Een Middenwegwind

Eetcafé De Avonden, dat een paar weken gelden is geopend, bevindt zich aan de Middenweg, nummer 398, op de hoek van de Brinkstraat in Betondorp. Daar bracht Gerard Reve zijn vroegste jeugd door, eerst in de Akkerstraat en later in de Ploegstraat nummer 57. Twee maal per week (maandag & donderdag) stuurt Willem Koeberg door hem zelf gemaakte foto’s in Amsterdam per e-mail naar mensen die dat waarderen. De reeks heet MOKUMGEZIEN. Ik hem mij meteen op die verzendlijst laten plaatsen. Als oud-Amsterdammer – geboren en getogen in de Watergraafsmeer – zie ik graag dit soort beelden. Sinds kort kan ik hier in Leeuwarden de zender AT5 ontvangen, waar ik ’s avonds laat geregeld naar kijk. Deze foto roept bij mij een reeks van herinneringen op. Aan de overzijde was het oude Ajaxstadion met het beginpunt van tramlijn 9.

In Betondorp woonde ook de schrijver Jan Mens (1897-1967). Hij werd geboren in de Kinkerstraat maar woonde tot aan zijn dood in de Tuinbouwstraat nummer 78. Op zijn grafsteen staat: ‘Zijn leven was eenvoud. Zijn liefde Amsterdam.’ Ik zag hem wel eens in lijn 9, als ik naar huis reed richting Oost. In mijn geboortejaar 1947, het jaar waarin De Avonden verscheen, werd in Betondorp ook Johan Cruyff geboren, in een huis op de hoek van de Akkerstraat en de Tuinbouwstraat. Op het braakland van Amsterdam-Watergraafsmeer had Reve zijn eerste religieuze ervaring, zo laat hij weten in zijn verantwoording van de roman Het hijgend hert. En in zijn vroege jeugd – zo vertelt hij aan Tom Rooduijn – voelde hij zich al aangetrokken tot ‘de katholieke kitschkathedraal van Diemen’, die net over de Ringdijk vlakbij Betondorp stond. Het torentje van dat kerkje kon ikzelf als kind vanuit het slaapkamerraam van mijn ouders in de verte zien. In Brief uit Amsterdam in Op weg naar het einde schrijft Reve,  dat hij dat 32 jaar na de dood van Mies Bosman uit Betondorp nog kan herinneren dat ze ooit had gezegd: ’Ik ga toch dood – Margriet mag mijn fiets hebben.’ Of dat een vrouw in de Ploegstraat 109, 111 of 113 zich de woorden liet ontvallen: ‘Veel groente en weinig aardappelen, dat eet voor een man niet zo lekker.’

Ouder worden is het opeenstapelen van tijd. Mijn geheugen loopt steeds meer vol met geleefde tijd en in elk ogenblik lijkt mijn hele verleden mee te bewegen in het hier en nu. Soms denk dat de geleefde tijd uit mijn verleden niet in mijn brein ligt opgeslagen, maar ergens ver daarbuiten. Elk woord over de tijd bedient zich van ruimtelijke metaforen, terwijl de tijd zelf geen plaats heeft in welke ‘ruimte’ dan ook. Mijn brein is geen computer of iets dat daar op lijkt. Het is eerder zoiets als een korenveld waar de wind voortdurend doorheen waait. Sommige vlagen van de wind zijn spontane herinneringen die zomaar opduiken uit het niets. Heimwee is tijd die stilstaat en alle poëzie is heimwee. Soms lukt het een dichter om iets in de tijd aan te roeren dat ons met de dood verzoent. Als een windstilte, midden in de wind.

Dit jaar word ik 66. Dat is maar een raar idee. Iets in mezelf vertikt het om ouder te worden. Op een gegeven moment is de klok voorgoed stil blijven staan. Elk jaar kwam er een jaar bij, maar diep van binnen ben ik gestopt met tellen. Ik weet niet precies wanneer dat gebeurd is. Ik weet ook niet wat mijn ‘absolute leeftijd’ is, zoals Harry Mulisch dat ooit noemde. Feit is dat ik vaak droom dat ik nog pas elf jaar oud ben, een kleine jongen met een grote bal aan de voet. Nog een leven voor me en nog een wereld te winnen. Mijn vader was 68 toen hij overleed. Nog twee jaar en dan heb ik hem overleefd. Maar ik weiger om te tellen. Wie telt capituleert voor de eindigheid. Ik wil niet stilstaan. Ik wil leven in de wind. Midden in de wind.

Schermafbeelding 2013-08-30 om 21.18.11

De Lusthof Rozenburg, aan de Middenweg, op de plaats van de huidige Oosterbegraafplaats

Tijd, zo wordt wel beweerd, creëert de benodigde ruimte, zodat niet alles tegelijk gebeurt. We beleven de dingen achter elkaar en dat is maar goed ook, anders zouden we knettergek worden. De techniek echter dwingt ons om in toenemende mate dingen juist simultaan te laten beleven. De nieuwe media bevorderen het multi-task denken en handelen.  Ruimte en tijd schuiven in elkaar zodat er nieuwe vormen van procedureel denken ontstaan. Ik merk dat ik daar zelf langzaamaan ook door wordt besmet. Als ik een artikel moet schrijven of een lezing moet voorbereiden, dan begin ik tegenwoordig vaak achteraan en niet van voren. Ik zet eerst allerlei zinnen achter elkaar zonder het verband dat ik pas later opeens zie ontstaan.

