Hitler de acteur, Hitler de gelovige

 

Laten we ons het volgende voorstellen: in een kelderwoning die uit twee stampvolle kamers bestaat, woont een arbeidersfamilie ( … ) Onder de vijf kinderen is een jongen van, laten we zeggen, drie jaar oud. Op deze leeftijd wordt een kind zich bewust van zijn indrukken. Bij begaafde mensen zijn zelfs nog op bejaarde leeftijd resten van deze eerste herinneringen aanwezig. De krapheid en volheid van de kamers vormen geen goede omstandigheden. Er komen vaak irritaties en ruzies uit voort. In deze omstandigheden leven mensen niet [zozeer] met elkaar, [als wel) boven op elkaar. Elke ergernis (…) leidt tot een langdurige, afschuwelijke ruzie. 
Als de ouders elkaar bijna dagelijks in de haren vliegen, laat hun wreedheid niets 
aan de verbeelding over; de gevolgen van zo’n visuele opvoeding worden duidelijk in de kinderen (…) zeker als de meningsverschillen tot uiting worden gebracht in
de vorm van wrede aanvallen van de vader op de moeder of in mishandelingen in dronkenschap. Als het jongetje zes is, heeft het dingen meegemaakt waarvan een volwassene zou gruwen. Moreel ziekgemaakt trekt de jonge ‘burger’ de wijde wereld in om een van de gevaarlijke, vervreemde leden van de maatschappij te worden.‘

Deze passage uit Mein Kampf (1924) van Adolf Hitler wordt geciteerd door Ron Rosenbaum in zijn boek Waarom Hitler? Een zoektocht naar de wortels van het kwaad (1998). De passage is vaak geciteerd door Hitleronderzoekers die er meer achter zochten dan er werkelijk staat. Op het eerste gezicht lijkt Hitler hier een sociaaldemocratische gedachte te verwoorden. Als kinderen geboren worden in armoedige omstandigheden, dan is het gevaar groot dat ze voor galg en rad zullen opgroeien. Vooral een slechte en krappe behuizing is een voedingsbodem voor morele ontsporing. Als het kind geen aparte slaapkamer heeft en gedwongen is om bij de ouders te slapen, dan zal het wellicht dingen zien die het niet hoort te zien. De vader die dronken thuiskomt en de moeder mishandelt, verkracht misschien zelfs. Dat alles is funest voor de tere kinderziel. Maar je kunt de passage ook anders lezen. Hitler schrijft hier niet over een fictieve situatie, maar over zijn ouderlijk huis. Zijn vader was een bullebak die zijn kinderen – en vooral de kleine Hitler – ongenadig hard kon slaan. De passage beschrijft hoe het kind Hitler heeft gezien hoe zijn eigen moeder mishandeld en wellicht verkracht werd. Kortom, we krijgen een blik door het sleutelgat van de ouderlijke slaapkamer, een kamer waar de kleine Hitler wellicht verschrikkelijke dingen heeft gezien. Hier heeft hij zijn oertrauma opgelopen. Een wond in zijn ziel met rampzalige gevolgen. Dit trauma zou immers leiden tot de holocaust.

Hoe absurd deze redenering ook klinkt, voor veel psychoanalytici is dit soort denken gesneden koek. In zijn boek Het seksuele bolwerk (1973), waarin Harry Mulisch het leven en denken van Wilhelm Reich beschrijft, begint hij ook met een slaapkamerscène. De kleine Reich ziet hoe zijn moeder vreemd gaat in haar eigen bed. Reich zou later echtparen analyseren door ze letterlijk te gaan bespieden als ze het met elkaar deden. Zijn psychoanalytische theorie over het volmaakte orgasme was in feite een vertaling van zijn eigen oerscène, zodat hij zijn eigen infantiel voyeurisme opnieuw in praktijk kon brengen. Het idee dat het kwaad van Hitler voortkomt uit een trauma, dat hij had opgelopen in zijn vroege jeugd, is in feite een bijna perverse vorm van rationaliseren. Voor een psychoanalyticus is alles verklaarbaar, zelfs het meest afzichtelijke gedrag, als de oorzaak maar ver genoeg in het verleden wordt geplaatst. Oorzaak en gevolg worden in tijd zover uit elkaar getrokken, dat het bewijs van de redenering niet meer te leveren is. De conclusie is een logisch gevolg van de eigen theorie, dat in de psychische ruimte causale wetten gelden die een sterke gelijkenis vertonen met de wetten van de natuurkunde. Zonder oertrauma geen jodenhaat. De moeder was immers op gewelddadige wijze besmet geraakt door de vader, die zelf een halve jood was, omdat zijn vader ooit buitenechtelijk door een jood zou zijn verwekt. Zo is de cirkel rond. In het duistere domein van de seksualiteit ligt altijd een heldere verklaring gereed, zelfs voor het ontstaan van de holocaust.

