April snow

Ik las laatst een artikel over parallelle werelden. Dat is een theorie die in 1957 is opgesteld door Hugh Everrett om een lastig probleem binnen de kwantummechanica op te kunnen lossen. De kwantummechanica beschrijft niet de waarneembare kenmerken van een systeem, maar een algemene toestand die de verzameling is van alle mogelijke toestanden volgens een zekere waarschijnlijkheidsverdeling. Bij de waarneming stellen wij één van die toestanden vast. Maar wat gebeurt er met al die andere toestanden? Bij de selectie van die ene toestand – die wij als ‘werkelijkheid’ ervaren – is sprake van een zekere willekeur, waarvan alleen de waarschijnlijkheid voorspelbaar is. Tenzij natuurlijk alle andere toestanden ook daadwerkelijk tot stand komen. Of anders gezegd, tenzij de wereld bij elke waarneming zich splitst in talloze parallelle werelden die naast elkaar blijven voortbestaan.

Dat is een absurde gedachte, maar Hugh Everett ging er vanuit dat die gedachte in feite precies beschrijft wat er gebeurt. De waarnemer bevindt zich slechts in één van die werelden en stelt voortdurend de toestand vast die daarin gerealiseerd is. Om een voorbeeld te noemen. Stel dat de waarnemer als een wandelaar over een maagdelijke wit sneeuwtapijt loopt. Uit alle mogelijke voetafdrukken kiest hij er telkens één door een stap vooruit te zetten. Maar op het moment dat de wandelaar in de sneeuw daadwerkelijk een stap vooruit zet, worden telkens alle sporen in de sneeuw gerealiseerd die mogelijk zijn. In feite stapt de wandelaar voortdurend in één van zijn voetafdrukken die hij nog als spoor in de sneeuw moet achterlaten. Maar de wandelaar ziet alleen dat ene spoor dat hij achterlaat en niet alle mogelijke sporen die hij in feite tegelijk creëert.

Hoe absurd deze theorie ook mag zijn, hij vindt steeds meer aanhang onder hedendaagse natuurkundigen. Er is immers nog een ander lastig probleem dat door deze theorie een verklaring kan vinden. Onze natuurwetten kennen een aantal gegeven constanten (bijvoorbeeld: de constante van Planck, de lichtsnelheid, de elektrische lading van het elektron etc). Zonder die constanten zouden onze natuurwetten niet kunnen bestaan. De vraag, die nog altijd niet beantwoord is, luidt als volgt: hoe komt het dat de constanten in de natuur precies die waarden hebben die we nodig hebben voor ons bestaan in dit universum. Anders gezegd: waarom gelden de natuurwetten zoals wij die kennen. Het lijkt erop dat het antwoord luidt: opdat wij als mensen kunnen bestaan. Het kan haast geen toeval zijn dat juist deze constanten gelden en geen andere. Of het moet zo zijn dat iemand dat vooraf op heel intelligente wijze zo bedacht heeft.

Anders gezegd; zijn de natuurwetten toevallig zo ontstaan of vinden zij hun oorzaak in een intelligent ontwerp dat aan het universum ten grondslag ligt. Dit probleem hangt samen met een principe dat ook wel het ‘antropisch principe’ wordt genoemd. Wat we kunnen verwachten waar te nemen wordt beperkt door de voorwaarden die noodzakelijk zijn voor onze aanwezigheid als waarnemers. Dat is een soort cirkelredenering die iets ongemakkelijks heeft. Absurd toeval of doelbewust ontwerp? Hoe kun je aan dit dilemma ontsnappen? Eigenlijk maar op één manier. Het zou immers ook zo kunnen zijn, dat er geen sprake is van toeval en ook niet van een doelbewust ontwerp. In dat geval moeten er ooit vele ‘heelallen’ tegelijk zijn ontstaan waarin alle mogelijke waarden van de natuurconstanten gerealiseerd zijn. Wij leven dan precies in het juiste heelal met de juiste natuurconstanten. Kortom, deze wereld is slechts één van de vele mogelijkheden en bestaat naast talloze andere parallelle werelden.

