Oefening baart kunst

Onderstaande tekst verscheen in 2009 eerder op dit weblog. De tekst schreef ik naar aanleiding van een lezing die ik vier jaar daarvoor had gehouden voor studenten van Academie Minerva te Groningen. De lezing ging over ‘Artistiek talent en nieuwe media’.  

*

Natura artis magistra. Dat las ik vroeger als kind, als ik met mijn moeder met lijn 9 naar de stad reed. Het stond met gouden letters op een oud gebouw dat ‘ARTIS’ heette: de dierentuin van Amsterdam aan de Plantage Middenlaan. ‘De natuur is de leermeester van de kunst’, zo wordt deze antieke wijsheid doorgaans vertaald. Maar de zin betekende oorspronkelijk heel iets anders. De natuur is een kracht die altijd weer zijn eigen weg zoekt. Een gedresseerde aap zal zijn kunstjes eindeloos herhalen, totdat hij plotseling een banaan ziet liggen. Dan is hij al zijn kunstjes plotseling helemaal vergeten. De oerdrift van de natuur breekt dan door het vernis van de beschaving heen. Met andere woorden: drift en instinct zijn de aangeleerde kunstjes van de cultuur altijd de baas. Talent is niet alleen een zaak van natuurlijke aanleg, maar vooral ook van ‘oefening baart kunst’. Dat spanningsveld heeft zijn historische balans. Elke tijd heeft zo zijn eigen ideeën over de verhouding tussen oefening en aangeboren talent. Tussen ambacht en genie. Tussen goddelijke inspiratie en technische perfectie. Tussen nature en nurture.

Die balans heeft er in het verleden wel eens anders uit gezien dan tegenwoordig. Talent had in de Renaissance ook een veel breder betekenisveld dan nu. De creativiteit van dichter en kunstenaar was primair een vermogen tot herinnering. Het was iets wat van buiten kwam en niet van binnen. Inspiratie was een goddelijke injectie uit een van de zeven hemelsferen, die de kunstenaar in een reis voor zijn geboorte had aangedaan. Door een deugdzaam leven te leiden kon hij de verbeeldingskracht (imaginatio) op het juiste spoor terug brengen. Toen de schoonheid nog iets op had met het goede en het ware, was het vooral oefening die kunst kon baren.

Sinds de Romantiek echter wordt het artistieke talent doorgaans in de donkere spelonken van het brein gesitueerd of nog verder naar binnen: in een genetische code. Maar in de tijd aan de renaissance waren taal en beeld – vooral als het gaat om creativiteit – altijd intrinsiek met elkaar verweven. Beide kwamen voort uit eenzelfde bron, een creatief oervermogen van het brein (de imaginatio) dat zowel van nature aanwezig moest zijn als streng gedresseerd moest worden door oefening. Alleen oefening baart immers kunst. Dat de natuur de enige leermeester zou zijn van de kunst is een misverstand dat de Romantiek heeft doen ontstaan. De mens is van nature geneigd tot het ongecontroleerde en dat is verkeerd. De natuur moet dus voortdurend getemd worden in een keurslijf van strakke leermethoden. Die oerwet van de klassieke oudheid is door de Romantiek ons uit het zicht ontnomen.

De modaliteiten van het talent

Tegenwoordig valt het begrip artistiek talent vrijwel één op één samen met het begrip natuurtalent, dat wil zeggen: een louter aangeboren gave. Ook de Renaissance onderkende de gave die dichters en kunstenaar nu eenmaal van nature in zich moet hebben (ingenium). Daarnaast echter werd er een reeks van modaliteiten onderscheiden die stuk voor stuk bepalend waren voor de kwaliteit van het creatief vermogen. Zo was er de geneigdheid of lust om die aangeboren gave ook inderdaad te benutten (inclinatio), het geduld om het werk van beroemde voorgangers te bestuderen (studium), de vindingrijkheid om van uit eigen verbeelding tot iets nieuws te komen (inventio), de ijver om door oefening voortgang te boeken (diligentia) en niet te vergeten: het vermogen om een eigen stijl te ontwikkelen (maniera). Zo vormde de aangeboren gave slechts één aspect van een veelkoppig fenomeen, dat in zijn geheel bepalend was voor het artistieke talent.