Eigenlijk heb ik dat altijd al gedaan, maar de nieuwe media dwingen je er toe om niet meer van A tot Z te werk te gaan, maar de problematiek integraal, van alle kanten tegelijk te benaderen. Ook dat is een in elkaar schuiven van tijd en ruimte. Onlangs ontdekte ik dat je Google Maps in heel wat steden een virtuele wandeling maken, door op streetview te klikken. Zo ben ik gisteren een uur lang bezig geweest met een stadswandeling door De Watergraafsmeer, de oude polder aan de rand van Amsterdam, waar ik geboren ben.

Op de Middenweg bevond zich ook de kroeg waar ik eind jaren zestig vaak kwam: Café Nieuw Rozenburgh, dat ooit ‘De Zwarte Ruiter’ heette, en in de jaren zestig om voor mij onduidelijke redenen ook wel  ‘Willem’ werd genoemd. Rozenburg, die naam was nauw verbonden met de Watergraafsmeer. Rozenburg (of Rozenburgh) was een lusthof, dat in de bloeitijd van de Watergraafsmeer – in de eerste helft van de 18de eeuw – gelegen was aan het eind van de Middenweg, aan de westelijke zijde, voorbij de Kruislaan, op de plaats waar later de Oosterbegraafplaats werd aangelegd. De lusthof  Rozenburg werd in 1641 gesticht en kwam in 1681 in bezit van Jacob van Lennep, de overgrootvader van de bekende schrijver. In zijn boek 150 jaar Watergraafsmeer (1979) schrijft J.H. Kruisinga:

‘Wie met oudere Amsterdammers praat over “vroeger’  en daarbij het woord Rozenburg laat vallen, krijgt steevast verhalen te horen over wandelingen langs de Middenweg, die meetal eindigden met een bezoek aan de oude Buitenplaats. Vaak sprak men over Oud- Rozenburg, de lusthof die tot een uitspanning vervallen was.‘

Gerard Reve bracht zijn lagereschooltijd door op de Rozenburghschool aan het Zuivelplein in Betondorp. Het Café Nieuw Rozenburgh aan de Middenweg bestaat nog altijd en heet tegenwoordig Elsa’s Café. Het bevindt zich op de hoek Middenweg/Linnaeusdwarsstraat. De Linaeusdwarsstraat was in de jaren zestig  een onooglijk, doodlopend straatje met onbewoonbaar verklaarde woningen, en werd ook wel de Hibsekrib genoemd, wellicht een verbastering van Ipsenstraat, naar de bouwer van het eerste huis J. Ipsen. Maar of dat zeker is, weten we dat niet.  J.H. Kruisinga schrijft: ‘De bevolking van deze straat nam het leven gemoedelijk op. Er was nog al eens een feestje en dan dansten de bewoners rond in wijde baaien broeken, ‘hipsen’ geheten. De overige Meerbevolking sprak dan ook spoedig van Hibsekrib, een buurt met een eigen karakter.’

Een tijdlang was Café Nieuw Rozenburgh ook de stamkroeg van Zen, de enige popgroep die de Watergraafsmeer – naar mijn weten – heeft voortgebracht.  Zen had in 1968 een daverende hit met Hair, de titelsong uit de gelijknamige musical. Een lid van die band heb ik zelf nog gekend. Ze traden wel eens op in Omega, de jeugdsociëteit op het Linnaeushof, waar ik eerder over schreef in mijn blog Een kerk staat in brand. Op 20 september a.s. trouwt mijn nicht Fieke in Huize Frankendael, schuin tegenover het voormalig Café Nieuw Rozenburgh. In Huize Frankendael werden op 1 maart 1974 onze trouwfoto’s genomen. Wederom aan de Middenweg.

Op 13 mei 1966 werd mijn vader begraven op de Oosterbegraafplaats in de Watergraafsmeer, op het eind van de Middenweg, waar vroeger Lusthof Rozenburg was gelegen. Dat graf is lang geleden geruimd, zoals dat heet. Op de dodenakker, waar mijn vader lag, is nu een veld voor islamitische graven ingericht. Dit stuk grond ter grootte van een half voetbalveld ligt in de zuidoosthoek van de begraafplaats tegen Betondorp aan. Van daaruit heb je uitzicht op de bewaarschool aan de Zaaiersweg waar Gerard Reve als kind in de banken zat. ‘Laat alle hoop varen Gij die hier binnentreedt.’ Het is daar wat umheimisch en vaak waait er een gure oostenwind. ‘Een Middenwegwind’ zoals ze dat bij Reve thuis noemden.

1 Reactie »

  1. Hannie de Ruiter-Peltzer

    30 maart 2017 op 11:44

    Leuk al die herinneringen bij Rozenburg.
    In een schrift met gelegenheidsgedichten van mijn overgrootvader Henrik van den Broeke, vind ik: Ter echtverbintenis van den WelEdelen Heer J.H. Timme (Johan Hendrik) en Mejufvrouw Uijt den Bogaardt (Anna Cornelia) gevierd te Rosenburg, Julij 1839.
    Nu weet ik niet of het toen een herberg was of dat er een familielid woonde. Oom Pieter Punt woonde op Zoomerlust. Weet U dat misschien?
    Leuk die kleine details!
    Ook veel plezier ermee,
    Hannie

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)