Een compact quotum informatie

4 april, 1980(3)0001

Beelden zijn betekenisvolle vlakken, waarop beeldelementen zich magisch tot elkaar verhouden. Dat een beeld primair een vlak op zichzelf is en niet een venster dat onbelemmerd uitzicht biedt op de buitenwereld, is aanvankelijk wat moeilijk voor te stellen. Maar als je die gedachte echt serieus neemt, dan valt er veel voor te zeggen. Een foto is uiteindelijk een specifiek patroon van de getallen 1 en 0 dat geordend is op een vlak. Dat specifieke patroon kan van alles betekenen. Het kan zelfs iets betekenen wat helemaal niet op de foto te zien is. Neem nu bovenstaande foto uit 1977.

Als ik deze foto zie, dan zie ik de plek voor me waar hij genomen is. Het is een kamer met bruin geschilderd behang. Het licht valt van opzij naar binnen. De figuur die op een oude stoel zit draagt blauwe touwschoenen en rookt een shaggie. Naast hem staat een blikje pils en een koffiezetapparaat. Daaronder is een versterker te zien en ook een aantal grammofoonplaten. Boven het hoofd van de zittende figuur rijst een vingerplant omhoog. Daarnaast is een ingelijste gouache te zien die de copulatie van een geraamte met een vrouw voorstelt. Dat is hier wat moeilijk te zien, maar op de oorspronkelijke versie van de foto is dat tafereel goed te onderscheiden.

De figuur op de foto ben ikzelf. Ik zit op de stoel die ik geërfd heb van mijn vader. Die stoel bestaat inmiddels niet meer. Ik bevind mij in een kamer van een huis in de Saffierstraat in Amsterdam. Op nummer 109, één hoog, bijna op de hoek van de Jozef Israëlskade. Twee hoeken verder – in het hoekhuis van de Diamantstraat-Jozef Israëlskade – heeft Gerard Reve gewoond. In dat huis, eventjes verderop dus, speelde de roman De Avonden zich af. Daar, op de eerste verdieping van dat andere huis, ontwaakte de held van ‘deze geschiedenis’: ‘Het was nog donker, toen in de vroege morgen van de tweeëntwintigste december 1946 ….‘  et cetera.

Vanuit zijn slaapkamer had de hoofdpersoon van het verhaal vrijwel een identiek uitzicht op de Jozef Israëlskade, die in De Avonden ‘Schilderskade’ wordt genoemd. In het boek van Reve is het adres van de hoofdpersoon Frits van Egters: ‘Schilderskade 66’. Destijds was dat in werkelijkheid: Jozef Israëlskade 116, één hoog. Dat nummer is nadien veranderd. Tegenwoordig is het huisnummer 415. Onlangs ben ik nog eens ter plekke wezen kijken, daar aan de Jozef Israëlskade, op de hoek van de Diamantstaat, vlak bij mijn oude huis dus, op de hoek van de Saffierstraat. Er hangt nu een mooie stenen plaquette aan de muur. ‘Van Egters’ staat er op – de achternaam van de hoofdpersoon in ‘De Avonden’- en inderdaad: nummer 66.

Ik heb me nooit gerealiseerd dat ik in de Saffierstraat zo dicht bij het ouderlijk huis van Gerard Reve heb gewoond, en al helemaal niet dat de indeling van mijn huis vrijwel identiek was aan dat van De Avonden. Alleen hadden wij geen tweede verdieping destijds voor de slaapkamers. De familie Van het Reve had dat wel. Hun huis was dus twee keer zo groot. Maar voor de rest moet alles hetzelfde zijn geweest. Boven was ook een zolder die vroeger – net als in De Avonden – voor de opslag van kolen had gediend. Maar daar mochten we niet komen, omdat de buurvrouw daaronder een solarium aan het plafond had bevestigd. Ze was bang dat dit naar beneden kwam, als wij op zolder liepen. We hebben maar een jaar in de Saffierstraat gewoond. De buurt zou weldra gerenoveerd worden, dus we hadden er toch uit gemoeten. Het was een kleine maar gezellige woning, zonder douche helaas.

Daarvoor moest je naar het badhuis op het Smaragdplein, dat destijds nog in de oorspronkelijke staat in functie was. De kamers waren wat donker. Dat kwam vooral door de hoge vensterbanken. Er wordt wel eens beweerd dat deze destijds bewust zo hoog gemaakt waren, om de arbeiders te beletten om de hele dag bij het raam naar buiten te hangen. De architect van deze woningen was Jop van Epen. Zijn huizen hadden markante bakstenen gevels en de kozijnen waren in typerende kleuren donkergroen en donkergeel geschilderd. Deze zogeheten ‘Amsterdamse School- woningen’ uit de jaren twintig waren destijds gebouwd als ‘paleizen voor de arbeiders’, maar in 1977 waren ze nodig aan een opknapbeurt toe.

Onze bovenbuurman, mijnheer Evenhuis, woonde er al sinds het eind van de jaren twintig. Evenals de familie Van het Reve had hij eerder in Betondorp gewoond, waar onze Woningbouwvereniging ook veel woningen had. Mijnheer Evenhuis was weduwnaar. Zijn vrouw was al jaren daarvoor met de fiets verongelukt in de Van Woustraat. Zelf had hij het Nederlands elftal nog zien voetballen bij de Olympische Spelen in 1928, waar hij ook  de legendarische speler van Uruguay,  José Andrade, nog met eigen ogen had gezien. De familie Van het Reve, die in 1939 om de hoek kwam wonen, moet mijnheer Evenhuis ook zeker gekend hebben, maar ik heb hem er nooit naar gevraagd.

Kortom, als ik naar de bovenstaande foto kijk, dan komt er allerlei informatie bij mij naar boven over zaken die helemaal niet op deze foto zijn te zien. Het zijn connecties die in mijn hoofd worden gelegd met een wereld die ik achteraf in dit beeld projecteer. Ik kijk dus niet door een denkbeeldig venster naar een wereld die zich inmiddels verwijderd heeft in de tijd. Maar het beeldvlak van de foto is een compact quotum informatie dat zich met andere informatie in mijn brein verbindt. Dat gebeurt er, als ik kijk naar deze foto.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)