Mystiek en modernisme
Muurschildering van Lucebert in het huis van Rudy Kousbroek, Parijs, 1953
In de jaren zestig ging ik nog wel eens naar een voorstelling van experimenteel toneel. Die voorstellingen waren te zien in een klein theater in de Nes en werden gegeven door de toneelgroep Studio. Meestal waren het volstrekt onbegrijpelijke gebeurtenissen. De begeleidende tekst in het programmaboekje wees er doorgaans op, dat je de dramatische handeling – voor zover die aanwezig was – als een vorm van absurdisme op je af moest laten komen. Soms had ik de indruk dat de tekst ook zodanig slecht was vertaald, dat er meer absurdisme op je af kwam dan de auteur ooit had bedoeld. Maar zeker weten deed ik dat nooit. Later hoorde ik dat ook Gerard Reve in die tijd veel toneelteksten vertaalde van bijvoorbeeld Edward Albee of Samuel Beckett. Die vertalingen schijnen zeer goed te zijn, dus aan hem kan het niet gelegen hebben.
Hoe dan ook, als je je schrijver eenmaal op het pad van de onbegrijpelijkheid begeeft, dan weet je nooit of je wel goed begrepen wordt. Dat geldt niet alleen voor toneelteksten, maar zeker ook voor poëzie. De gedichten van Lucebert bijvoorbeeld zijn vaak niet echt goed begrijpelijk. Er is meestal niet of nauwelijks sprake van een eenduidige betekenis die zich direct aan de lezer aandient. In een artikel genaamd ‘Postmodernisme in Nederlandse en Vlaamse poëzie’ betogen Jos Joosten en Thomas Vaessen dat ‘inhoud’, ‘persoonlijkheid’, en ‘essentie’ de belangrijkste kenmerken vormen van de moderne poëzie. Postmoderne dichters daarentegen – zoals bijvoorbeeld Arjen Duinker – zijn tegen ‘inhoud’, tegen ‘persoonlijkheid’ en tegen ‘essentie’.
Dat onderscheid lijkt helder, maar het creëert wel een pobleem als je Lucebert als een modern dichter beschouwt. Joosten en Vaessen verwijzen naar Veronica Forest-Thomson die in haar boek Poetic Artifice (1979) zich verbaast over de vindingrijkheid die veel poëzielezers aan de dag leggen in het wegpoetsen en rationaliseren van anomalieën en ambiguïteiten. Daarbij kan de poëzie van Lucebert volgens hen uitstekend als voorbeeld dienen. Bij de interpretaties in de tijd van de ‘close reading’ was vaak een hardnekkige neiging te bespeuren, om de tekst van het gedicht vanuit de enig juiste invalshoek te belichten. ‘Steeds weer is er gezocht naar de interpretatie of de zaligmakende context, terwijl deze notoire meerduidige teksten van Lucebert een op zulke constructies gerichte leeshouding juist verstoren.’ Lucebert heeft in de ogen van Joosten en Vaessen de onbepaaldheid van de tekst tot een poëtisch programma verheven.
Kortom, niks geen ‘inhoud’, ‘persoonlijkheid’ en ‘essentie’ in de poëzie van Lucebert. Deze gedichten lijken geen organische eenheid te hebben, laat staan een consistente betekenisinhoud die rechtstreeks voortkomt uit het subject. Ik vraag me af of dit bezwaar alleen geldt voor interpretatoren die de ‘close reading- methode’ hanteren. Volgens mij gaat dit ‘wegpoetsen van duisterheden en rationaliseren van anomalieën’ zelfs nog meer op voor de postmoderne interpretatoren, die zich beroepen op allerlei vormen van intertekstualiteit. De enig juiste oplossing komt immers nog meer in beeld, als je verwijzingen naar allerlei obscure bronnen uit de traditie van de mystiek bij de duiding van de tekst gaat betrekken. Mystiek maakt al het onbegrijpelijke, zelfs het absurdisme verteerbaar. Mystiek is de irrationaliteit bij uitstek, zo luidt het vooroordeel. Maar is dat wel zo?
