Dromen van een witte Paas

 

Bij wijze van toegift voor al mijn lezers die mij de afgelopen dagen in mijn dromen hebben gevolgd volgt vandaag, op deze stille zaterdag, nog het verslag van een ontmoeting die ik onlangs had met een schrijver die ik alleen ken uit dromenland. Het is waar 
gebeurd of liever gezegd: ‘waar gedroomd’ en ik vertel u deze droom, omdat hij mij zo fascineert, op het gevaar af dat u er alle mogelijke psychologische afwijkingen uit zult concluderen. Dromen verraden immers de geheimen van de ziel. Hoe dan ook, deze schrijver was geen onbekende in het kleine domein van de Friese literatuur, waar hij zelfs enige literaire prijzen op zijn palmares wist bij te schrijven. Maar wie deed dat niet? Een Friese schrijver zonder een literaire prijs is als een wielrenner die geen doping gebruikt. Het spul is ruimschoots op de markt en dus pak je wat je pakken kan. Buiten mijn dromen had ik hem nooit 
kunnen benaderen, want hij gaf zelden of nooit een interview en zeker niet aan zo’n Hollandstalige boerenkinkel als ik. Eigenlijk was hij compleet onbenaderbaar, niet omdat hij zo beroemd was, maar door 
andere omstandigheden. Hij was immers een brok chagrijn van heb ik jou daar. In mijn droom woonde hij in grote woontoren, ergens aan de rand van Heerenveen. Ik liep door lange gangen, die me deden deken aan het bejaardentehuis waar jaren geleden mijn moeder aan haar eind is gekomen. Er hing een pregnante geur van spruitjes en steunkousen. De vloeren waren glad en spiegelden van helderheid. Er stond ook een paard op de gang. Van heinde en verre waren familieleden, vrienden en kennissen komen opdagen, die overigens niets moesten hebben van deze chagrijnige Friese schrijver. Zelf was hij ooit streng gereformeerd opgevoed en zeker niet katholiek zoals mijn moeder. Hij schreef ook nog altijd psalmen, die overigens meer getuigden van de goddeloosheid van de afzender dan een lofzang op de Schepper. Maar ook mijn moeder ging al jaren niet meer naar de Mis. De paarden ook niet. Mijn zusters namen mij altijd mee naar de Mis die werd opgedragen in de parochiekerk, waar mijn vader in het koor zong. Met Pasen liet hij daar het Insha’Allah galmen onder de gewelven van de kerk. Insha’Allah is een oude Arabische spreuk die zoveel betekent als: ‘Als God het wil.’ Ofwel: ‘Deo volente’. Soms liet hij deze heilige woorden zo luid in het middenschip klinken dat boven het gewei van de Christusfiguur in het zijaltaar een met diamanten versierd kruis verscheen ter ere van de Heilige Hubertus, de patroon van de jacht. “Oppassen dat ik hier niet ik hier niet op mijn bek val,” dacht ik nog. “Dit wordt een requiem voor een zwaargewicht, een requiem voor een dode God die knock-out in een uithoek van de wereld ligt en zelfs na honderd tellen niet op zal staan.” God was een lege plek geworden, een gapend gat in de werkelijkheid, dat zich overal opdrong aan het oog. Maar wat is leegte? De lange leegte? De volle leegte? De sublieme leegte? De mystieke leegte? Leeg is leeg is leeg…. en als je zo maar lang genoeg doorgaat is leeg opeens vol geworden. Voller dan vol zelfs. Misschien is leeg wel God. Misschien is niets wel iets. Een en een is twee, maar wat is twee? De flat van de chagrijnige schrijver bestond uit twee kamers, die ineen liepen: een zit- en 
een slaapkamer. Het was midden overdag, maar de ramen waren afgeplakt met oude kranten, een gewoonte die hij kennelijk van Gerard Reve had overgenomen. De kamer werd verlicht door een paar bouwlampen op statief  die een onaangenaam hel licht uitstraalden als in een ijssalon of cafetaria. “Ik werk 
altijd bij kunstlicht,” zei de chagrijnige schrijver. Langs de wanden stonden kasten met glazen deuren, die uitzicht boden op een eregalerij van schedels, mensenschedels nog wel. Ik wist meteen dat dit een verzameling schedels was van oude Friese schrijvers: Gysbert Japicx, Douwe Kalma, Douwe Tamminga, Douwe Kiestra, Fedde Schurer… Er zaten ook laden in de kasten en een daarvan stond half open. Er kroop net een jong poesje uit. De schrijver duwde het poesje naar binnen en schoof de lade weer dicht. Op tafel lag een grote verzameling kauwgomballen. ‘Met honderdduizend ballen voor een stuiver en een cent. Die zie je zomaar zitten als je uitgeslapen bent.’ Ik kon niet laten om het hele liedje te gaan zingen, maar dat werd kennelijk niet op prijs gesteld. Tijdens mijn bezoek liep de chagrijnige schrijver heen en weer tussen zijn zit- 
en slaapkamer. Hij ontving me, gekleed in een wit overhemd met 
bretels er over heen. Al pratende voltooide hij zijn toilet. Hij strikte 
zijn das, borstelde zijn haar, dan was hij weer in de slaapkamer 
verdwenen en hoorde ik hem daar wat rommelen. Van het eerste ogenblik af had hij het over niets anders dan over mijn gedichten die hij laatst had gelezen op internet en die hij 
heftig afkeurde. Er deugde niets van. Hoe ik de onzin bij elkaar 
haalde. En zo ging het maar door. In mijn droom was ik me er heel goed van bewust, dat ik naar aan
leiding van dit bezoek een stukje voor mijn weblog moest schrijven en tenslotte zei ik: “Maar laten we nu eens over iets anders 
praten. Ik kan dat toch niet allemaal op mijn weblog zetten.” Hij werd verschrikkelijk kwaad, rende weg de slaapkamer in, kwam 
terug met zijn jas aan – nu ineens een correcte heer in donkerblauw 
- posteerde zich voor me en schreeuwde: “Het is monorchisme!” 
In mijn droom haalde ik monorchisme en monarchisme elkaar 
en flapte er uit: “Maar ik ben toch koningsgezind!” Op hetzelfde ogenblik wist ik, nog steeds in mijn droom, dat ik 
inderdaad op mijn bek was gevallen. “Nou vindt hij me nog dommer,” 
dacht ik en werd wakker. Om precies te weten waarvan ik beschuldigd werd heb ik later het 
woordenboek opgeslagen en zo las ik het volgende: ‘Bij monorchisme, is er slechts één zaadbal in het scrotum aanwezig. Deze aandoening wordt ook wel monorchidie of unilaterale anorchidie genoemd. De andere zaadbal is of niet-ingedaald (cryptorchisme) of überhaupt niet aanwezig.’ En hiermee eindigt dan het verslag van mijn dromen. Ik heb het heel plezierig gevonden om een paar dagen met u door mijn dromen te reizen. Ik ga nu de eieren verstoppen, want morgen komen de kinderen en dan doe ik even niets. Het wordt misschien wel een witte Paas, zo hoorde vandaag op de radio. Daar heb ik altijd al van gedroomd, meer nog dan van een witte Kerst. God de Vader moet morgen wel vroeg opstaan, wil het nog wat worden met dat lentefeestje van Hem. Maar Zijn Zoon staat met Pasen altijd vroeg op, als God het wil tenminste. Maart roert zijn staart en de Geest waait waarheen hij wil. Voor nu alvast: Bedankt voor de bloemen en natuurlijk: Zalig Pasen allemaal. We’ll meet again (Deo volente).

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)