Niet denken

Sinds enige tijd heb ik vakantie genomen van het leven. Het wordt de vakantie van het niet denken. Tenminste, dat heb ik me voorgenomen. Er zijn mensen die hun hele leven niets anders doen, maar ik heb er grote moeite mee. Van de week zat ik in de tuin naar de wolken te staren. Ik betrapte mezelf erop dat ik sinds tijden niet dacht. Dat kostbare gevoel wil ik koesteren, hoe moeilijk dat ook is. Zodra je immers moeite gaat doen om niet te denken, ben je alweer aan het denken. Zo is het met dromen ook een beetje. Dromen moeten vanzelf gaan. Misschien heb ik mijzelf wel bij de staart met dit idiote plan om mijn dromen op te schrijven. Ook de afgelopen nacht heb ik weer droomloos doorgebracht. Misschien houdt het dromen wel op als je overdag niet meer denkt. Of juist omgekeerd: misschien verdwijnt het dromen als je teveel denkt. Of nog anders: misschien hou je overdag pas op met denken, als je ’s nachts niet meer droomt. Dat doet me denken aan een verhaal van Guy de Maupassant. In Parijs woonde een man met de langste baard van de wereld. Op een dag in de Jardin du Luxembourg kwam een jongetje naar hem toe en vroeg; “Slaapt u nou met uw baard boven of onder de dekens, mijnheer?” De oude man streek eens door zijn baard en moest het antwoord schuldig blijven. ’s Avonds in bed lag hij uren te woelen. Boven, onder, boven, onder….?  Hij kwam er niet uit en deed geen oog meer dicht. Ook de nachten daarna kon hij niet meer slapen. Om de rust in zijn hoofd weer terug te krijgen, moest hij uiteindelijk naar de kapper. De baard ging eraf en het gepieker hield op. Niet denken dus, dat is de moraal van dit verhaal. Denken is niet goed. Ik heb het al tijden geweten, maar durfde die gedachte nooit echt tot mij door te laten dringen. Laatst sprak ik iemand, aan wiens oordeel ik veel waarde hecht. Hij legde mij het volgende probleem voor. Stel je voor, zo zei hij, dat mensen om je heen een onuitgesproken hekel aan je hebben, iets wat je al heel lang voelt, maar waar je nooit echt een vinger op kunt leggen. Wat zou je dan doen? Ik dacht na. Misschien, zo overwoog ik, zou ik die mensen gaan vragen of mijn vermoeden juist was, maar dat leek me bij nader inzien niet zo’n goed idee. Mijn vraag zou immers ten stelligste worden ontkend. Sterker nog, men zou zich beledigd voelen dat ik deze vraag überhaupt zo openlijk durfde te stellen en daardoor wellicht alsnog een hekel aan mij gaan krijgen. Hoe stiller hoe beter dus, dacht ik. Wellicht zou het probleem zich dan vanzelf wel oplossen. Maar helaas, ook dat zou ijdele hoop zijn. Wat je ook deed, het probleem werd alleen maar groter. Ook als je niets deed. Zelfs al zou je je gedrag gaan veranderen, door bijvoorbeeld veel energie te gaan steken in het zo goed mogelijk overkomen bij de ander. Dat gekunstelde gedrag zou de onuitgesproken afkeer bij de mensen in je omgeving alleen nog maar groter maken. Het ogenschijnlijk oplosbare probleem was in feite onoplosbaar. Ik vroeg de man of dit probleem misschien op mijzelf van toepassing was. Dat was niet de reden, waarom hij de vraag aan mij had voorgelegd, zo liet hij me weten. Volgens hem is het een probleem dat heel veel voorkomt: een schijnbaar oplosbaar probleem dat in feite onoplosbaar is. Alle werkelijke problemen in de wereld hebben dit verraderlijke karakter. Wat moet je in godsnaam met dit soort problemen? Bestaat God? Ook zo’n probleem dat in feite geen probleem is. Waarom? Dat zal ik u zeggen. Er bestaan geen ongelovigen of atheïsten. Het ware probleem is niet de vraag of er een God aan gene zijde bestaat, maar de vraag of je een God in je gedachten kunt voortbrengen. Letterlijk bedoel ik. Dat wil zeggen: of je God geboren kan laten worden in je eigen gedachten. Wie ontkent dat je God in gedachten voort kan brengen, beperkt het leven tot een schamel gebeuren dat in zichzelf verdroogt. De mens wordt dan een ego dat in laatste instantie alleen zichzelf liefheeft. De mens wordt dan een atoom dat ronddrijft in de onmetelijke lege ruimte van het universum. God moet eerst in een gedachte ter wereld komen om in de 
liefde zichzelf, en dus het goddelijke, te kunnen ervaren. Wie bedacht dat ook alweer? Schiller geloof ik. Alleen de liefde vraagt niet om beloning. De 
liefde draagt haar beloning in zichzelf. Zij vraagt niet om een schadeloosstelling in het hiernamaals. De liefde kent immers geen verzekeringspolis. Niet de afzonderlijke ziel, maar de liefde mag nimmer eindigen. Ook niet met de dood. De wereld draait op de kracht van de liefde….. Ach, wat zit ik weer te ouwehoeren. Iets anders. Ik zag gisteren een natuurdocumentaire op tv. Geboeid keek ik naar een meer in Afrika, waar een uitzonderlijk natuurlijk evenwicht was ontstaan. Allerlei diersoorten waren op hun eigen manier afhankelijk van het ecologisch systeem in deze bijzondere biotoop. Zo haalden flamingo’s uit het water van het meer een bepaalde stof naar boven, die cruciaal was voor hun voortbestaan. Prachtige vogels die flamingo’s, roze en sierlijk als een soort nuffige ooievaars. Gorilla’s leefden vredig aan de oever. Er was voor iedereen voedsel in overvloed. Roofvogels vlogen over en keken ogenschijnlijk zonder enige kwaadaardigheid neer op dit paradijselijk tafereel. Opeens verzon een gorilla iets nieuws. Hij joeg de flamingo’s op en nam er één in de bek. Het evenwicht was ruw verstoord. Een zinloze aanslag. Pure balorigheid lag aan de basis van deze extreme daad van agressie. De flamingo werd op gruwelijke wijze door de gorilla met veren en al verorberd. Van dit soort taferelen word ik altijd zeer mistroostig. Laat niemand ooit aan mijn kop beginnen te zeiken over de schoonheid van de natuur. Over hoe mooi het allemaal in elkaar steekt. Over het grote plan dat aan dit alles ten grondslag ligt. Als mijn kleinkinderen ooit op school moeten leren, dat er een God is die eerst in je gedachten geboren moet worden om zo in de 
liefde zichzelf, en dus het goddelijke, te kunnen ervaren, dan kan die God voor mij een klap voor zijn bek krijgen. De natuur deugt niet. In elk beest – ook in de mens – schuilt een potentiële gorilla die uit pure balorigheid op flamingo’s gaat jagen. En toch denk ik wel eens bij mijzelf, dat er iets waar moet zijn van die oude gedachte: Diep in onszelf sluimert een belofte van geluk. De natuur draait op de kracht van de liefde. Dat is de zwaartekracht van de ziel die als een keten al het leven verbindt. Denk ik. Maar ik moet niet denken. Dat zou ik niet meer doen.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)