De onwerkelijkheid van de tijd

‘In deze visie wordt het bestaan van een subjectieve beleving van een heden en een verschil tussen verleden en toekomst irrelevant geacht. Onze ervaring van het verschil tussen toekomst en verleden zou komen door de beperkingen van ons 
bewustzijn, een gebrek aan kennis en een beperkte taal; De 
’echte’ tijd zou het tijdspad zijn, met zijn relaties. Verleden, 
heden en toekomst zijn slechts producten van onze taal en 
het met de taal verbonden bewustzijn. Op ieder spreekmoment zijn er andere momenten die eerder of later zijn. Het zou 
echter een verkeerde abstractie zijn – nog steeds volgens de 
statische visie – om van gebeurtenissen zelf te zeggen dat ze 
in het verleden of in de toekomst zijn. Als men over het heden spreekt, spreekt men over niks anders dan over gebeurtenissen die toevallig gelijktijdig plaatsvinden met het spreekmoment.’

Zo vat Wouter Kusters in zijn boek Pure waanzin de statische opvatting van tijd samen, die de filosoof John McTaggart in zijn boek The Unreality of Time (1908) stelde tegenover de dynamische opvatting van tijd. In de dynamische opvatting is er altijd sprake van verleden, heden en toekomst. De tijd wordt dan gezien vanuit een het moment en is daarom altijd relatief. De dood van Kennedy  vond plaats ná de dood van Paus Joannes XIII. Maar in 1960 leefden beiden nog en zouden beiden in de toekomst – na het nu – gaan sterven, waarbij het nog helemaal niet duidelijk was wie eerder of later zou sterven. Sterker nog, Paus Johannes XXIII was een stuk ouder dan Kennedy, dus lag het meer voor de hand dat hij later zou sterven. De meetlat van de dynamische tijd is dus betrekkelijk.

De meetlat van de statische tijd is niet betrekkelijk. Daar gelden alleen maar de termen ‘eerder’ en ‘later’, zonder afstand vanuit het nu. Maar daarnaast is er nog een derde meetlat, waarbij er helemaal geen sprake is van ‘eerder’ en ‘later’. Volgens die derde meetlat heeft de tijd geen richting en kan hij net zo goed vooruit of achteruit lopen. In feite vindt dan alles tegelijk plaats en is er alleen sprake van onderlinge afstanden tussen de gebeurtenissen. Die drie meetlatten, zo concludeerde McTaggart, hebben iets willekeurigs. Het zijn conventies die in je hoofd zitten. Net zoals de getallenreeks 12345678910… een conventie is. Je kunt ook anders kunnen tellen, bijvoorbeeld: 19283746501…. maar dat is niet gebruikelijk.

In feite is tijd iets wat tussen je oren geconstrueerd wordt volgens bepaalde conventies die zitten ingesleten in je brein of misschien wel eigen zijn aan het brein. In een psychotische toestand worden die conventies opzij geschoven en buitelt alles door elkaar heen. Het verschil tussen de drie meetlatten van McTaggart wordt in een psychose opgeheven, en het resultaat is een ratjetoe. De psychoticus zweeft door een nog onbekende ruimte, waarin de tijd zijn vertrouwde trekken verloren heeft. De psychoticus creëert zelf een chaotisch tijdcontinuüm, waarin alles door elkaar heen loopt: eerder, later, toen, nu, heden, verleden en toekomst. Getallen verbinden zich dan op een andere wijze met taal. Tijdstippen krijgen nieuwe betekenissen buiten de normale conventies.

