Voor eeuwig linksback

4 april, 1980(3)0001

Het is voorjaar 1960. Plaats van handeling: het voetbalcomplex van RKAVIC dichtbij de Kalfjeslaan in Amstelveen. Zo te zien heb ik zojuist een wedstrijd gespeeld. Twee dunne spillepoten. De modder zit nog op mijn knieën. De kousen zijn wat afgezakt, maar de scheenbeschermers zitten nog op hun plaats. Het clubshirt heeft een oranje verticale baan en de kousen zijn zwart – evenals de broek – met een omslag van oranje-wit-oranje. Dat waren de clubkleuren die ook terugkwamen in de schooldas van het St. Ignatiuscollege.

Op het veld ben ik nooit een goede voetballer geweest. Ik heb het ook maar twee jaar gedaan. Die leren knikker was gewoon te zwaar voor mij. Op straat kon ik aardig uit de voeten, maar op het veld moest ik genoegen nemen met een plaats als rechtsback. Sterker nog, ik stond altijd rechtsback, terwijl ik diep in mijn hart bleef dromen van de rechtsbuitenpositie. Zo’n lange rush van Pietje van der Kuil, die ik ooit bij Ajax had gezien, dat leek me wel wat. Maar het heeft er nooit van mogen komen. Het was een groot complex van RKAVIC, zeker acht voetbalvelden. Er waren ook hockeyvelden van HIC. Later speelde ik er nog wel in schooltoernooien, toen ik al op het IG zat.

Als kind was ik niet wat je noemt een voetbaltalent. Zeker niet op het veld met van die zware kicksen aan je voeten. Op straat kon ik veel beter uit de voeten. Al mijn schijnbewegingen die ik me op straat had aangeleerd, kon ik op het veld niet kwijt. Ik kwam dan ook meteen als linksback in het laagste elftal terecht. Mijn vriendjes speelden allemaal hoger, dat was een traumatische degradatie voor mij. Een keer nam ik wraak. Ik moest als midvoor invallen in een hoger elftal. Ik weet niet wat ik had die dag, maar ik speelde de sterren van de hemel. Scoorde zelfs twee keer, de tweede met een rush vanaf de middellijn. Ik ben ijdel genoeg om me ook dat nog te herinneren tot op de dag van vandaag. Maar dat was eens en nooit meer. De grote ster bij de junioren was Jos de Loor. Hij kon alles met een bal.

In het voorjaar van 1960 zat ik nog in de hoogste klas van de lagere school. Ik speelde destijds bij de B-junioren, maar wel in het laagste elftal. In juli 1960 ben ik nog mee geweest naar een zomerkamp van RKAVIC in Amersfoort. Daar was ook Erik Kramer bij, de broer van Frank Kramer. Erik en ik waren ongeveer even oud. Michel van Overbeek, met wie ik later samen op het Ignatiuscollege zat, vertelde mij ooit dat hij samen met Erik Kramer op de lagere school had gezeten: de Petrus Canisius School in Oud Zuid. Zo vallen alle puzzelstukjes langzaam in elkaar. Het wezen van internet is dat al die informatie langzaamaan boven water komt. Over honderd jaar weet iedereen alles van elkaar, want alles staat op het net.

*

4 april, 1980(3)0001

Het is winter 1976. Hier sta ik op het kleine kerkhorf aan de Ouddiemerlaan in Oud-Diemen waar nog graven liggen uit de twaalfde eeuw.  ‘Memento mori‘ staat op het hek bij de ingang, Voorwaar, voorwaar ik zeg u. Pistos ho logos. Dit woord is waar. Het geheugen is een oneindig universum dat eindig gaat worden in de besloten, virtuele ruimte van de nieuwe media, waar alles uiteindelijk in convergeert: verleden, heden en toekomst. De tijd, die ooit een eindeloze uitgestrektheid was, schuift ineen als een harmonica. De melancholische toon, die wij daardoor te horen krijgen, is het verdwijnen van de tijd, niet het verdwijnen van de verleden tijd, maar van de tijd als zodanig, de tijd zoals die ooit werkelijk heeft bestaan en nooit meer terug zal keren.

Met het verdwijnen van de tijd zelf verdwijnt ook de utopie, de gedachte dat ooit alles weer goed zal komen. Of is het toch waar, dat er een wezenlijk verschil bestaat tussen utopie en verlossing? Wie schenkt er een toekomst aan wie geen toekomst meer heeft? ‘Wie geeft er een toekomst aan onze doden?’ Wie maakt het verleden weer levend, zoals het heden pas werkelijk heden wordt, als het verleden kan worden. Anders gezegd: het heden is pas werkelijk heden als het verdwijnen kan. Het grootste drama van onze tijd is dat het heden niet meer verdwijnt, waardoor de tijd zelf– zonder dat we daar erg in hadden – is opgehouden te bestaan.

‘Een pijnigende voorstelling dat vanaf een bepaald punt in de tijd 
de geschiedenis ophield reëel te zijn. Zonder het te merken heeft de hele 
mensheid plotseling de realiteit verlaten, alles wat sindsdien is gebeurd 
is absoluut niet waar, maar we kunnen het niet merken. Onze taak is nu 
dit punt te ontdekken en zolang we het niet hebben gevonden moeten we in de huidige vernietiging blijven volharden.’

