Thomas van Aquino en Wittgenstein

De ‘reductie’ van de materiële wereld tot psychische toestanden en processen, zowel als de ‘reductie’ van psychische toestanden en processen tot fysische toestanden en 
processen berust op de veronderstelling dat de disjunctie: ‘ófwel het psychische bestaat, ófwel het fysische bestaat, maar niet allebei’, geoorloofd is. 
Dit zou gelijk staan met de bewering: ‘ófwel zij kocht een linker- en een 
rechterhandschoen, ófwel zij kocht een paar handschoenen (maar niet 
zowel het een als het ander).

Aldus Gilbert Ryle in zijn boek The concept of mind (1949). Op basis van dit dit soort redeneringen toonde hij aan, dat je geen onderscheid kunt maken tussen lichaam en geest. Dat deed hij dus door de logica toe te passen op de taalkundige aard van dergelijke onderscheidingen. Hij zuiverde het denken door – in het spoor van Wittgenstein – ‘het taalspel van de filosofie’ op zijn eigen merites te onderzoeken. Zo kwam hij uit op een monistisch standpunt ten aanzien van de werkelijkheid. Er zit geen breuklijn tussen de geest en het lichaam en als die breuklijn er wel zou zijn, dan kan hij in denken niet worden aangetoond. Eeuwenlang was het tegendeel beweerd. Het dualisme van lichaam en geest was bij Descartes begonnen. Dit moderne denken maakte ook een onderscheid tussen een binnenwereld en een buitenwereld. Die buitenwereld was overigens tegelijk ook binnenwereld, want het binnen van het lichaam was eveneens een buiten voor de geest. De gedachte dat de geestelijke werkelijkheid  binnen is, en de materiële werkelijkheid buiten, is zo vanzelfsprekend dat we ons nauwelijks kunnen voorstellen dat dit ooit anders is geweest.

Toch was dat in de tijd voor Descartes grotendeels het geval. Alleen Augustinus maakte een onderscheid tussen binnen en buiten, maar in de tijd vóór Augustinus en ook gedurende de Middeleeuwen – tussen Augustinus en Descartes dus –  was dit niet het geval. Monistisch denken en de eenheid van binnen en buiten waren kenmerkend voor het klassieke denken van Plato en Aristoteles en ook voor de middeleeuwse denkers. Middeleeuwse filosofen worden om allerlei redenen tegenwoordig weinig gelezen. Toch werd er in die zogenaamd duistere eeuwen wel degelijk gefilosofeerd over de aard en structuur van de menselijke geest en de werkelijkheid. De filosofie stond weliswaar nog in dienst van de theologie, maar dat wil niet zeggen dat er niet rationeel werd nagedacht. Thomas van Aquino bijvoorbeeld schreef een groot filosofisch oeuvre van bij elkaar acht miljoen woorden. Ik ben me voor hem gaan interesseren omdat zijn manier van denken sinds de negentiende eeuw vanuit het katholicisme naar voren is geschoven als het meest adequate antwoord op de vervreemding van de mens binnen het goddeloze wereldbeeld van de moderniteit.

Onlangs las ik dat een pater jezuïet jaren geleden alle geschriften van Thomas op de computer heeft gezet, zodat je daarin nu heel makkelijk via allerlei zoekfuncties je weg kunt vinden. Dat zou misschien tot nieuwe leeservaringen kunnen leiden, want zijn teksten zijn allesbehalve makkelijk. De gedachten van Thomas zijn zeer beknopt in het Latijn geformuleerd. Hij hanteert ook een heel eigen begrippenapparaat met woorden als: essentie, accident, materie, vorm, existentie, act, potentie en substantie. Telkens weer worden ragfijne onderscheidingen gemaakt in de betekenis van woorden. Door deze nadruk op de taal wordt de indruk gewekt van een hermetisch ‘taalspel’. Maar Thomas geeft voortdurend blijk van een heel strakke manier van redeneren. Hij stelt steeds een vraag over het een of ander. Daarna komt hij met allerlei argumenten pro en contra, en tenslotte trekt hij een conclusie, waarbij alle argumenten nog eens op hun waarde worden getoetst. Wittgenstein heeft eens beweerd dat niet zozeer de antwoorden die Thomas geeft van belang zijn, als wel de vragen die hij heeft gesteld. Die basale vragen over de aard van het denken waren wat Wittgenstein uiteindelijk in deze filosoof fascineerde.

