Katholiek in Klarendal

9789025437602_front

‘Arnhem was voor haar als jong meisje de stad van een opbloeiend katholicisme, waar ze rooms naar de bewaarschool 
en de lagere school ging, en waar ze als lid van de Katholieke 
Jonge Meisjes vol verwachting was van wat komen zou. Om 
te zeggen dat ze er betoverd raakte, zou te veel gezegd zijn – 
ook al wees de stichtelijke blik in haar ogen op latere leeftijd 
bij het zingen van bijvoorbeeld de geloofsbelijdenis op jeugdige vervoering. Ze was hoe dan ook aangeraakt door de sensus catholicus. Ze zou een goed katholiek worden. De kerk en 
de kapelaans van de pastorie achter het muurtje op de binnenplaats zouden haar daarbij helpen, in Arnhem, de stad die 
anders dan het nabije Nijmegen nu niet bepaald de roep had 
een roomse vesting te zijn. ‘

Aldus Jos Palm in zijn boek Moederkerk. De ondergang van rooms Nederland (2012). Er verschijnen meer boeken de laatste tijd over de recente geschiedenis van het katholicisme. Eind vorig jaar verscheen Verlangen naar vernieuwing, Nederlands katholicisme 1953-2003 van Maarten van den Bos.  Maar ook in de jaren zestig, toen de teloorgang van het katholicisme zich in Nederland razendsnel aandiende, werd dit proces al beschreven, vaak vanuit een nostalgische houding of een gemis dat alom werd gevoeld. Zo hebben Michel van der Plas en Godfried Bomans hun indrukken en ervaringen opgetekend in boeken als Uit het rijke roomsche leven (1963), In de kou (1969) en Beminde gelovigen (1970). Mijn boek Modernisme in Lourdes, Gerard Reve en de secularisering, dat in december a.s. verschijnt, voegt zich in deze reeks publicaties.

Wat is er precies in de jaren zestig gebeurd, zodat God ook uit mijn wereldbeeld verdween? Deze totale eclips blijft voor mij iets raadselachtigs houden, ondanks – of misschien wel dankzij – het feit dat geloven in God voor mij een onmogelijkheid is geworden. Naarmate dit godsgeloof verder achter de horizon verdwijnt, neemt mijn nieuwsgierigheid alleen maar toe. Deze paradoxale belangstelling krijgt soms de trekken van een obsessie. Het is – om met Frans Kellendonk te spreken – alsof er gat in de werkelijkheid zit. In het begin van zijn novelle Bouwval gelooft de tienjarige hoofdpersoon nog in de onsterfelijkheid van de ziel en aan het eind van het verhaal ontdekt hij in de bodem van de auto van zijn vader een gat, en door dat gat ziet hij een oneindige lege kosmos. Later schrijft Kellendonk: ‘Ik heb in het hart van de schepping een leemte ontdekt waar God, als Hij bestaat, mooi in zou passen’. Het katholicisme is in Nederland uiteindelijk een fossiel geworden uit een voorgoed voorbije tijd. Een fossiel dat wonderlijk genoeg nog steeds het vermogen in zich heeft om nostalgie op te roepen. Maar die verdienste wordt eerder veroorzaakt door het radicaal-seculiere karakter van de huidige tijd, dan door het aanpassing- en herstelvermogen dat deze geloofsleer in zich draagt.

In zijn boek Moederkerk beschrijft Jos Palm onder meer de jeugd van zijn moeder, die als kind opgroeide in Arnhem. Het was een dramatische jeugd. Haar ouders trouwden in 1915, maar het huwelijk werd al gauw ontbonden. De vader was in het Kronenburgpark in Nijmegen betrapt met een klein jongetje en later ook nog achter het koor in de Sint Janskerk. Zo werd het een scheiding tussen tafel en bed, een divortium a cohabitatione, want echt scheiden mocht niet in de katholieke kerk. Jos Palm geeft een mooie beschrijving van het katholieke leven in een Arnhemse volkswijk aan het begin van de vorige eeuw. Die wijk was Klarendaal, toevallig ook de buurt waar ook mijn moeder opgroeide. Zij werd in 1905 geboren als jongste dochter van Theodorus Sanders en Maria Reiniera Gerritsen. Haar ouderlijk huis stond in de Willemstraat, die loopt tussen de Klarendalseweg en de Roosendaalsestraat. De moeder van Jos Palm woonde aan de Roosendaalsestraat. Om de hoek dus.

Mijn grootvader had een bakkerij. Mijn moeder vertelde daar vaak over. Zo ging ze als kind met haar vader met paard en wagen de broden bezorgen bij de dure klanten aan de Velperweg. Achter het huis was een stal waar het paard werd verzorgd. Mijn grootvader was nogal bijgelovig en het wilde nogal eens spoken in de stal. Eens dacht hij dat het paard door de duivel bezeten was, want elke ochtend trof hij het volkomen bezweet aan. Het paard stond dan achterste voren, terwijl niemand eraan had gezeten. Mijn grootvader heeft toen een kruisbeeld in de stal opgehangen. Daarna was het afgelopen met deze duivelse streken.

Mijn moeder had drie oudere zusters die alle drie ongetrouwd zouden blijven. Later gingen ze bij elkaar wonen in Huissen, een stadje onder Arnhem, waar ik als kind vaak ben geweest. Ook had mijn moeder nog een oudere broer, maar die wilde niet deugen. Later ging hij varen en thuis leerden wij hem kennen als Ome Toon die altijd op de meest ongelegen momenten kwam binnenvallen. Ome Toon was het zwarte schaap van de familie. Als kind was hij al  ‘een nagel aan de doodskist van zijn vader’. Hoe dan ook, ze konden het niet met elkaar vinden, terwijl mijn grootvader toch een hele aardige man moet zijn geweest. Zelf heb ik hem niet gekend.