Met dit schaamteloze voyeurisme van de slaapkamer heeft de psychoanalytische Hitlerverklaarder zich in feite op de stoel van de clerus geplaatst. Was het vroeger de Kerk die het seksueel geheim van de ziel annexeerde als een obscuur terrein voor eigen machtsmisbruik, tegenwoordig zijn dat de psychologie en de psychiatrie, met in hun voetspoor de psycho-historie. De ruimte van de geschiedenis is een psychische ruimte geworden. Het historisch slagveld is bezaaid met landmijnen die op scherp staan door het dynamiet van het seksuele geheim. In dit nieuwe continuüm van tijd en ruimte gaan religie en seksualiteit naadloos in elkaar over. Sterker nog de seksualiteit is de nieuwe religie van de ziel geworden, een seksuele religie die alles verklaarbaar heeft gemaakt. Of zoals de theoloog Bonnhoeffer het ooit treffend verwoordde: ’De slaapkamergeheimen, om het grof te zeggen, de intimiteit dus (van gebed tot seksualiteit) worden het jachtgebied van de moderne zielzorger. Hierin lijken ze – al is hun bedoeling heel anders – op schandaaljournalisten van de ergste soort die intimiteiten van vooraanstaande mensen onthullen.’ Historici zijn nog erger dan schandaaljournalisten. Ze onthullen niet alleen de slaapkamergeheimen van hun onderzoeksobjecten, maar gebruiken hun onthullingen om hun ongefundeerde hypotheses daarmee een vermeende rationele basis te geven.

Wie tegenwoordig de ambitie heeft om politieke macht te verwerven doet er goed aan om eerst zijn eigen psychische autobiografie te schrijven. Daarmee neem je niet alleen de latere historici en biografen veel ranzig spitwerk in je privé-archief uit handen, maar smoor je ook bij voorbaat je politieke tegenstanders de mond, die je mogelijk in diskrediet willen brengen door het openbaar maken van eventuele seksuele geheimen, die voor de publieke opinie niet door de beugel kunnen. Ik denk dat dit voor Hitler ook een belangrijk motief is geweest voor het schrijven van Mein Kampf. Hij was zich terdege bewust van de maakbaarheid van zijn eigen imago, maar ook van de kwetsbaarheid ervan. Vooral na de dood van zijn vriendin Geli Raubal in 1931 moest alles in het werk worden gesteld om de regie van zijn imago in eigen hand te krijgen. De dramademocratie is uitgevonden door Hitler en door hem ook meteen weer afgeschaft om plaats te maken voor het de nationaalsocialistische dictatuur, die in feite één groot gemanipuleerd drama was, dat zich afspeelde in de media. Hitler had een eigen hoffotograaf in dienst – Heinrich Hoffman – die het alleenrecht had om foto’s van hem te maken. Befaamd is het door Hofmann vervaardigde fotoboek Hitler wie ihn keiner kennt (1938), waarin elk beeld erop gericht lijkt om de gedachte weg te nemen, dat Hitler een enge creep zou kunnen zijn, iemand die psychisch gestoord is en achtervolgd wordt door seksschandalen.