De relatie tussen de verschijnselen die de wetenschap bestudeert en de mentale gebeurtenissen of situaties die in deze verschijnselen tot uiting komen vormen op zich een filosofisch probleem. Dat probleem is in feite van alle tijden en niet specifiek voor de moderne tijd. De Engelse filosoof Anthony Kenny is niet alleen een kenner van Thomas van Aquino maar ook van Wittgenstein. Hij is een van de pioniers van het zogeheten analytische thomisme en schreef een uiterst heldere inleiding op het thomistische denken, die ook in het Nederlands is vertaald. Volgens Kenny staat bij Thomas één vraag centraal: ’Wat is het verband tussen waarheid en zijn?’ Je kunt twee dingen beweren, stelt Thomas. Ten eerste: ‘De waarheid is dat wat is’. Maar ook: ‘Zijn is in het geheel niet hetzelfde als waar zijn.’ Strikt genomen is waarheid een verhouding tussen geest en werkelijkheid: de overeenstemming van een gedachte met datgene waarover wordt gedacht. Maar hoe bepaal je die overeenkomst? Thomas maakt onderscheid tussen de werkelijkheid, de gedachte en het oordeel. Alle drie zijn bepalend voor het denken, zodat de waarheid op verschillende manieren toebehoort aan de werkelijkheid. Ook voor veel moderne filosofen is waarheid relationeel en gebaseerd op oordeel. Daarmee zou de waarheid tegelijk ook veranderlijk zijn. Anderen menen echter dat niet het oordeel, maar de uitspraak als zodanig, de overeenstemming bepaalt tussen de gedachte en datgene wat gedacht wordt.

In dat laatste geval is er sprake van een soort onmiddellijkheid in het waarheidsgebeuren van een uitspraak. Wat er in die onmiddellijkheid precies gebeurt weten we niet. ‘Als een leeuw opeens zou gaan spreken’, zei Wittgenstein, ‘zouden we hem niet verstaan’. Bij het waarheidsgebeuren van een uitspraak kunnen volgens Thomas een aantal onderscheidingen worden gemaakt. Opvallend is dat hij daarbij geen grens trekt tussen het materiële en immateriële, of anders gezegd: tussen lichaam en ziel. In feite is ook hij dus een monist, zij het in een iets andere betekenis dan bij Ryle het geval is. Het zijn was voor Thomas de basis voor menselijke kennis en God was de hoogst zijnde. God was als de Ene en tegelijk hoogst zijnde zowel essentie als existentie. Zoiets hoor je Ryle niet beweren. Maar in de thomistische filosofie houdt het zijn – met al zijn gradaties – alles bijeen: binnen en buiten, geest en materie, God en de mens. Door de analogie van het zijn had de mens ook kennis – zij het bij benadering – van van het oneindige zijn van God. Naast materiële substanties bestaande uit materie en vorm, waren er volgens Thomas ook immateriële substanties bestaande uit alleen vorm. De ziel is in zijn optiek een vorm zonder substantie.

In zijn gedachten over de ziel bracht Thomas in feite een synthese tot stand tussen het denken van Plato en dat van Aristoteles. Plato had beweerd dat de ziel onsterfelijk is en zonder wording. In de ziel lag het middelpunt van ethiek en esthetiek. De ziel was het centrale knooppunt van het goede, het ware en het schone. Deze ziel was volgens Plato ook verbonden met de ‘wereldziel’. Alle zielen waren intrinsiek verwant aan hele werkelijkheid. Bij Plato bemiddelt de ziel tussen het eeuwige en het veranderlijke. Eeuwige, abstracte eigenschappen worden volgens hem weerspiegeld in de ziel die ze doorgeeft aan lichaam. Door die platonische visie op de ziel ontstond een metafysisch probleem: de ziel staat bij Plato weliswaar los van het lichaam, maar voor beschrijving van wat in de ziel plaatsgrijpt zijn telkens weer ‘fysiek geaarde termen’ nodig. Aristoteles kwam dan ook met een andere visie op de ziel. Ook bij hem was de ziel transcendent, maar tegelijk ook ontdaan van kenbare eigenschappen, zoals abstractie en substantie. De ziel was bij Aristoteles minder een tussen-wezen, zoals bij Plato, maar verbonden met het lichaam om zodoende iets hogers te kunnen bewerkstelligen. Kortom, Aristoteles beschrijft de ziel in de wijze waarop ze in het lichaam bestaat. De onsterfelijkheid van de ziel werd door hem wel erkend, maar slechts terloops genoemd. De ziel was het fundament van het leven en ook verantwoordelijk voor de beweging. Maar primair bracht de ziel orde en samenhang in het lichaam.