Slide16-e1341588072516

Theo Sanders en Maria Sanders-Gerritsen

Tot verdriet van mijn moeder is mijn grootmoeder niet oud geworden. Ze overleed op 28 januari 1924 op zestigjarige leeftijd. Zo staat het op een bidprentje dat ik nog van haar heb. Mijn moeder was toen pas 18 jaar oud. Mijn grootmoeder moet een erg zachtaardige vrouw zijn geweest en mijn moeder miste haar erg. Ze werd begraven op het R.K. Kerkhof dat aan de rand van Klarendal lag. De uitvaartdienst was in de Sint Janskerk, waar later ook mijn ouders getrouwd zijn. Eind jaren twintig had mijn moeder mijn vader leren kennen die toen al bij de PTT werkte. Aanvankelijk werkte hij in het hele land. Zo kwam hij bij de AKU in Arnhem terecht, waar hij mijn moeder destijds als telefoniste werkzaam was. ‘Pas op, het is een afgelikte beer!’ zeiden haar collega’s, maar mijn moeder zette door.

Zelf was ze veel te mondain voor de stijve Friese familie. Een echt ‘stêdtsje.’ Toen ze voor het eerst in Bakhuizen bij haar aanstaande schoonmoeder op bezoek kwam, was haar decolleté veel te diep. ‘Kun je, wat je hier hebt, niet daar aannaaien?’ vroeg Beppe, terwijl ze een wijzend gebaar maakte van pols tot hals. Maar het Arnhems meisje ze was natuurlijk smoorverliefd op mijn vader en die dorpse bekrompenheid nam ze op de koop toe. In 1931 trouwden ze. Daarna gingen ze in Den Haag wonen, waar ook de eerste dochter werd geboren. In 1936 verhuisden ze naar Amsterdam, waar nog drie dochters zouden volgen, telkens met een tussenpoos van exact vier jaar. In 1947 werd dan eindelijk de eerste en enige zoon geboren: de stamhouder van de Mousen. Durk Manus had hij moeten heten. Mijn vader heette immers Manus Durk. Maar mijn moeder vertikte het en hield haar poot stijf. Tussen haar en de Friese familie is het daarna nooit meer helemaal goed gekomen. Als er een boze brief uit Friesland kwam, verdween die ongeopend in de kachel.

In de jaren voor haar huwelijk hield mijn moeder van uitgaan en van dansen. Daarmee had ze het niet makkelijk, want ‘de dansvloer is het plafond van de hel’, werd er thuis vaak gezegd. Ook Jos Palm geeft in zijn boek tal van voorbeelden van de dreigende verwording van de jeugd in de jaren twintig. Jongeren gaven zich over aan bioscoopbezoek en de charleston, hoe fel de pastoor in de kerk daartegen ook fulmineerde. Mijn moeder moet zich daar niet veel van aan hebben getrokken. Ze was een echt fuifnummer en had altijd een fleurig humeur. ‘Een verwaaid nest,’ zo werd ze op school genoemd. Eigenlijk is ze dat haar leven lang gebleven. Ik heb de slordigheid van mijn moeder geërfd. Naarmate ik ouder werd is mijn handschrift steeds meer op dat van mijn moeder gaan lijken. Vaak kan ik het zelfs niet eens meer lezen.

In de herfstvakantie van 1966 ben ik nog eens alleen met mijn moeder een dagje naar Arnhem geweest. Mijn vader was een half jaar daarvoor overleden. Ze liet me toen de plekken van haar jeugd zien. De Willemstraat bijvoorbeeld, waar de bakkerij heeft gestaan. We zijn toen ook nog bij een jeugdvriendin langs geweest, die nog altijd in Klarendal woonde. We liepen over de Zijpendaalse weg, waar ze vroeger bij haar vader op de kar de broden aan huis bracht. Bij Musis Sacrum hebben we koffie gedronken, en ’s middags wandelden we in het park Sonsbeek, waar tussen de geurende herfstbladeren een beeldententoonstelling was te zien. Ik herinner me nog, dat we even bij De Slegte in de Jansstraat zijn langsgegaan, waar ik twee boeken kocht – van Nietzsche en van Jung – die nog altijd in mijn boekenkast staan. Mijn moeder liet me mijn gang gaan. Dat deed ze al, toen ik nog kind was. ‘Je hebt ook wat van mij’, placht zij te zeggen, als ik wat wat somber was of zwaar op de hand.

In de jaren zeventig begon mijn moeder de eerste symptomen van Alzheimer te vertonen. Ze was wat vaak de sleutel kwijt van het huis. Toen ze een keer op reis was en wij de parkieten water zouden geven, had ze de kooi naast het zand gezet, zodat de parkieten dood in de bodemloze kooi lagen. Ze kreeg op haar verjaardag een bandrecorder, maar die kon ze niet bedienen. Toen heb ik pleisters met daarop nummers en pijlen op het cassettedeck geplakt, zodat ze altijd een gebruiksaanwijzing bij de hand had. Op een keer had ze haar eigen stem opgenomen:‘ Hier spreekt jullie moeder,’ sprak ze op gedragen toon. Het was kennelijk een opname voor later, als ze er zelf niet meer zou zijn. Die stem heb ik nooit meer terug gehoord. Ik zou ook niet weten waar dat cassettebandje gebleven is. Ze zong Lorelei in het Duits, waarschijnlijk omdat dit liedje haar herinnerde aan haar eigen jeugd. Op 19 februari 1989 is mijn moeder overleden, 83 jaar oud, maar nog altijd ‘een Arnhems meisje’. Ze werd niet begraven, maar gecremeerd in het crematorium Moscowa in Arnhem.

Zie ook de site van Historisch Klarendal

 

 

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)