Uit stof waar dromen van gemaakt zijn

 

Ofschoon de hemel vol van wolken hing,
Ik greep niet naar de vlucht van ’t vreemde ding
Dat met zijn schaduw langs mijn leven streek.

Martinus Nijhoff, De Wolken

De schrijver Luis Borges had zijn leven lang last van een terugkerende droom. Die droom ging over een dromer die zelf niet droomt, maar door een ander gedroomd wordt. Het hele werk van Borges gaat over het onwerkelijke karakter van de werkelijkheid. De werkelijkheid op zichzelf bestaat niet. Het is ons geloof in een fictie die de werkelijkheid creëert. Verbeelding is herinnering, maar het wordt nooit duidelijk of een herinnering, die terugkeert in het bewustzijn, ook werkelijk een beeld is van een voorbije werkelijkheid. Wij dromen niet alleen dat we in het verleden bestaan hebben, maar ook het bestaan in het heden heeft veel met een droom gemeen. Wat is trouwens ‘het heden’? Dat is al voorbij voordat de klank van het woord ‘heden’ wegsterft in het gedruis van mijn mond. Wat we beleven als ‘tijd’ bestaat niet. We leven in een verzegelde tijd. Het heden zit voor eeuwig op slot. We kunnen er niet bij, alleen in onze verbeelding.

Als kind heb ik wel eens gedacht dat het leven eigenlijk een droom is die als een film wordt afgedraaid in mijn hoofd. De wereld is een virtuele werkelijkheid die zich achter een gigantische spiegel aan het plafond bevindt. Onder de spiegel dalen we af in het domein van de droom. We zitten dus gevangen in een besloten ruimte die eigenlijk niet bestaat. De droom is de ware werkelijkheid. De droom kent geen tijd. De toekomst bestaat al, maar je kunt haar alleen nog niet zien. Het hier en nu zou slechts een rimpeling zijn die voorbijtrekt in een hele grote vijver van tijd. Ik denk niet meer dat het zo in elkaar zit. Maar dromen brengen me wel vaak op die gedachte terug. De gelijktijdigheid van het ongelijktijdige lijkt onder de wereld te liggen als een spanlaken dat alles bijeenhoudt. Preciezer geformuleerd: het bewustzijn in het hier en nu heeft slechts betrekking op een fractie van het brein. Daaronder zit een groot reservoir van informatie waar we niets van weten en dat we voor een groot deel ook niet en misschien zelfs nooit gebruiken.

Gerard Reve speelde wel eens met de gedachte dat de wereld een droom van God zou zijn. Als God wakker wordt, zijn wij plotseling verdwenen in het niet. Dat het leven een droom is, die door de dood wordt gewekt, is een gedachte die al te vinden is bij de Spaanse mystici. ‘Het leven is een overnachting in een slechte herberg’, heeft Theresia van Avila ooit beweerd. En ook Shakespeare heeft vaak met het idee van ‘het leven als een droom’ gespeeld. ‘We are such stuff as s dreams are made on; and our little life is rounded with a sleep.’ En anders wel de dichter Shelley: Peace, peace! he is not dead, he doth not sleep. He hath awaken’d from the dream of life.’ Maar dat de hele wereld een droom zou zijn van God, is een bewering die alle perken te buiten gaat en ons hele wereldbeeld op zijn kop zet. De materie bestaat niet. Het hele universum is slechts schijn. Alles verdwijnt zodra God ontwaakt. Hooguit wat farden zullen dan nog even rondspoken in zijn Goddelijke Geest als Tagesresten van dit ijle droom-universum. Dali had het niet kunnen bedenken.