Thomas van Aquino tenslotte kwam met een synthese van deze visies van Plato en Aristoteles. Hij splitste de christelijke ziel af van de  universele platonische ziel-opvatting en volgde daarmee Aristoteles. Bij Thomas zijn begeerte drift en verstandelijke vermogens verworven en dus niet het meest eigene van ziel. Thomas benadrukte overigens wel het geheimzinnige, eeuwige licht van de ziel als de individuele kern en de echte identiteit van de mens. Daarbij ging hij niet uit van universele (platonische) ideeën, die zich achter de werkelijkheid ophouden en waarop ook de waarheid uiteindelijk zou berusten, maar van een voortdurende interactie tussen de vormen in de geest van de individuele mens en de werkelijkheid die wordt waargenomen. Er is dus wel een basisstructuur, die geest en werkelijkheid verbindt, maar die zit in de werking van het denken zelf. Daarmee komt het denken van Thomas in de buurt van moderne taalfilosofen als Wittgenstein, Ryle en Chomsky.

Evenals Freud en Marx heeft Wittgenstein met zijn taalfilosofie kritiek geuit op het dualisme in het denken sinds Descartes. Alleen al om die reden krijgt het scholastieke denken van Thomas opnieuw actualiteit. De figuur van Thomas van Aquino is lange tijd uit beeld geraakt omdat zijn denken geassocieerd werd met een het metafysica van de katholieke geloofsleer. Sinds het eind van de negentiende eeuw heeft het Vaticaan er ook alles aan gedaan om het zogeheten ‘neothomisme’ tot de officiële filosofie voor de geesteswetenschappen te maken. Dit neothomisme raakte op die manier ideologisch besmet. In de eerste helft van de twintigste eeuw was het katholieke denken in Nederland vooral op de neothomistische leest geschoeid. Na de oorlog kwamen de fenomenologie en het existentialisme naar voren en raakte het neothomisme wat op de achtergrond. Na de opkomst van de ‘nieuwe theologie’ en met name sinds het Tweede Vaticaanse Concilie is het neothomisme in Nederland vrijwel geheel uit beeld geraakt.

Dit verdwijnen van het neothomisme heeft het zicht belemmerd op allerlei interessante ontwikkelingen die zich in de  geesteswetenschappen in de afgelopen eeuw hebben voorgedaan. Zo waren de anti-Freudiaanse theorieën van katholieke psychiaters als Rümke, Duynstee en Terruwe op ideeën van Thomas van Aquino gebaseerd. Er was sprake een groeiend spanningsveld tussen de kerkelijke moraal van het Vaticaan en een voortschrijdend inzicht op terreinen als psychologie, psychiatrie en sociologie. De bemoeienis van katholieke wetenschappers met de geloofsleer en de moraal was een typisch Nederlands fenomeen, dat zich na de oorlog tot midden jaren zestig in steeds sterkere mate manifesteerde. In de menswetenschappen werd ook door katholieken gezocht naar een ‘nieuw ontwerp voor de mens’, waarin psychologie en theologie niet per definitie met elkaar in strijd hoefden te zijn. Maar de Angelsaksische filosofie met zijn strenge methodische beperkingen, die in de jaren zestig de overhand kreeg, deed het tij keren. Toen Wittgenstein en Popper in de mode raakten, was het met het neothomisme definitief gedaan. De ironie van de geschiedenis wil dat hedendaagse filosofen in het spoor van dezelfde Wittgenstein weer teruggrijpen naar het denken van Thomas van Aquino.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)