Hoe kom ik hierop? Ik heb al een tijdje idee, dat de wereld waarin wij leven niet de enige wereld is. Er is nog een andere wereld, een parallelle wereld, de wereld van de droom, van de slaapwandelaar, van de mens zonder vrije wil die gewoon ‘doet wat hij doet’. Die wereld van de slaapwandelaar bevindt zich niet buiten mij, maar in mij. Maar op een wonderlijke manier interfereert deze binnenwereld van de slaapwandelaar ook met de buitenwereld die wij doorgaans ‘werkelijkheid’ noemen. De binnenwereld is zoiets als ‘de psychische ruimte’, die volgens mij even werkelijkheid is als de ruimte buiten de psyche. Want in wezen bestaat er voor de psyche geen ‘buiten’. Wij zijn ‘geworpen in de wereld’, zei Heidegger al. Het binnen is het buiten. Sterker nog, het binnenste binnen is in feite het buitenste buiten. Toch houden wij de illusie in stand dat de binnenwereld een op zichzelf staande wereld is, een wereld buiten de buitenwereld.

Maar hoe lang houden wij deze illusie nog in stand? De binnenwereld wordt steeds meer een schijnwereld. De buitenwereld rukt steeds verder op. Straks is er geen binnenwereld meer, en denken we dat alles buiten ons om gebeurt. Alles – ook de binnenwereld van de slaapwandelaar – wordt dan verklaarbaar volgens de wetten van de buitenwereld. Straks is niemand nog volledig toerekeningsvatbaar. De vrije wil verdwijnt, en daar wij in feite doodsbang voor. het gebeurt gewoon, maar we willen het niet. Daarom moet een lustmoordenaar als Jasper S. volledig verantwoordelijk worden gesteld voor zijn daad. Het idee dat hij geen vrije wil zou hebben – of op het moment van zijn daad geen vrije wil zou hebben gehad – is overdraagbaar geworden in onze volledig vanuit de buitenwereld verklaarbare wereld. De hersenwetenschap is de wetnschap van de buitenwereld die de binnenwereld is binnegedrongen. Die hersenwetenschap heeft de vrije wil inmiddels afgeschaft, maar de rechtspraak zet de vrije wil opnieuw op de troon. Dat is de paradox van het huidige tijdsgewricht. Er klopt iets niets. Er is iets ouds wat zich wil voegen in het nieuwe. Maar er is ook iets nieuws wat niet te rijmen valt met het oude. Twee werelden lopen door elkaar heen. Alsof het sneeuwt in april.

Aan het slot van haar boek Histoires d’Amour (1983) stelt de Bulgaars-Franse filosofe Julia Kristeva aan paar indringende vragen. Zal de Europese ‘psychische ruimte’ stilaan overgaan in een Japanse. Of beleven we zelfs de totale afschaffing van ‘de psychische ruimte’ die ten prooi gaat vallen aan de heerschappij van het in-authentieke? Zijn dit geen tendensen waarvoor de kunst al de weg geëffend lijkt te hebben? Kristeva houdt een krachtig pleidooi voor het imaginaire als tegengif. Dat wil zeggen niet voor ‘de verbeelding aan de macht’, wat al heel lang is verworden tot een kreet van perversen die streven naar wet, maar voor en ontketening van het vertoog van het kwetsbare, van het verlangen, het vertoog ook dat schijngestalten in zich op kan nemen, de leegte niet ontvlucht maar als zodanig onderkent. Narcisme is een sleutelwoord in haar kritiek op de hedendaagse cultuur. De psychische ruimte gaat teloor omdat in de cultuur steeds minder ruimte is voor wat in psychoanalyse de ‘overdracht’ wordt genoemd. De mens wordt in toenemende mate omringd door surrogaten van het verlangen, die uiteindelijk alleen maar de eigenliefde bevorderen en geen ruimte meer bieden voor de onbaatzuchtige liefde voor de ander.