In hoeverre kan een tekst eigenlijk een authentieke weergave zijn van een mystieke ervaring? Mystici hebben er keer op keer op gewezen dat de essentie van hun ervaring niet in taal is weer te geven. De mystiek kiest de taal van de erotische metafoor of de taal van van de totale ontkenning: de negatieve theologie bijvoorbeeld van Dionysius de Areopagiet. De vereniging met het goddelijke is per definitie niet in woorden te vatten, omdat deze geestestoestand buiten de reguliere categorieën ligt die in de psychische ervaring aan de orde zijn en in de betekeniscategorieën van de taal tot uiting komen, dat wil zeggen: ‘inhoud’, ‘persoonlijkheid’ en ‘essentie’.
De vraag rijst dan ook of poëzie die deze modernistische kenmerken in zich draagt überhaupt een mystiek karakter kan hebben. Het mystieke element in de moderne poëzie ligt veeleer in de ontmanteling van de betekenisdaad. De taaldaad van het gedicht voltrekt zich niet volgens het schema ‘zender- boodschap-ontvanger, zoals in de klassieke mediatheorie het geval is. Er voltrekt zich een transformatie in het zich aanwezig stellen van de woorden op zich zelf. De mystieke transformatie, die zich ooit in de dichter heeft voltrokken, wordt in de taal van het gedicht op ogenschijnlijk spontane wijze gesimuleerd, door het proces van mystieke transformatie in taal één op één te actualiseren. Dat is het sacrament van de moderne poëzie, dat zich in de niet-verwijzende metafoor voltrekt: poëzie als een beeld ‘pur sang’.
Lucebert - zo las ik in het boek Lichtschikkend en zingend, de jonge Lucebert (2004) van Peter Hofman – zou zich hebben laten inspireren door de mythische figuur van Lilith, die in de kabbalistische geschriften opduikt als de eerste vrouw van Adam. Zij zou het symbool zijn van de seksuele begeerte en seksuele verleiding, en in de Romantiek verworden zijn tot godin van het kwaad. Deze demonische vrouw promoveerde Lucebert tot zijn muze. Lilith was voor hem muze, engel en demon tegelijk. Zij wordt de belichaming van de lichamelijke taal die in zijn poëzie tot uiting komt. Hij schilderde haar in 1953 – gekruisigd en wel en omgeven door demonen – op een muur in het appartement van Rudy Kousbroek in Parijs.
Deze vrouwelijke demon werd in de tijd van de Romantiek ook wel verbonden werd met de fatale, meedogenloze vrouw, ‘la dame sans merci‘, zoals die Mario Praz haar beschreven is in zijn boek The Romantic Agony. De romantische Lilith is de vrouwelijke vermomming van ‘le diable amoureux‘, ‘the devil in disguise‘. Deze geïncarneerde demon doet het vlees woord worden in de experimentele poëzie van Lucebert. Daarmee creëert hij zijn eigen mythologie. Poëzie wordt zijn ontsnapping, want de Verlossing – zo bleek- was een brug te ver. Lucebert dook niet onder in het eigen souterrain, maar in de collectieve oceaan van voorwereldse verhalen.
Zo kort na de oorlog werd het persoonlijke niet zozeer politiek – dat terrein was immers nog volop met ideologische landmijnen bezaaid – nee, het persoonlijke werd universeel. Grote verhalen werden kleine revoluties. Toen de mythe van erfzonde plaats moest maken voor de valse belofte van wederopbouw en vooruitgang, is de moderne mens oude wijn in nieuwe zakken gaan gieten. Het naoorlogse modernisme, zo denk ik wel eens, was een laat-romantische variant van de gnostische mystiek in een tijd dat religie in de kunst definitief uit de mode begon te raken. ‘Inhoud’, ‘persoonlijkheid’ en ‘essentie’ waren de laatste kazematten in de strijd tegen de teloorgang van het absolute.

