Achter het spoor

Vuilverbranding Diemerzeedijk, eind jaren vijftig (foto: Frits Weeda)

‘Zwijgend keken we samen naar de horizon in afwachting van het moment dat de groet flits van het witte licht ons komt verblinden. Geen ongebruikelijke dromen van een negenjarige, althans niet tegen het einde van de jaren vijftig, de hoogtijdagen van de Koude Oorlog, toen De Bom nog als een grote zwarte zon nog boven ieders hoofd hing. We waren nooit meer dan een druk op de knop verwijderd van de totale vernietiging, en we wisten het – met als gevolg dat ieder mens van heel dichtbij het grote niets in het gezicht kon kijken waar kunstenaars en filosofen al een tijdje zo druk mee bezig waren.’

Aldus schreef Roel Bentz van den Berg laatst in een artikel in De Gids. Het verhaal ging over ‘de angst voor het niets’, die hem deed denken aan een angst uit zijn jeugd, een boze droom uit die tijd. Hij was met zijn moeder een dagje naar de strand, waar ze opeens werden opgeschrikt door een bericht op de radio dat De Bom was gevallen. Dat soort dromen heb ik als kind nooit gehad, maar ik kan me die angst nog wel herinneren. Ik weet nog dat onze buurvrouw en keer op bezoek was en har bezorgdheid uitte over de verandering van het klimaat. Die hete zomers, dat kwam allemaal door die kernproeven in Amerika. Mijn moeder geloofde er niets van. Zij liet zich het hoofd niet zo gauw op hol brengen. Misschien had ik ‘s nachts daarom ook geen last van dit soort nachtmerries.

Mijn ouders kwamen eind jaren dertig in de Watergraafsmeer wonen, een wijk die toen nog aan de rand van Amsterdam lag. De eerste tijd in een bovenwoning aan de Mr. P.N. Arntzeniusweg, maar kort daarna naar de Van der Waalsstraat (later Johannes van der Waalsstraat genoemd) . Ik kan me nog goed herinneren, dat mijn vader begin jaren vijftig met bouwtekeningen thuiskwam. Ze lieten het stratenplan zien van de nieuwe woonwijk die in de weilanden aan de overkant zou verrijzen. Gelukkig was er loodrecht op ons huis een straat gepland, zodat ons uitzicht gedeeltelijk bewaard bleef. Zo zagen wij uit ons raam langzaam de contouren van de Ehrlichstraat verijzen. Het waren wat je noemt de jaren van de wederopbouw, met het doffe gedreun van een heiblok in de verte, de dreiging van de Koude Oorlog, maar ook van voetballen op straat, diefje met verlos, de roep van een voddenjood die de hoek om kwam en het luiden van de kerkklok op zondag.

Achter de spoorlijn in de verte was destijds niet veel te beleven. Daar lag de polder en het Merwedekanaal. Daarachter de Diemerzeedijk langs het IJsselmeer, waar vaak vuil verbrand werd. Op een dag kwam er een grote, gitzwarte wolk van achter de spoorlijn vandaan. We dachten even dat er een atoombom was gevallen, zo onheilspellend zwart was die rookpluim, die bovendien als een paddenstoel alsmaar groter werd. Veel later hoorden we pas, dat daar chemisch afval werd verbrand. Jarenlang zijn ze bezig geweest om die rotzooi op te ruimen. In de jaren vijftig bestond er nog geen milieu. Achter de spoordijk werd ook een laboratorium voor atoom-onderzoek gebouwd. Nadat er radioactief afvalwater in de sloot was geloosd, werden daar opeens kikkers met zes poten aangetroffen. Dat was de beruchte kikkeraffaire in 1957. Ik was toen negen jaar oud. Het was een wonderlijke wereld, daar achter het spoor.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)