De honger naar het oorspronkelijke, het nieuwe en het moderne, die in de negentiende eeuw is ontstaan, heeft de latere opvattingen van het creatief vermogen uit zijn harmonische balans getrokken. Zo wordt de inventio vandaag de dag hogelijk beweerd ten koste van het studium. De Romantiek met zijn cultus van het genie heeft het talent niet alleen tot een ultieme uitzondering van de natuur verklaard, maar bovendien ook afgeschilderd als een levensconditie vol kommer en kwel. Het ideaal van de homo universalis maakte in de vorige eeuw plaats voor de artistieke superspecialist (uit oogpunt van de renaissancekunstenaar een soort wereldvreemde nerd). Belast met dit ééndimensionale talent werd de bohémien uiteindelijk een buitenbeentje met een borderline syndroom. Hij kon alleen in nog een gesloten kring van connaisseurs begrepen worden in zijn meest individuele uitingen van zijn meest individuele emoties. Het beeld raakte niet alleen van God los, het raakte ook los van het woord. Van de weeromstuit ontstond het onmogelijke ideaal van het Gesamtkunstwerk, dat zijn wortels had in een gekoesterd verlangen naar een ver verleden. Het was een wanhopige poging om een verloren samenhang in de kunsten in één klap te herstellen.

In de belangstelling voor synesthesie in Baudelaires theorie van de ‘correspondances’ is een vergelijkbare heimwee naar een verloren sleutel te herkennen. Maar de deuren van de hemel zaten voortaan op slot. Newton kreeg de schuld van deze verdrijving uit het paradijs van de zintuigen. Hij had de regenboog ontmanteld. Wat ooit een magistrale metafoor was geweest voor het verbond tussen hemel en aarde, was nu een louter optisch verschijnsel geworden dat bijgezet kon worden in de geestdodende catalogus van de natuurwetenschap. De negentiende eeuw was vóór alles het tijdperk van de versplintering van de zintuigen en de specialisatie in vaardigheden en talenten. De ingenieurs kregen hun eigen opleiding los van de beaux arts. De beeldende kunst en de literatuur betrokken ieder voor zich autonome domeinen.

Talent en nieuwe media

De komst van de nieuwe media zetten de historische scheidslijnen tussen woord en beeld ter discussie. De massamedia lijken bovendien ook het onderscheid tussen hoge en lage cultuur stilaan weg te vagen. Alom heerst ongerustheid over de toekomst van de kunst. Gaat de kunst straks geheel op in een mediale vorm van artistieke massacommunicatie. Is de hoge status van de geletterde kunst in verval. Georg Steiner sprak en halve eeuw geleden al over ‘het verval van het woord’. De plaatsjesmaatschappij van tegenwoordig en de alom toeslaande ontlezing van bij het grote publiek creëren een klimaat waarin defaitisme en crisisbesef bij menigeen hoogtij vieren. Maar is dit terecht? De kunstcriticus Rutger Pontzen schreef eens: ‘Kunst is geen afspraak, geen vrijplaats, nooit geweest. Eerder een totalitair systeem dat het alleenrecht denkt te hebben over smaak, vrijheid en beeldende intelligentie.’

Wat binnen de brede hedendaagse beeldcultuur wordt gemaakt, moet juist serieus worden genomen. Er zijn ook hoopgevende signalen nu alles met alles ‘compatible‘ wordt. Zo omvat de nieuwe discipline ‘visual studies’ een combinatie van kunstgeschiedenis en mediatheorie. Alles wat beeld is komt vanuit deze optiek op één lijn te liggen: grotschilderingen, olieverfschilderijen, daguerrotypen, websites, amateurkiekjes, televisiebeelden, krantenfoto’s, videoclips. Beeldende kunst wordt steeds meer van zijn intrinsiek esthetische dimensie – die op zich een historisch fenomeen blijkt te zijn – ontdaan. Oude opvattingen over esthetische (lees: beeldende) kwaliteit gaan in het tijdperk van de nieuwe media niet meer op.