De gedachte dat de tijd een illusie is die door het brein zelf gecreëerd wordt heeft mij altijd gefascineerd. In mei 1975 – dat is inmiddels al weer 38 jaar geleden – was ik het in slot Nymphenburg bij München. Ik was daar met een groep studenten bij een excursie in het kader van mijn studie kunstgeschiedenis. Op een of andere manier kreeg ik het gevoel dat ik hier al eens eerder was geweest. Ik had een déja vu zoals dat heet. Raar, want in werkelijkheid was ik hier nooit eerder geweest. Ik had het slot ooit wel eens gezien, maar niet in werkelijkheid. Later las ik, dat de film  L’Année dernière a Marienbad (1961)  – een klassieker uit de tijd van de nouvelle vague – hier in Nymphenburg is opgenomen. De cineast Alain Resnais heeft zich daarbij laten inspireren door de schilderijen van Paul Delvaux, waarop vergelijkbare, bijna slaapwandelende figuren voorkomen die bevroren lijken in de tijd. Somnambulisme heet dat. Je bent er en je bent er niet. Je dwaalt door de tijd, terwijl je bewustzijn slaapt. Zoiets.

Anyway, opeens had ik ook zo’n ervaring. Ik liep daar rond in die prachtige classicistische tuin met her en der van die verstilde namaakbeelden uit de klassieke oudheid en ik had het idee dat ik hier als eens eerder had rondgelopen. Toevallig had ik het jaar daarvoor mijn kandidaatsexamen gehaald met een scriptie over werk van Paul Delvaux. (zie: Fokke Sierksma en het schaamhaar)  ‘Verleden jaar in Mariënbad’ was dus voor mij ‘Verleden jaar in de schilderijen Paul Delvaux’. Mogelijk heeft dat onbewust een klik teweeg gebracht, zodat ik de film L’Anneé dernière à Marienbad in mijn herinnering niet herkende, terwijl ik die film toch echt gezien had tijdens een nachtvoorstelling in Cinétol, die rare bioscoop in de Tolstraat in Amsterdam, ergens eind jaren zestig. Toch meende ik dat ik hier in Nymphenburg al eens eerder was geweest. De tijd liep in cirkels rond, zo leek het. Ik was er en ik was er niet. Ik was hier al eerder geweest en toch ook weer niet. In beleefde de gelijktijdigheid van het ongelijktijdige, en tegelijk liep ik alleen maar rond in het hier en nu. Ik droomde met de ogen open. Het verhaal van de film van Resnais gaat als volgt:

‘In een luxehotel tracht een man een vrouw ervan te overtuigen dat ze elkaar een jaar tevoren op dezelfde plaats al hadden ontmoet en dat ze hadden afgesproken elkaar opnieuw te ontmoeten. De vrouw beweert dat ze zich daar niets van kan herinneren. De mannelijke gasten doen schietoefeningen. Een speler die een spel speelt, dat hij steeds wint, blijkt de echtgenoot te zijn van de vrouw. Ten slotte verlaten de man en de vrouw samen het hotel. Van chronologie lijkt geen sprake te zijn. De personages lijken vastgevroren in de tijd. Met andere woorden: tijd lijkt niet te bestaan.’

Mijn bezwaar tegen de analyse, die Wouter Kusters loslaat op de tijdsbeleving in de psychotische ervaring, is dat hij alleen verbanden legt met filosofische noties van de tijd, zoals hij die vindt bij McTaggert, Bergson, en Heidegger. Dat zijn post-kantianse benaderingen van de tijd. Volgen die opvattingen zit de tijd in onszelf en is verweven met onze existentie. Zo bezien is er geen – of steeds minder –  ruimte meer voor een transcendentale tijd, een tijd die aan alles vooraf gaat en die alles te buiten gaat. Kusters besteedt geen aandacht aan wat theologen over de tijd te vertellen hebben. Zij hebben een ander vocabulaire als zij spreken over de tijd en gebruiken woorden als ‘kairos’ en ‘metanoia’. (Zie mijn blog: With money on our side)