Deze woorden van Elias Canetti raken de kern van een gevoel dat al tijden rondspookt in de westerse cultuur. De werkelijkheid is niet echt meer. We leven in een schijnwereld waar we geen werkelijk contact mee hebben. Van de weeromstuit ontstaat het verlangen naar een tijd dat de werkelijkheid nog ‘echt’ was. Dat verlangen noemen we nostalgie, een gevoel dat al zo oud is als de Romantiek, maar in de moderne tijd steeds sterker lijkt te worden. Nostalgie komt en gaat in golven en dalen. Er zijn tijden dat het geheel lijkt te verdwijnen, zoals in de jaren zestig bijvoorbeeld, maar in the seventies stak het weer de kop op. De jaren tachtig en negentig waren redelijk vrij van nostalgie. Maar in het laatste decennium is het fenomeen weer in opmars. Nostalgie verschijnt als er iets op het punt staat om definitief verdwijnen.

4 april, 1980(3)0001

Wie geen hoop meer heeft in een goede afloop van de geschiedenis, wie dus de utopie de deur uit doet, wordt nostalgisch of apocalyptisch. Nostalgie en apocalyptiek zijn elkaars tegenpool, maar komen voort uit dezelfde bron: het verdwijnen van de tijd. Zo kan ook de wanhopige gedachte ontstaan aan een radicaal verdwijnen van de tijd zelf, of de vernietiging van een heel tijdperk. Het avondrood van het modernisme draagt niet alleen de kiemen in zich van de nostalgie, maar is in laatste instantie ook een voedingsbodem voor fundamentalisme en terreur. Het verdwijnen van de tijd als zodanig brengt monsters voort. Ook dat beeld is eigen aan onze postmoderne tijd.

*

Maar terug naar het verleden. In dat zomerkamp in Amersfoort werd Erik Kramer voortijdig naar huis gestuurd samen met enkele andere belhamels die het ‘s nachts bij de kussengevechten te bont hadden gemaakt. Onder hen was ook Jos de Loor. Zo viel mijn idool van zijn voetstuk. Hij werd door zijn vader in de auto opgehaald. Die was pisnijdig. Wat een afgang. Frank Kramer was twee jaar ouder dan ik en speelde later als linksbuiten in het eerste elftal van RKAVIC. Daarna werd hij profvoetballer en kwam achtereenvolgens uit voor FC Amsterdam, MVV, Telstar, FC Volendam en HFC Haarlem.

Ik heb zijn carrière altijd een beetje gevolgd en nog steeds trouwens. Die spelletjes, die hij destijds op TV deed, daar had ik niet zoveel mee. Daarna werd hij commentator van Eurosport en versloeg daar voornamelijk wedstrijden die al een tijdje geleden waren gespeeld. Als voetballer was hij beter dan als commentator. Een beetje ‘type René van der Gijp’, maar dan wel een stuk sportiever. Sterker nog, met zijn eeuwige krullenbol stond hij bekend als de aardigste speler van Nederland die bovendien heel veel van zijn moeder hield. Hij had ook een wat eigenaardige vorm van humor die me altijd een beetje aan Henk Terlingen deed denken. Zo werd hij een keer geïnterviewd in de rust bij een wedstrijd van FC Amsterdam en vroeg hij aan zijn moeder thuis of hij het gas wel had uitgedaan.

In de zomer van 1976 maakte Frank Kramer deel uit van de popgroep Full House. Zij scoorden maar één hit, die dat jaar de tweede plaats haalde in de TOP 40. Hoe kan het ook anders, Frank Kramer was de eeuwige tweede. Dat liedje heette Standing on the inside. Oorspronkelijk was het een nummer van Neil Sedaka. Het schijnt dat Patricia Paay nog in het achtergrondkoortje heeft meegezongen. Als de onbestemde opgewektheid van de jaren zeventig ergens is ingedaald, dan is het in deze muziek. Compleet nietszeggend, maar wel zeer aanstekelijk. Wat je noemt een tijdsbeeld.

De groep Full House heeft geloof ik ook maar één zomer bestaan. Ze deden een beetje ABBA na, maar wel met één vrouw meer. Daarbij stonden ze in een 3-2 opstelling, zoals vroeger de voorhoede op het voetbalveld, met een midvoor, twee buitenspelers en twee binnenspelers. Bij Full House speelde Frank rechtsbinnen. Op een gegeven moment kwamen de binnenspelers naar voren toe. Standing on the outside werd dan standing on the inside. Zoiets moet Frank Kramer hebben bedacht. Dat kan niet anders. De ‘omschakeling’ heet dat tegenwoordig in voetbaltermen.

Standing on the inside heb het altijd een ijzersterke zomerhit gevonden en het verbaast me, dat je hem nooit meer hoort op de radio. Die zomer van 1976 was een van de warmste van de vorige eeuw. We woonden destijds op een studentenflat in Diemen en keken elke dag naar de Olympische Spelen in Montreal. We wonnen toen geen enkele gouden medaille. Het enige wat me nog bijstaat is het hoogspringen dat verrassend gewonnen werd door de Pool Jacek Wszoła die toen nog kon springen als een jong hert in de lente. Zelf was ik inmiddels weer gaan voetballen. Ik speelde nog een jaar lang bij De Schollevers, een studentenclub die was opgericht door Maurice de Hond. Alleen, ik was weer linksback, voor eeuwig standing on the outside.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)