Maar is dat wel zo? De surrealist Dali was geïnteresseerd in de transformatie van vormen en bracht allerlei elementen van het menselijk lichaam bijeen in een nieuwe samenstelling. Zo werd de Venus van Milo van laatjes voorzien met knoppen van dons.  Zijn beelden hebben soms iets weg van genetische manipulaties waarbij er iets grondig mis is gegaan, zoals de kop van Venus waar op de plek van de neus een oor is aangegroeid. Dali combineert, assembleert en transformeert. De lauwerkrans op de kop van Dante is van soeplepels gemaakt. De slaaf van Michelangelo krijgt een autoband om zijn middel en wordt zo opeens ‘de slaaf van Michelin’. Daarnaast had Dali ook een grote belangstelling voor de recente ontdekkingen binnen de exacte wetenschap, niet alleen voor de desintegratie van het atoom, die uit steeds kleinere deeltjes bleek te zijn opgebouwd, maar ook voor de genen van de mens die een universele structuur van aminozuren bleek te hebben.

Salvador Dali was gefascineerd door de wisseling van paradigma die de kwantummechanica teweeg heeft gebracht. Geïnspireerd door Heisenbergs onzekerheidsprincipe schreef hij in 1958 zijn Anti-Materie Manifest. Zelf zei hij hierover: ‘In de surrealistische periode wilde ik de iconografie van het innerlijk en het wonderbaarlijke in kaart brengen, geïnspireerd door mijn geestelijke vader Freud. Vandaag de dag gaat mijn aandacht uit naar de uiterlijke wereld, de natuurkunde, die de wereld van de psychologie heeft overstegen.’ De grens tussen geest en materie had hem altijd al gefascineerd, maar nu zag hij verbijsterd toe hoe zijn fantasie werkelijkheid werd.  Heisenberg ontdekte dat een meting altijd invloed heeft op het systeem dat gemeten wordt. Wordt bijvoorbeeld de plaats van een deeltje gemeten, dan zal hierdoor de impuls, en dus de snelheid, onzeker worden. Op microniveau bestaat er dus geen grens tussen subject en object.

Met de elementaire ontdekkingen in de wetenschap kwam de ware aard van de materie in beeld, zodanig dat een nieuw, bijna mysterieus licht werd geworpen op wat Dali de ‘psychomorfologische integratie’ noemde. Bestaat er wel zoiets als materie? Dat is de vraag, die ook in de religie en de metafysica de mens al eeuwenlang bezig houdt. Waar ligt de grens tussen geest en materie? Is er eigenlijk wel een grens? Dit soort basale vragen, die de hedendaagse natuurwetenschap opnieuw aan de orde stelt, heeft de kunst van Dali een tijdlang op een ander spoor gezet. Het wordt ook wel zijn ‘mystiek nuclearie periode’ genoemd. Figuren uit de klassieke mythologie en de kunst van de Renaissance werden binnen een eigentijds en vervreemdend kader geplaatst, zoals zijn Rafaelesk hoofd in explosie en zijn Corpuluscaire Madonna, waarbij het hoofd of het lichaam meegesleurd lijkt te worden in een heftige turbulentie van elementaire materiedeeltjes.

In feite is dit dezelfde thematiek die ook de schilders van de Renaissance bezig hield, zij het binnen een geheel verschillend, premodern wereldbeeld dat de sporen droeg van christendom en neoplatonisme. De aanraking van de aardse materie door de immateriële gedaante van God is een terugkerend onderwerp, niet alleen in de klassieke mythologie, maar ook in de christelijke iconografie.  Je ziet het terug in de vinger van God die raakt aan de vinger van Adam in het fresco van Michelangelo in de Sixtijnse kapel. Het thema keert ook terug in de verbeelding van het Noli me tangere (Raak mij niet aan). Dat zijn de woorden die de verrezen Christus sprak tegen Maria Magdalena. Zij was op die eerste Paasmorgen naar het graf gekomen om het lichaam van de gestorvene te zalven. Tot haar verbazing liep de dode Christus hier zomaar levend rond. Als zovelen in zijn tijd schilderde ook Titiaan dit tafereel. De Christus van Titiaan heeft een schoffel in zijn hand, omdat Magdalena hem voor een tuinman aanzag.