Achteraf bezien is Mein Kampf het prototype geworden van heel wat politieke autobiografieën die als enig oogmerk hebben om het eigen blazoen schoon te wassen, of omgekeerd, om door onthullingen over de eigen psyche de schandaaljournalistiek de wind uit de zeilen te nemen. Het fraaiste voorbeeld van een dergelijke politieke autobiografie is wellicht het Autobiografie van een babyboomer (2002) van Pim Fortuyn, waarin hij net alleen uitgebreid verslag doet van zijn eigen, niet afgemaakte psychoanalyse, maar ook vergaande onthullingen doet over zijn niet reguliere seksleven dat een risicofactor was voor de politieke carrière die hij ambieerde. Fortuyn misbruikte in dit boek zijn eigen eerlijkheid om op voorhand gevrijwaard te zijn van schandaaljournalistiek. Hij gebruikte de waarheid van zijn seksleven als een acteur die als geen ander de kunst verstond om de waarheid te ‘spelen’ of desnoods in scène te zetten.

Door de jaren heen is er veel gedebatteerd over de vraag hoe oprecht Hitler nu eigenlijk was als het ging om zijn eigen intenties. Was hij een acteur die een spel speelde of geloofde hij werkelijk in wat hij politiek nastreefde? Was hij berekenend en ging hij in alles puur rationeel te werk? Of was hij eerder een bezielde of demonische figuur, een gelovige die zijn religie had gecreëerd?  Anders gezegd: wist hij zelf hoe slecht het was wat hij deed? Of was hij zich dat kwaad totaal niet bewust, omdat hij meende dat hij het goede nastreefde? Die tegenstelling tussen ‘Hitler de acteur’ versus ‘Hitler de gelovige’ roept de kernvraag op, waar het in dit hele debat om draait. Bestaat er eigenlijk wel zoiets als ‘het absolute kwaad’? Of is het kwaad altijd een vorm van misleiden of misleid worden? Als Hitler werkelijk zelf geloofde dat het zuiveren van de mensheid van de Joden een goede zaak was, zoals het verdelgen van bacillen een heilzame werking heeft op de mens, dan is het kwaad dat hij beging in wezen relatief geworden. Het zuiveren op zichzelf kan immers een goed intentie hebben vanuit het perspectief van de dader, zoals ook Pasteur vond dat hij zijn ontdekking de gezondheid van de mens een goede dienst had bewezen.

Ron Rosenblaum brengt in zijn boek het debat over deze ethische vraag in kaart met alle argumenten pro en contra. Bestaat er zoets als het absolute kwaad, of is kwaad altijd relatief.? Ergens is de recente geschiedenis is het absolute kwaad losgeweekt van de waarheid. Maar  waar en wanneer is dat precies gebeurd?  Was het Kant die zijn moraal apart zette in zijn Kritik der Praktische Vernunft? Of was het Nietzsche, die de moraal definitief op losse schroeven zette door elke waarheid als schijn te onthullen? ‘Niets is waar, alles is geoorloofd’ zei Nietzsche. Maar als dat waar is, waar is het kwaad dan gebleven? Wie de waarheid gaat zien als een spel dat je kunt spelen, een spel naast  andere mogelijke spelen, zoals je ook ‘taalspelen’ hebt, en het spel met de beelden, de imago’s,  heeft weldra de leugen tot waarheid verheven. Maar dat is ook precies de kern waar het in de dramademocratie om draait. Het gaat er niet om of het echt gemeend is wat je zegt, als het maar als echt overkomt, zeker op tv. Ron Rosenbaum haalt een passage van Nietzsche aan uit zijn boek Mensliches Allzumensliches, waarin de programma Hitlers propagandamachine, maar ook het adagium van de hedendaagse dramademocratie in een notendop wordt samengevat.

‘Mensen geloven in de waarheid van alles waarvan ze zien dat er sterk geloof aan 
wordt gehecht. In alle grote bedriegers is een opmerkelijk proces aan de gang, 
waaraan zij al hun kracht ontlenen. Tijdens het plegen van bedrog en alle voorbereidingen daartoe – de dreigende stem, de uitdrukking, de gebaren – worden zijzelf 
door geloof overweldigd, en het is dit geloof dat hen voor het publiek dan zo overtuigend, als een wonder doet klinken. Zij brengen hun woorden niet alleen over op 
het publiek, maar het publiek retourneert het geloof weer naar hen, waardoor hun 
geloof wordt versterkt.’

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)