Het is al weer dertig jaar geleden dat Kristeva dit schreef, maar haar woorden lijken steeds meer waar te worden. Maar wat is waarheid? De wereld draait door. Het is Pasen en wie maalt er nog om dit soort vragen? Wie staat er anno 2013 stil bij het verdwijnen van de binnenwereld? We hebben wel andere dingen aan ons kop. Zelfs mijn poesen hebben een winterdepressie. Het voorjaar wil maar niet komen, en de kans dat er dit jaar met Pasen sneeuw zal vallen is niet ondenkbaar gezien de weersverwachting. Maart roert zijn staart en april doet wat hij wil. Pasen valt dit jaar in beide maanden – op 31 maart en 1 april – en is dus in dubbel opzicht onberekenbaar, net als de datum zelf waarop Pasen valt. Hoewel? Ooit heb ik  geweten wat de formule is die de datum van Pasen bepaalt. Het zal wel iets met de maanstanden te maken hebben, maar hoe het precies zit weet ik niet meer. Dat soort dingen vergeet je, zoals zoveel dingen. Ik kan me ook niet meer herinneren wat ik op 31 maart 2002 heb gedaan. Dat was de laatste keer dat Pasen op deze datum viel. We zullen tot 2024 moeten wachten totdat dit weer zo is. Dan ben ik 76, dus het is niet onwaarschijnlijk dat ik dat meemaak. Ik heb iets met data. Er zijn van die data waarvan ik me nog precies herinner wat ik die dag deed.

Paasdata van 1900 tot 2400 (voor vergroten even klikken op het plaatje)

Neem nou 13 april 1969. Ik zat die dag in Groningen. Het was een zondag. Er gebeurde niet veel dat weekend. De dag daarvoor was een vriend van mij, die even oud is als ik, jarig geweest. Om die reden was ik met de trein van Amsterdam naar Groningen gereisd. Ik had niet veel bagage bij me, eigenlijk alleen een gitaar. Waarom weet ik niet. Ik kan nauwelijks gitaar spelen, maar ik vond het kennelijk interessant om met zo’n ding op stap te gaan. Ik zat in een van mijn wilde periodes. Of beter gezegd, ik was zo manisch als een deur. Het weekend daarvoor, op 6 april, was het Pasen geweest. Toen had ik samen met enige geestverwanten de Paaswake verstoord in mijn parochiekerk de Martelaren van Gorkum. (zie hier en hier). Dit weekend verliep wat rustiger. Na het verjaardagsfeest in Groningen reisde ik met mijn vriend naar Leeuwarden, waar wij bij Kota Radja nog chinees hebben gegeten samen met zijn ouders. Om een uur of tien ‘s avonds nam ik afscheid en begaf me naar het station, waar ik de trein terug nam naar Amsterdam.

Tenminste, dat dacht ik, maar ik had me verkeken op de vertrektijden. Mijn trein reed niet verder dan Zwolle, want de laatste was al een uur eerder eerder vertrokken. Aangekomen op het station in Zwolle voelde ik mij enigszins verloren. Er ging ook geen trein meer terug. Ik stond daar moederziel alleen op een leeg perron. Geen geld op zak, alleen een gitaar in de hand. Ik besloot naar het dichtstbijzijnde politiebureau te lopen. Misschien hadden zij daar een slaapplaats voor me, want het was nog behoorlijk fris en ik had geen jas aan. De dienstdoende agent kon mij niet helpen aan onderdak, maar was wel zo vriendelijk om mij in een witte kever naar een uitvalsweg van Zwolle te rijden, vanwaar ik zou kunnen liften naar Amsterdam.

Het was inmiddels al over twaalven. Ik weet niet meer hoe lang ik daar heb staan wachten. Het liften lukte niet zo. Af en toe kwam er een auto langs, maar een onbekende jongeman zonder jas aan en met een gitaar in de hand neem je niet zo gauw mee in het holst van de nacht. Ik begon het steeds kouder te krijgen en opeens begon het zelfs te sneeuwen. In de nacht van 13 op 14 april heeft het gesneeuwd, 44 jaar geleden. Ik was erbij en ik keek ernaar. Ik zie nog de dikke vlokken neer dwarrelen in het licht van de voorbijschietende koplampen. Het leken wel vallende sterren in de nacht. Ik was verdwaald in de tijd en waande me in een leeg universum, eindeloos en zonder begin, een ruimte waar alles verdwijnt en voor eeuwig in terugkeert. Misschien was ik helemaal niet verdwaald, maar was alles er op gericht geweest, dat ik op dit unieke moment deze verdwaalde sneeuw zou zien. April snow. Het is een wonder, zo bedacht ik bij mezelf, maar daarmee was ik nog niet op weg geholpen. Sterker nog, ik raakte steeds verder van huis.