Op het terrein van de beeldende kunst is esthetische kwaliteit pas is sinds 18de eeuw specifiek opgevat als beeldende kwaliteit. Sculpturen uit de klassieke oudheid hebben daarbij als voorbeeld gediend in idealisering van ‘stilgezet beeld van de werkelijkheid’ . Esthetische kwaliteit raakt sindsdien ook verbonden met het hoge beschavingsideaal van geletterde cultuur. Beeldende kwaliteit werd formeel en anti-literair in de moderne kunst. Met de opkomst van nieuwe media en beeldcultuur verdwijnt het traditionele begrip van esthetische kwaliteit. De verwijdering van taal en beeld was een historisch fenomeen, dat onder onze ogen aan het verdwijnen is. Nieuwe media en beeldcultuur vragen om een herdefiniëring van kunstbegrip en een nieuwe esthetica (het fotogenieke, de schok, de verbijstering). Aanzetten voor nieuwe esthetica liggen in hedendaagse mediatheorieën.

De overgang van videokunst naar mediakunst markeert een transformatie die het hele terrein van de beeldende kunst tegenwoordig in zijn greep heeft en waarvan wij de consequenties en de reikwijdte nog lang niet kunnen overzien. ‘Mediakunst’ is slechts een voorlopige verzamelnaam die de lading nog amper kan dekken. Nieuwe media zijn onze wereld aan het veranderen, sterker nog, ze zijn ons zelf aan het veranderen zonder dat we daar altijd erg in hebben. Ze veranderen niet alleen onze blik op de wereld, maar ook ons bewustzijn en ons besef van tijd en ruimte. Ze veranderen zelfs de ervaring van het lichaam. Dat soort veranderingen zijn niet nieuw. Door de eeuwen heen zijn het juist kunstenaars geweest die over uiterst gevoelige antennes beschikten om dit soort processen te registeren, reflecteren en te verbeelden. De geschiedenis van de kunst is in feite een verslag van de manier waarop we kijken naar de werkelijkheid. In die zin zijn nieuwe media oude media in een nieuw jasje. Ze voegen zich vroeg of laat in het vertrouwde spectrum van traditionele media, waar ze zich ook niet wezenlijk van onderscheiden.

Ontschotting van disciplines

En toch, in één opzicht dient zich iets aan dat werkelijk nieuw is. Dat is de ontschotting van disciplines. Het lijkt of in toenemende mate alles met alles te maken krijgt. Nieuwe media waaieren uit en nemen andere terreinen in bezit. Zo ontstaan er niet alleen nieuwe relaties met kunst in de publieke ruimte, maar ook kruisbestuivingen met poëzie, nieuwe muziek, popcultuur en game-industrie. Nieuwe media democratiseren de kunst. Ze brengen ook nieuwe vormen van creativiteit voort en leggen onverwachte verbanden met begrippen als markt en economie. Nieuwe containerbegrippen dienen zich aan als beeldcultuur, E-culture en creatieve industrie. De digitalisering van de cultuur voegt niet alleen kunstvormen aaneen die voorheen gescheiden waren, maar stelt ook de grenzen van de kunst ter discussie. Zelfs de autonomie van de kunst lijkt zijn langste tijd te hebben gehad. Het is ook de vraag of een traditioneel podium in de toekomst nog nodig is nu het internet oprukt als virtuele plaats van handeling. Niemand lijkt nog zicht te hebben waar de vernieuwing zich werkelijk voltrekt, omdat het hele veld in beweging is.

In deze maalstroom van veranderingen en nieuwe ontwikkelingen komen oude begrippen langzaamaan in een nieuw licht te staan. Het besef begint door te dringen dat onze cultuur al twee eeuwen lang gevangen zit in een soort wurggreep. Kunst zit opgesloten in de romantische orde die het denken over creativiteit en verbeelding nog altijd bepaalt. Oorspronkelijkheid en individuele expressie zullen uiteindelijk voorgoed van hun heilig aureool worden ontdaan. Kunst zal bevrijd worden van het magische abstractum van holle gedachten dat het als een windbuil met zich mee torst. Kunst is getemde natuur, geen bevrijde natuur. Kunst is mede een zaak van het verstand en niet alleen van het ontremde instinct. Wie weet wordt de kunst ooit weer een vak dat je moet leren en oefenen, omdat de natuur je anders de baas wordt. Natura artis magistra. Zo is het altijd al geweest. It’s all happening at the Zoo.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)