Als je overvallen wordt door een psychose wordt de deformatie van tijd, die je dan ervaart, mede bepaald door je eigen wereldbeeld en je eigen opvatting van tijd. Dat lijkt Kusters over het hoofd te zien. Een gelovige binnen het conventionele christendom van vóór de jaren zestig had nog een pre-kantinaans wereldbeeld en dus ook een pre-kantiaanse, duale opvatting van de tijd. In onze seculiere tijd is die pre-kantiaanse, duale tijdsopvatting achter de horizon verdwenen. Sterker, nog in de jaren zestig raakte dat tijdsbeeld zelf in een crisis, wat zijn weerslag had op de transformatie in de beleving van tijd die een psychoticus juist in die tijd onderging. Met Pure waanzin schreef Wouter Kusters vooral een filosofisch boek, en niet zozeer een autobiografisch boek. Dat is de kracht, maar ook de zwakte van zijn betoog. Of zoals Egbert Tellegen het verwoordde in Tegen de tijdgeest (2011):  ‘Nog nooit heb ik een autobiografisch boek gelezen, waarin zo weinig over de persoon in kwestie wordt vermeld als in Pure waanzin over Wouter Kusters wordt geschreven.’

  ‘Vóór Kant waren we in de tijd, sinds Kant is de tijd in ons’, schreef Schopenhauer. De tijd is iets wat we zelf creëren in steeds nieuwe ervaringen. De ervaring van een gevangen zijn in een gespleten heden, dat telkens weer wegglijdt in het verleden, staat haaks op die andere gewaarwording, het voortdurend verwikkeld zijn in een innerlijke monoloog van het gelijktijdige van het ongelijktijdige, het verleden in het heden. Maar in die aanhoudende monoloog kan zich ook een ervaring aandienen die boven de tijd uitgaat en als het ware bovenhistorisch wordt, zoals de gedachte aan een mogelijke Verlossing alles met de dood, maar niets met het wegtikken van de tijd van doen heeft. Die bovenhistorische gewaarwording kan een ervaring zijn, waarin de tijd zich lijkt op te splitsen in twee verschillende werelden, niet alleen in verleden en toekomst, maar ook in een verleden en een nieuw beeld daarvan, een beeld dat niet overeenstemt met wat het verleden daarvoor altijd was.

Op zo’n moment breekt er iets open in de tijd zelf, alsof een dode tak van een boom afbreekt of een stuk ijs opeens wegglijdt van een smeltende gletsjer. Misschien dat op zo’n moment het verleden zelf ontstaat of herboren wordt in een nieuwe gedaante, niet omdat de tijd lijkt stil te staan, maar omdat een omkering van perspectief zich aandient, waarin alles op een andere manier wordt samengevat. In die ‘omkering van de omkering’ raakt alles dan heel even los van de rol. Dan verdwijnt de lege tijd, de chronos, waarin zoals Reve schrijft ‘het graf gaapt, de tijd altijd zoemt en nergens redding is’, om plaats te maken voor de gewaarwording van een op handen zijnde voltooiing en vervulling: de kairos. In de meest onwaarschijnlijke samenloop van omstandigheden van het hier en nu openbaart zich dan plotseling een moment van Verlossing.

Je zou dit een existentiële bevrijding kunnen noemen, een moment van verlichting, een Verlossing wellicht uit de beklemming van het bestaan. De tijd als gevangenis wordt opeens het omgekeerde: een tijd om jezelf in te verliezen. De beleving van de tijd kent twee richtingen – de terugkeer van het verleden en het naderen van de dood.  Beide richtingen spelen zich af binnen de wereld zelf en zijn dus immanent. Er is geen transcendente ‘ruimte’ in deze dubbele tijdsbeleving, zoiets als een eeuwige uitgestrektheid die zich aan het de sequentie van de tijd onttrekt. Dat zou een tijd zijn, die zich ergens buiten de psychisch beleefde tijd zou ophouden, een tijd van eeuwigheid, een tijd die vóór de tijd uitgaat, pre-existent is of co-aetern, zoals theologen dat noemen. Dat is geen horizontale, beleefde tijd, maar een verticale, alles overstijgende tijd. Die tijd is aan het verdwijnen, niet alleen in het gewone leven, maar misschien wel bij uitstek in de psychose met al zijn wonderlijke ervaringen van tijd.

 

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)