Weerbericht Leeuwarder Courant van maandag 14 april 1969

Waarschijnlijk is het mijn gitaar geweest die mij uit deze benarde positie heeft bevrijd. Opeens stopte er een Volkswagenbusje dat een popgroep bleek te vervoeren. Ze hadden opgetreden ergens in het Noorden van het land en waren weer op weg naar huis in Rotterdam. Zo’n eenzame troubadour laat je niet staan aan de kant van de weg, moeten ze hebben gedacht. Zo kwam het dat ik alsnog een lift kreeg, weliswaar naar Utrecht, maar dat was beter dan nog langer in de kou te staan wachten op het einde der tijden, de terugkeer van de Verlosser of de inslag van een meteoor. Ik had trouwens geen idee meer van tijd. Ik was op weg naar huis in een andere werkelijkheid beland. Misschien bestond deze wereld helemaal niet en was alles slechts een schaduw, een verdwaalde sneeuwbui in de nacht, een droom gemaakt van sterrenstof. De weg schoot voorbij en stilaan hield het op met sneeuwen. De autoradio stond aan. We luisterden naar een obscuur muziekstation ergens op zee en er kwam een wonderlijk liedje voorbij. De volumeknop werd wijd open gezet. In the year 2525, schalde het door de nacht.

Toen we Utrecht naderden schoven de oranje natriumlichten van de snelweg voorbij. ‘Het is net een film,’ zei ik nog. Aangekomen bij het verkeersknooppunt Oude Rijn, ben ik naar het centrum gelopen. De hemel verschoot van kleur, de vogels gingen fluiten en de schemerige Domstad begon langzaam te ontwaken. Op goed gevoel probeerde ik de weg te vinden in deze mij vreemde omgeving. Op het station moest ik nog een behoorlijke tijd wachten voordat ik in de eerste trein kon stappen op weg naar huis. Ik ging in de hoek van de coupé zitten en viel in een diepe slaap.

Pas op het Centraal Station van Rotterdam werd ik wakker, want ik was met mijn suffe kop in de verkeerde trein gestapt. Weer terug naar Utrecht dus en vandaar naar Amsterdam. Onderweg moest ik nog een paar keer aan de conducteur uitleggen dat mijn verlopen treinkaartje wel degelijk geldig was, omdat ik nog steeds op weg was naar huis. Ik was immers de avond daarvoor ook al in de verkeerde trein gestapt. Wonder boven wonder werd ik geloofd, al moest ik beloven in Amsterdam op het station mijn kaartje in te ruilen voor een andere. Dat heb ik natuurlijk niet gedaan. Eenmaal aangekomen op het Amstelstation, ben ik linea recta naar huis gelopen, waar ik achterover in mijn bed viel om een gat in de dag te slapen.

Dat krijg je ervan als je de klok niet in de gaten houdt. De wereld draait door en raakt van slag. Alles raakte van slag die nacht. Het grote tandwiel van de tijd maakte even een rare sprong. Zelfs het jaargetijde klopte niet meer en belandde in een andere wereld, een parallel universum, dat binnen dit universum voortdurend zich afsplitst. Ik vraag me af hoe lang het nog moet duren het weer zal sneeuwen in de nacht van 13 op 14 april. Misschien als Pasen en Pinksteren ooit op één dag vallen. In 2020 misschien of anders in 2093, 2099, 2150, 2161, 2172, 2218, 2229, 2240, 2308, 2381, 2392, 2465, 2476. Jaren, decennia, eeuwen, millennia… de tijd vliegt als een schaduw heen. Ik zal er niet meer bij zijn dan. Het is zelfs de vraag of er dan nog een mens zal zijn die zoiets mee kan maken. Niemand die dan nog weet wat een binnenwereld is. Er zijn alleen nog maar botsingen van atomen. De mens is dan eindelijk geworden wat hij altijd al was: een bijzondere samenstelling van atomen. De psyche is dan afgeschaft. De verbeelding is afgeschaft. De droom is afgeschaft. Of beter gezegd: onze dromen zijn werkelijkheid geworden en dat is het ergste wat ons kan overkomen.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)