Ids now or never

4 april, 1980(3)0001

4 april, 1980(3)0001

4 ap00000ril, 1980(3)0001

Zondagmiddag was ik even fietsen en zo belandde ik bij Ids Willemsma in Oosterwierum. De koffie stond klaar zoals altijd bij Ids. Met koek en al. We raakten aan de praat over heden, verleden en toekomst. Ids krijgt in juni een tentoonstelling in Museum Belvédère, samen met de tentoonstelling van Willem van Althuis. Wonderlijk genoeg staat daar op de site van Belvedère nog niets over vermeld. Doe daar wat aan, zou ik zeggen. Het gaat maar weer goed met Ids. It hat wolris minder west, no. Eind vorig jaar is er een groot boek uitgegeven over zijn werk met een fraaie tekst van Rudy Hodel. Wat wil je nog meer. Ids is nu definitief bijgezet in de canon van de eeuwige roem. En toch ontbreekt er nog iets. Al die anekdotes over Ids, die moeten eens een keer te boek worden gesteld. Daarvoor hebben we een plan gemaakt. Ik ga het opschrijven, alles wat ik ooit met Ids heb beleefd. Bovenstaande foto’s zijn een paar jaar geleden gemaakt. In de jaren negentig scheef ik onderstaand verhaal over hoe Ids kunstenaar werd. Of beter gezegd, over hoe hij altijd al een kunstenaar is geweest.

Terug naar het eerste begin

4 april, 1980(3)0001

Als kind al kende Ids Willemsma de natuur als zijn broekzak. Op zijn achtste maakte hij houten beeldjes van dieren. Nog voor zijn twintigste kreeg hij zijn eerste monumentale opdracht.  ‘Wat goed is komt snel’ geldt niet alleen in de sport, maar soms ook in de beeldende kunst. Ids Willemsma is een natuurtalent dat letterlijk bij de natuur in de leer is geweest.

De vensterbank van Ids Willemsma is 
een verzamelplaats van snuisterijen en 
kleine objecten. Tussen een paar oude 
kaatsbanen, een stukje steen van de 
Berlijnse muur en een kitschbeeldje uit 
Rusland, staan ook een paar dieren, ge
sneden uit hout. Eén daarvan is een 
hond. Je ziet hem van opzij, als een uitgezaagde tekening. De oren zitten niet naast maar achter elkaar. De ogen zijn  gemarkeerd door een spijkerkop en op het hout zijn potloodstrepen zichtbaar, die ooit het hele beeldje moeten hebben bedekt. Het is een markant object, plat 
en plastisch tegelijk. De gestalte van 
een hond is teruggebracht tot zijn essentie. Het zou een vroeg werk van Brancusi kunnen zijn. Maar het is ‘een 
Willemsma’, gemaakt toen de kunstenaar acht jaar oud was.

Boven op een vlonder in het atelier 
staan nog meer van dit soort kleine 
dieren, maar dan van metaal. 
Sommige zijn in elkaar gesoldeerd, 
andere uitgezaagd. Ook hier weer die 
opmerkelijke hang naar eenvoud. Een 
oud schetsboek uit de tijd van de lagere 
school laat tekeningen zien, waarin 
vooral de vogels zijn uitgewerkt. Maar 
er zijn ook graspollen, een bootje, spelende kinderen in de vrije natuur …. 
Het is de omgeving van Akkrum in de 
jaren vijftig, gezien en gefantaseerd 
door een kind van een jaar of zes.

In deze vroegste tekeningen is van 
enige abstractie nog geen sprake. Alles 
wordt heel precies weergeven en ingekleurd. Het zijn echte kindertekeningen, die bij mij een oude herinnering 
wakker roepen. Opeens zie ik alles 
weer voor me, wat ikzelf op die leeftijd 
getekend heb. Dat waren geen vogels of bootjes, maar vooral cowboys en indianen. Toch is de tekentrant haast 
identiek. Zelfs het merk schetsboek 
komt mij bekend voor. Het is de kinderwereld van Caran d’Ache, met een 
regenboog van kleurpotloden en de 
geur van een puntenslijper. Pas later ontstaan er mensen die ik niet meer 
herken. Het hondje op de vensterbank 
bijvoorbeeld, maar ook een prachtige 
houten schildpad die in één enkele vorm is gevat.

lds wie eins al keunstner foardat hywat makke hie‘, schreef ooit Thom 
Mercuur. Als je deze eerste beeldjes 
van dieren ziet, besef je hoe waar die 
woorden zijn. Stap voor stap. komt 
hierin aan het licht hoe de natuur letterlijk als leermeester heeft gefungeerd. 
De kernachtige organische vorm lag 
voor lds als kind voor het oprapen. Hij 
zag het met eigen ogen, niet alleen in 
de natuur zelf, maar ook in de sierlijke 
ronde lijn van een schaats of de boeg  van een praam.Naast liefde voor de natuur is de kennismaking met de geometrie bepalend 
geweest voor het ontstaan van zijn 
latere vormentaal. Nog voor de academie volgde hij een technische opleiding aan de ambachtsschool. Daar 
moet de kennis van de natuur zich verenigd hebben met een sterke belang
stelling voor heldere constructies, gevoel voor precisie en het ambachtelijke respect voor materialen, dat hij al 
van huis uit had meegekregen.

