan sterven. Bij het ontstaan van het moderne bewustzijn zijn beide – kunst en religie – verwikkeld geraakt in een proces van gedaanteverandering. Twee processen die ten opzichte van elkaar een spiegelbeeldige relatie hebben. Kunst wordt steeds meer ijl, abstract, conceptueel, en ontgrensd; religie steeds meer concreet, werelds, existentieel, immanent en begrensd. Van de kunst lijkt alleen de aura over te blijven al de naglans van een voorbije transcendentie, terwijl de kunst steeds verder dematerialiseert. Uit de religie lijkt het heilige te verdwijnen, terwijl de religie zelf steeds verder seculariseert. Zowel binnen de kunst als de religie is – weliswaar in tegengestelde richting – een grensverschuiving waar te nemen: het vervagen en zich oplossen van het sacrale en het profane, en omgekeerd van het kunstobject in zijn aura.

Vanuit de hedendaagse kunsttheorie zijn ter aanduiding van dit proces intrigerende termen aangedragen, zoals desintegratie, entropie, implosie, atrofie, binnenwaartse regressie, verschijnen en verdwijnen. Dit zijn termen die meer suggereren dan verhelderen. Wellicht is het beter om te spreken in de terkmen van de semiotiek. Symboliek tegenover letterlijkheid, symboolblindheid tegenover symboolperversie, rituele hypertrofie tegenover rituele atrofie…. die tegenstellingen hebben iets met elkaar van doen. Het zijn de dieptestructuren van de cultuur die ook in het domein van de droom zijn terug te vinden. Sinds tijden ben ik op zoek naar deze grondlagen van de cultuur. Hoe zien die bodemstructuren eruit? Wat drijft ons om telkens weer door te schieten in het andere uitersten en van begin af aan dezelfde fouten te maken maar dan in omgekeerde richting. De wereld draait niet op goed geluk, maar zit vast in een slingerbeweging, waarin de uitersten elkaar telkens weer raken.

Als een systeem in onbalans verkeert kan het doorschieten van het ene uiterste naar het andere. Van vormloosheid naar vormdrift of omgekeerd. Van totale chaos naar extreme ordening en weer terug. Dat is een wet die wetenschap van de complexe dynamische systemen ons leert. Ik heb het vermoeden dat die wet iets te maken heeft met de atrofie en de woekering van het symbool. Anders gezegd: met het verdwijnen van het ritueel en de hernieuwde opleving daarvan in onze goddeloze tijd. Of nog anders: met de secularisering en de merkwaardige terugkeer van de religie in nieuwe gedaanten. Serious Request was pure religie, maar niemand leek het door te hebben. Les extrêmes se touchent. Telkens weer verrijst uit oude as het vuur zoals het vroeger was. Zelfs Brel zingt weer in de straten van Brussel.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)