De terugkeer van Aristoteles

Ik heb me altijd verbaasd over het simpele feit dat elke boom in de vorm van een boom groeit. Sterker nog, als je een groepje bomen bij elkaar ziet staan in een open landschap dan zie je altijd een doorlopende contourlijn die het geheel omsluit.  Niet eerst een hoge boom en dan een lage en vervolgens een middelgrote en dan weer een hele hoge… nee, elke boom voegt zich qua lengte in zijn omgeving. Er zullen wel hele slimme verklaringen voor zijn. De hoeveelheid licht bijvoorbeeld voor een willekeurige boom is altijd verwant aan de hoeveelheid licht die de boom in de directe nabijheid voor zijn groei te verwerken krijgt.

Misschien zijn het ook wel wiskundige formules die deze structuurdrift kunnen verklaren. Een zwerm spreeuwen blijft ook altijd in patronen vliegen waarvan het algoritme onmogelijk in het hoofd van elke spreeuw aanwezig kan zijn. Elke spreeuw volgt zijn eigen route volgens een code die voor elke spreeuw gelijk is , maar omdat de uitgangspositie voor ieder verschillend is volgt er een steeds wisselend patroon dat in zijn steeds wisselende totaliteit een opmerkelijke ordening vertoont. Dit soort processen zijn non-lineair.  Ze worden aangedreven door een oorzaak die zich op een ‘hoger’ niveau bevindt dan het niveau waarop de samenstellende delen afzonderlijk zich bevinden. Het resultaat heeft iets holistisch. Het geheel is meer dan de som der delen.

Maar er lijkt ook een doel te zijn, waarop het systeem zich richt. Een eindvorm waar het voortdurend naar op weg is. Anders gezegd, het holisme in de natuur heeft iets teleologisch. Een plant wil een plant worden, een boom een boom, een bos een bos en een mens een mens. Deze immanente structuurdrang, die in elk organisme aanwezig lijkt, wekt telkens weer verwondering. Wie ooit met aandacht de kleine vingertjes van een pas geboren baby heeft bekeken, weet waarover ik het heb. Hoe is het mogelijk dat die vijf kleine vingertjes uit één zaadcel en één eicel zijn voortgekomen?  Zelfs als dit hele gebeuren stap voor stap te verklaren zou zijn – van atoom, molecuul, DNA, genen etc etc … dan blijft het een wonderbaarlijk proces waarvan het einddoel al in de kiem aanwezig lijkt.

Is er soms een ordenend principe in  de natuur dat dit soort processen aanstuurt? Heeft elk organisme misschien zoiets als ‘een ziel’ in zich, een immanente eindvorm die het groeiproces richting geeft op weg naar zijn ‘natuurlijke bestemming’. Is de ziel soms een sturend beginsel dat in een levend organisme besloten ligt? is de ziel een ‘vorm’ die de materie een richting geeft. Aristoteles dacht van wel. Als zoon van een arts was Aristoteles een biologisch denker. Hij ontwikkelde  als eerste een biologisch model van de ziel. Elk levend organisme heeft een doel waarnaar het wordt voortgedreven.

Maar wat is dan de eindbestemming  van de mens, ‘het onbepaalde dier’ zoals Nietzsche hem noemde. Is de mens op weg naar niets, of is er toch een hoger doel dat in het ‘wezen’ van de mens – in zijn ‘ziel’ – besloten ligt.  Of is het tegendeel het geval. De mens kent juist geen immanente bestemming. Moet de mens zijn eigen bestemming juist zelf ontwerpen?  Sterker nog, is ‘het project mens’  het onderwerp bij uitstek van de menswetenschap. Het meest onbestemde organisme, dat de natuur heeft voortgebracht, moet voor zichzelf een bestemming ontwerpen. Misschien was dat wel een foutje van de natuur. De mens heeft als taak om zijn eigen gebrek te herstellen.

In de tijd van de wijsgerige antropologie, die nog niet zo ver achter ons ligt, werd inderdaad gedacht dat ‘het project mens’ een opdracht was voor de menswetenschap. De wijsgerig antropologen beschreven organische systemen – van cel tot maatschappij – waaruit bleekt dat structuurdrift, zelforganisatie, samenwerking en interactie de basis vormen van al het leven op deze planeet en niet alleen de wetten van de jungle, zoals die ooit door Darwin waren geformuleerd. De wetenschap van de mens moest een richting hebben, een intentie, een focus, of beter gezegd een ideëel mensbeeld dat voor de mens zelf een  baken kon zijn waarop hij al zijn doen en laten zich kon richten.  In feite was de wijsgerige antropologie gebaseerd op het zielsbegrip van Aristoletes.  Het organisme ‘mens’ had immers een immanente structuurdrift waardoor uit één eicel een lichaam voort kon komen.

Zo ook moest de mens  op het niveau, dat de biologie te boven gaat, zijn eigen structuur ontwerpen, een eigen doel waarnaar hij op weg is. Een ‘doeloorzaak’ zou Aristoteles zeggen. Een mens is een gelaagd wezen, dat zich vanuit het anorganische, via het organische uitstrekt tot in het psychische. Die ‘gelaagde mens’ kan zijn wereld van binnenuit begrijpen door de organische samenhangen, die hij waarneemt en verinnerlijkt, te ordenen, te rubriceren, te toetsen aan de werkelijkheid en in grotere gehelen te plaatsen. De vraag die zich dan aandient luidt als volgt: hoe kun je op het terrein van de wijsgerige antropologie tot objectieve waarheden komen?  Dat probleem vormde een onneembare barrière waarop de wijsgerige antropologie uiteindelijk gestrand is. Methodologisch was het een warboel. In de jaren zestig werd er gehakt van gemaakt. Exit het project mens.

Toch dient de vraag zich aan of de ontwikkelingen die daarna zijn gevolg niet zijn doorgeslagen in het andere uiterste.  De hersenwetenschap van tegenwoordig zou een kleine injectie vanuit de wijsgerige antropologie best kunnen gebruiken. Anders gezegd: iets meer Aristoteles en iets minder Dick Swaab. Na afloop van de Nacht van de Filosofie heb ik nog even nagepraat met Ben Schomakers, die het boek De Anima van Aristoteles in het Nederlands heeft vertaald en van een uitvoerige inleiding heeft voorzien. Hij wees me op het werk van de Duitse neurowetenschapper Kurt Goldstein die al voor de oorlog een opmerkelijk boek schreef: Der Aufbau des Organismus.

Goldstein  onderzocht de herstelprocessen van zwaar gewonde soldaten uit de Eerste Wereldoorlog.  Maar ook het herstelproces van baby’s die al in hun eerste levensjaar getroffen werden door een hersenbloeding. Een volwassene, die getroffen wordt door een hersenbloeding in het taalcentrum van zijn brein, zal lange tijd moeten oefenen om elders in zijn brein opnieuw het taalvermogen  te creëren. Een baby doet dat vanzelf. Kortom, er lijkt een structuurdrift in het brein aanwezig te zijn die dit soort zware blessures als vanzelf kan herstellen.  Had Aristoteles dan toch gelijk, met zijn organisch begrip van de ziel? Het boek van Goldstein, dat in 1934 bij Uitgeverij Nijhoff in Den Haag verscheen, bleek in de bibliotheek van Tresoar aanwezig te zijn. Zo te zien nog ongelezen, als een kostbare schat uit een vervlogen tijd.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)