De leerjaren op de Academie Vredeman de Vries hebben daar 
weinig aan toe kunnen voegen. Sterker 
nog, het kunstenaarschap was grotendeels uitgekristalliseerd op het 
moment dat alles nog moest beginnen. 
In een ladekast op liet atelier ligt nog 
een stapel tekeningen uit de begintijd 
van de academie. Hierin is duidelijk te 
zien hoe de trefzekerheid toen al volop 
aanwezig was. Dieren zijn met een 
paar lijnen direct ‘naar het leven’ getekend. Bij de bevalling van een kalf 
wordt angstvallig gezocht naar die ene 
lijn waarin de eerste wankele houding 
kan worden gevangen. Vogels in hun volière  worden letterlijk platgeslagen, met  
een paar krabbels. Terug naar de bron, 
de kern, het eerste begin dat is telkens 
opnieuw het devies.

Schermafbeelding 2013-04-22 om 21.53.47

Ids in 1970

Met uiterst sobere middelen wordt gestreefd naar het summum van expressie. Zelfs het tekenmateriaal 
wordt volledig in dienst van deze onderneming gesteld. Het krijt wordt op 
zijn kant gelegd. Een takje, dat ter 
plekke. is gevonden, kan als pen worden gebruikt. En een enkele keer 
wordt met de muis van de hand direct op het papier ‘geprint’. De 
kleur zie je stilaan verdwijnen. Eén 
gouache laat schapen zien in het 
maanlicht: donkergrijs op zwart. 
Bezoekers van een begrafenis worden 
bijna betrapt in een paar vluchtige 
schetsen, getekend vanachter een heg. 
De hele iconografie van het latere 
oeuvre is hier al in een notendop aanwezig, de fascinatie voor de dood, de oer
vormen van het leven, de gestalte van 
man en vrouwen niet te vergeten, de 
dieren.

Zoals Mondriaan zijn idioom van 
haakse lijnen stap voor stap distilleerde 
uit het schilderen van een boom, zo 
lijkt bij Willemsma het dier als matrix 
voor zijn vormentaal te zijn gebruikt. Het raster van rechte lijnen 
wordt in het vroege werk langzaam zichtbaar. In monotypes worden de 
contouren van bokken en geiten opgebouwd uit een paar rechthoekige 
vormen. Soms wankelt de voorstelling 
op de rand van het herkenbare. Maar 
een bok blijft altijd een bok, ook al lijkt 
de organische vorm langzaam maar 
zeker door een geometrische zeef te 
worden geperst.

Ook in het vroege ruimtelijke werk zijn
 nog duidelijk vogels herkenbaar. Hun 
metalen vleugels waaieren uit in een 
abstract ritme van pure vormen. Later 
zou dit rudiment van een voorstelling 
plaats gaan maken voor het louter manipuleren van begrippen als maat, 
volume en schaal. Maar de verbondenheid met de natuur zou nooit 
geheel verdwijnen. Zelfs in het meest concrete monumentale werk is nog vaak een subtiele verwijzing afleesbaar naar een natuurlijke vorm. Het constructivisme van Willemsma heeft van 
begin af aan zijn wortels in de natuur.

En dan, in 1970, komt opeens de een 
monumentale opdracht: het oorlogsmonument in Akkrum. Ids Willemsma kreeg die opdracht als negentienjarig student aan de Academie. 
’Een jong en veelbelovend kunstenaar’, 
schreef destijds de Leeuwarder 
Courant. Achteraf beschouwd is het 
op zijn minst opmerkelijk, dat zo’n gedurfd ontwerp in die tijd, op die plek 
gerealiseerd kon worden. Friesland 
had nog nauwelijks kennis kunnen 
nemen van nieuwe ontwikkelingen in 
de monumentale kunst. en jaar eerder werd in Weidum een aluminium 
plastiek van Harmen Abma geplaatst, 
dat ook baanbrekend was door zijn 
sobere vormen. Maar voor de rest bleef 
de monumentale kunst in de contreien 
voornamelijk beperkt tot anekdotische beelden en decoratieve toevoegingen 
aan de architectuur.

Ids Willemsma ontwierp voor 
Akkrum een krachtig, geometrisch-abstract metaalplastiek, dat tegelijk de gedachte oproept van een in elkaar gedonderd hakenkruis. Ook nu nog is 
het een beeld dat volledig overtuigt in 
zeggingskracht, ook al heeft de tuttige 
bestrating, die achteraf in het plantsoen 
is aangebracht, enigszins afbreuk 
gedaan aan de radicale werking van 
liet geheel. Het monumentale oeuvre, dat nadien 
is ontstaan, wordt gekenmerkt door 
helderheid, eenvoud en consequentie 
in stijlopvatting. Dat soort begrippen 
zijn in de kunst van vandaag niet wat 
je noemt ‘in de mode’. Als we de tijdgeest moeten geloven is kunst een ‘vrij spel’ aan het worden, dat zich afkeert 
van strakke regels en in plaats van 
diepgang vooral het luchtige oppervlak zoekt. De wind, die Ids Willemsma 
in de zeventiger jaren volop in de 
zeilen kreeg, lijkt zich nu soms tegen hem te keren. Maar hoe vaak is de tijd
geest geen windvaan gebleken? Grote kunstenaars als Brancusi en
 Mondriaan hebben altijd hun eigen 
koers gevaren. Wat dat betreft heeft 
het roer van zijn praam nog altijd stevig in handen.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)