In de tijd van Titiaan werd de verbeelding van het bovennatuurlijke stilaan een probleem. De engel van de annunciatie werd tot in de late Middeleeuwen in de zelfde fysische ruimte afgebeeld als die waarin Maria zich bevond, zoals ook de verrezen Christus niet een ander materiële gedaante kreeg toebedeeld. In de loop van de zestiende eeuw echter wordt het domein van het bovennatuurlijke met schilderkunstige middelen afgescheiden van de materiële stervelingen. Er ontstond een duidelijke grens tussen geest en materie, natuur en bovennatuur, immanentie en transcendentie. Volgens Dali is die grenslijn door de ontdekkingen van de moderne natuurwetenschap volledig weggevaagd. Begrippen als ‘transcendentie’ en ‘bovennatuurlijk’ komen in een ander licht te staan, nu blijkt dat er op microniveau geen scheidslijn bestaat tussen de waarnemer en het waargenomene. De materie, zoals die door natuurkundigen in formules is vastgelegd, blijkt in werkelijkheid niet te bestaan. Maar wat is die werkelijkheid dan? We lopen in cirkels rond in het zand en komen telkens weer onze eigen voetstappen tegen. Misschien is het universum wel een droom van God, die op zijn beurt een product is van onze eigen dromen.

Kunstenaars hebben door de eeuwen heen onze dromen als in een geschilderde speelfilm in beeld gebracht. Daarom weten we hoe Maria Magdalena eruit zag, hoe Maria er uitzag. Maar hoe zag Maria er in werkelijkheid uit? Die vraag werd aan de boerenkinderen, die in de negentiende eeuw de Heilige Maagd met eigen ogen hebben aanschouwd, telkens weer gesteld door kerkelijke prelaten die een onderzoek instelden. Aan Bernadette Soubirous werden reproducties getoond van schilders als Titiaan, Tintoretto en Raphael, alsof die beeltenissen een hoger waarheidsgehalte hadden dan de visioenen van een eenvoudig boerenmeisje.  Geen van die begaafde schilders had volgens Bernadette de gelaatstrekken van Maria weten te treffen. ‘Wat hebben ze je toegetakeld!’, riep ze uit. De enige gelijkenis, die ze in de verte kon herkennen, was die met het plaatselijk Mariabeeld op het dorpsplein van Lourdes.

In Lourdes maakte de religie van de angst plaats voor de religie van de liefde. In de strijd tegen het opkomende positivisme en materialisme nam de Kerk haar toevlucht tot de zwijgende massa van slecht opgeleide vrouwen, die in diepste wezen tegen de moderniteit waren. De Kerk koos een weg tegen de vooruitgang en benadrukte de sentimentele en irrationale zijden van de devotie die het grote publiek het meest waardeerde. Lourdes was een symptoom van een subtiele, maar ook totalitaire machtspolitiek. Maar het was ook een strijd voor de heelheid van de mens, een strijd ook tegen de overwaardering van het de ratio ten koste van het lichaam. Het menselijk lijden werd als wapen ingezet tegen de toekomst die de wetenschap beloofde. Lourdes was een belofte van wedergeboorte en verlossing. Lourdes was een wanhopig maar ook magistraal verzet tegen de moderne tijd, een ultiem wapen tegen Descartes, met zijn  cogito ergo sum.  Maria liet zich zien om de mens in zijn heelheid te redden.

Reve heeft laten weten dat hij tijdens zijn leven nooit zelf de Maagd heeft zien verschijnen. Hij had haar graag met eigen ogen willen zien, zoals hij ook zijn eigen moeder terugzag in een droom, eindelijk eens goed gekleed, met kralen om die goed pasten bij haar jurk. Maria is niet aan hem willen verschijnen, en als je alle deliria, wanen en manische toestanden in ogenschouw neemt, die tijdens zijn leven zijn brein geteisterd hebben, dan kan dit uitblijven van een verschijning met recht een godswonder worden genoemd. Alleen gekken en dwazen zien de Maagd nog verschijnen. De geest heeft het afgelegd tegen de materie. De Madonna zwijgt voortaan.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)