J.A. Heitmann
27 juni 2012 op 08:51
Twee namen die jarenlang een toon hebben aangegeven: Kousbroek die ik in de NRC-H onbeschaamd Heidegger hoor afwaarderen en Lucebert die ik ongebreideld schizo-wartaal zie schrijven. Je kan ze zo vlug niets maken, ze hebben landelijke status gehad en worden door de intelligentsia geprezen doch de tijd zal leren wat ze echt waard zijn geweest.
Huub Mous
27 juni 2012 op 11:21
Schizo-wartaal kan heel mooi zijn. En wat Kousbroek betreft: iedereen heeft zijn blinde vlek. Kousbroek was een fundamentalistisch rationalist en in die zin een exponent van wat Willem Jan Otten ooit ‘de Nieuwe Handelsbladse Rede’ heeft genoemd. Dat is een extreem seculiere geesteshouding die na de oorlog bij de Nederlandse intelligentsia diep in de genen is ingedaald.
J.A. Heitmann
27 juni 2012 op 16:12
Exact, Kousbroek was bij de vrijdenkers hoog in het vaandel (omgekeerd niet zo, de man bleef onafhankelijk). Als de KB klaar is met OCR-digitaliseren van de NRC-H incl. CS ga ik nog eens artikelen van zijn hand opzoeken.
Wiersma
27 juni 2012 op 22:48
Even wat anders: ik las vandaag dat dat ‘Lourdes’ water vanaf 1 november dit jaar VERBOTEN gaat worden. Door de EU uiteraard. Want: lobby van de big pharma industrie. Niet patenteerbaar en dus een ongewenst geneesmiddel en DUS verbieden.
Hoewel het eeuwen in concentraties van wel 35% is verkocht, mag het nu alleen nog verkocht worden in concentraties van 0,1%.
De derde wereldoorlog is allang begonnen. De burger is de nieuwe vijand. Vervuilers, vernielers, opmakers, aarde-opwarmers, zure regen veroorzakende, wandelende strontfabrieken zijn het. Dat laatste vond DaVinci al. Zijn er teveel van.
Dood moeten ze. De boerderij is te groot. Maar .. hee, wel sneaky he? Je kunt moeilijk tegen burgers zeggen: héé, ga es deadt man!
Maar we leven niet in de Matrix hoor. Neem gerust nog een rode pil en slaap gerust verder. De overheid, de EU, de bankiers en olichargen waken over U en zijn er alleen op uit om U een beter, rijker en gezonder leven te geven.
Nu vitamines en gezond voedsel nog even verbieden en gentech promoten. De media en politici weten ervan en wonen u verder anaal of geestelijk wel uit.
Kost een paar miljoenmiljard, maar dan heb je ook niks.
Gelukkig valt dat Lourdes water zelf te maken. Zoals de natuur dat zelf ook op grote schaal doet. En niet zonder reden.
Ik durf – bijna- te stellen dat zonder dat ‘Lourdes water’ de aarde één grote stinkende poel was (zoals een moeras met stilstaand water) waarin leven zoals we dat nu kennen onmogelijk zou zijn. Een metersdikke grote brij van schimmels, algen, parasieten etc.
J.A. Heitmann
28 juni 2012 op 01:18
De Kerk heeft eeuwen ervaring geld uit der mensen zakken te kloppen.
fredvanderwal
18 augustus 2012 op 08:17
Publicist neuro chrirurg Pierre Vinken en zijn literaire/ kunsthistorische bent genoten beschouwden de Vijftigers, in het bijzonder Lucebert, als een stel wauwelende gesjeesde Ulo scholieren die meenden met taalgrapjes cultuur te bedrijven. Remco Campert, die de bedeesde jongeman uit hing, zagen zij als enige serieuze schrijver. Bij deze visie sluit ik mij van harte aan.
Wat Studio betreft met het opvoeren van stukken over voornamelijk lotgevallen van onbegrijpelijke psychopatische paljassen en droefgeestige druiloren met identiteitsproblemen kan ik kort zijn; de nooit doorgebroken arrogante, doch helaas talentloze actrice Edda Barends verdiende daar een stuk droog brood door voor 4 mensen in de zaal avond aan avond op te treden.
Als dat geen kunst is….